uitkijktoren

It’s lonely at the top. Ik heb net dertig kilometer tegen de wind in gefietst en 216 treden beklommen. Hijgend sta ik bovenop de uitkijktoren aan sas 4 in Dessel. Mijn blik reikt kilometers ver over het water dat zich in alle richtingen uitstrekt. Het is een prachtige dag, de zon schijnt uitbundig en het lijkt wel lente midden februari.
Er zijn meer mensen die hierboven een kijkje komen nemen, ik ben niet de enige die vandaag dit plan heeft opgevat. En toch voel ik me er alleen. De eenzaamheid zit vanbinnen: hij heeft zich aan me vastgeklampt na een ruzietje en ik heb hem nog niet van me af kunnen schudden.

Ik had hem een postertje getoond dat ik goed gemaakt vond en zijn onmiddelijke reactie was: ‘dat zwarte lijntje hieronder vind ik lelijk’. Hij wees het tekstje van de verantwoordelijke uitgever aan en legde uit waarom hij het niet mooi vond.
Er ontsnapte mij een spottend lachje: ‘Waarom moet je altijd meteen zeggen wat er niet goed is? Er is altijd wel een punt, een komma of spatie waar je over struikelt. Je kunt nooit iets positief zeggen over iets wat ik je toon.’
Altijd en nooit zijn dodelijke wapens. Als een boemerang keren ze terug. Dat had ik moeten weten.
De terugslag ontploft dan ook vol in mijn gezicht: ‘Jij doet niet anders dan reclameren de laatste tijd.’
Trefzeker raakt de pijl doel en blijft trillend steken in mijn hart.
Midscheeps raakt zijn schot mijn buik.

Hij is altijd een goeie schutter geweest. Hij is niet van de nuance, nooit geweest. Bij hem is het alles of niks, zwart of zit. Maar zo rauw had ik het nog nooit in mijn gezicht geslingerd gekregen. Totale diskwalificatie, kind met het badwater weg.

Het gekke is: het is niet omdat je de regels van feedback kent (het moet specifiek zijn, en je moet beginnen met iets positiefs), dat je de angel er ook rationeel uit kunt halen als de feedbackgever zondigt tegen deze regels.
Overslaan van het specifieke/positieve geeft automatisch de reflex: ‘Ik doe niks goed, alles aan mij is slecht.’
(Alles en niks zijn ook dodelijk trouwens.)
Ik had er zelf ook tegen gezondigd. Ik was ook niet begonnen met iets positiefs, maar ik was tenminste nog wel specifiek geweest: ik had het over beeldmateriaal voor promotie en blogjes.
Maar omgekeerd was de precisie geheel verlaten. Ik reclameer blijkbaar altijd. Maar waarover dan? Dat legde hij niet uit. Ging het over mijn gemopper over de lichten laten branden? Daar mopper ik inderdaad veel over. En helaas terecht.
Ging het over de rommel die iedereen in huis laat slingeren? Daar mopper ik ook veel over. Misschien niet altijd even terecht, want ook mijn eigen rommel slingert daar nogal eens tussen.
Ging het over andere dingen? Geen idee, ik heb geen uitleg gekregen.

En het klopt ook niet. Ik reclameer niet altijd. Ik geef ook veel complimenten. Pas nog, op een Valentijnskaartje nota bene. Soms reclameer ik volgens de regels van de kunst: ik benoem eerst wat goed is en zeg dan wat me stoort.
Maar dat werd dus allemaal met één grote haal van tafel geveegd. ‘Jij reclameert altijd.’
Tja als ik alleen maar reclameer, zou ik mezelf ook buiten zetten.

It’s lonely at the top. Ik kan ver kijken. Zo ver dat ik zie dat we samen van heel ver komen en samen nog heel ver zullen gaan.
Blijven ademen. Vergeven.
Er zijn vast ook wel wat positieve dingen aan mij, bedenk ik daarboven op die toren. Tot dat besef zal hij ondertussen ook al wel gekomen zijn, anders had hij me vanochtend niet zo stevig vastgepakt. Aan hem is gelukkig ook veel meer positief dan zijn muggenziften over komma’s, spaties en punten.
We zijn slechte praters, slechte ruziemakers en nog waardelozere feedbackers. Ik verwerk en vergeef het hem wel schrijvend.

Met het hart een beetje lichter fiets ik de weg terug. Wind mee deze keer.





Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.