niks speciaals

Het was maar Bretagne. Het was maar 700 kilometer ver, amper een dagreis. Het was maar een huisruil (dat wou ik al heel lang uitproberen en deze onzekere zomer bood daarvoor een uitgelezen kans: kunnen en willen alle kinderen nog wel mee? Herexamens? Nestvlieders die naar het buitenland trekken? Toch liever met lief of vrienden dan met papa en mama op vakantie?) en dus was het ook maar een vakantie-adres van nul euro. Met krakkemikkige wifi, krakende vloeren en milieubewuste ‘droge wc’s’. Wel had het huis de meest sensuele houten trap die ik ooit gevoeld heb onder mijn blote vakantievoeten.
Het was niet de andere kant van de wereld, eerder onze achtertuin.
Het was niet spectaculair, niet instawaardig, er viel niks indrukwekkends te posten op Facebook. Er was nul druk. Er hoefde eigenlijk helemaal niets.
Niets. 

Precies daardoor, waren de dagen in Bretagne van een onbestemd soort mistigheid die me blij stemt. Weer om niets te doen, zacht en windstil genoeg om buiten te zitten en uren aan een stuk te lezen. Soms eropuit te trekken en dan in de tuin bekomen van de veel te toeristische Mont St Michel en een indigestie van te dure mosselen daar. Een welhaast continu wit wolkentapijtje zorgde dat de zon niet echt doorkwam en de temperaturen zacht bleven zonder in overdrive te gaan. We hadden genoeg hittegolf gehad in de afgelopen maanden. Ideale omstandigheden om de 750 geniale bladzijden die Hanya Yanagihara geschreven heeft uit te lezen. De lees-opwarmertjes deze vakantie waren ‘Mijn jaar van rust en kalmte’ van Otessa Moshfeg en ‘Problemski hotel’ van Dimitri Verhulst. De geest stretchen en warmlopen voor het grote werk, die roman dus van Yanagihara: ’Een klein leven’. Een dikke pil waar ik buiten een vakantie niet eens aan moet beginnen. Maar nu was het genieten. Zo door kunnen lezen, een glas tintelende rosé erbij, wat valt er meer te verlangen?

Het was maar Bretagne.
Maar wat hebben we ervan genoeten. Van de groene kusten, het diepe aquamarijn van de zee rond de kliffen, de eindeloze wandelingen. De ijsjes van zoute caramel. De assiettes fruits de mer. Van Top Gun. Alweer. (Een jaarlijkse familietraditie: elk jaar herbekijken we die film met zijn allen, lippen we elk woord van de dialogen mee en draaien het volume op maximum als de F-16 motoren vuur spuwen op de tonen van ‘Highway to the danger zone’.)
Van samen marshmallows roosteren boven het kampvuurtje. Van koffie en baguettes. Van het ochtendlijke fietstochtje naar het Depôt de pain in Tréverien voor die baguettes.
Van de stille ochtenden op het beschutte zijterrasje waar ik uren zat met boek en koffie.
Van de eigenwijze kat Lili die bij het ruilhuis hoorde, van John de exotische vis, van de Romeo’s zoals mijn dochter de drie goudvissen gedoopt had en van Spencer, de hamster die zich zelden bij daglicht liet zien.
Van alle kinderen nog erbij te hebben – met aanhang zelfs dit jaar – en te zien tot wat een fijne mensen ze allemaal zijn uitgegroeid. Van het plezier dat die kinderen onder elkaar maakten. (Wees gerust, ze hebben ook uren liggen bingewatchen, het zijn hele gewone kinderen.)

Wat zou het mijn vader verheugd hebben als hij wist dat zijn dochter zo genoot van de streek waar hijzelf zijn kinderen in onze jeugd altijd mee naartoe nam.
Het was maar Bretagne. Het was niets speciaals. Maar wat was het bijzonder.

PS: Na 33 jaar leer ik nog steeds dingen bij over Top Gun: ‘Dat zijn F 14’s en geen F 16’s’, zegt mijn man bestraffend…. Weet ik veel…