’t gemakske van een kakske


Of scatologische onderwerpen in een blog passen, dat weet ik niet, toch wil ik het met u even over over kaka hebben. Stoelgang, faeces, het gemak, drol, poep, toren, faecali├źn, enfin u weet wat ik bedoel.
Het is toch wonderlijk hoe onze buik en onze stoelgang een perfecte barometer zijn voor de algehele lichamelijke gesteldheid? De laatste tijd worden we doodgegooid met artikels over het belang van ons microbioom en de wonderlijke resultaten van stoelgangstransplantatie bij soms hopeloze want anderszins onbehandelbare problemen.

Maar zo ver wil ik het niet zoeken. Ik blijf dicht bij huis. Ik wil het met u gewoon over het gemak van de kak hebben. Het gevoel van verlichting dat een goede stoelgang kan bieden.
Ik ken vooral de flow-variant: als ik een topdag heb en helemaal in mijn element bezig ben met schrijven of eindelijk eens flink schoon schip maak met K-klussen die me al veel te lang liggen aan te gapen en op mijn gemoed wegen, dan moet ik om de haverklap naar het groot toilet. Op een ochtend moet ik dan wel een paar keer een ‘number 2’ doen zoals de Amerikanen dat zo besmuikt zeggen. Het is net alsof mijn lichaam – tegelijk met het opruimen van mijn bureau en stapels papieren en mails – ook schoon schip maakt met alle opgestapelde afvalstoffen. Dat voelt goed. Ik voel me lichter en lichter worden. Ik krijg bijna vleugeltjes. Hoe opgeruimder mijn bureau, hoe rustiger het in mijn hoofd wordt en hoe meer energie ik voel stromen.
Mijn kaka is dus slimmer dan ikzelf: het registreert feilloos wanneer ik goed bezig ben en wanneer niet.
Hoe meer ik op mijn gemak ben, hoe beter het gemak. Excuus hiervoor, maar flauwe grapjes zijn helaas onvermijdelijk bij dit onderwerp.

Stoelgang als graadmeter van het welbevinden. En het is niet omdat het dan vlotjes gaat, dat ik het over diarree heb. Nee, ik heb het wel degelijk over het gezonde type nummer vier van de Bristol stool chart. Ik citeer: ‘like a smooth, soft sausage or snake’. Die Bristol stool chart hing trouwens altijd op het toilet bij mijn vader thuis, hij had een voorliefde voor kaka. Van verse koeienvlaaien in een wei kon hij lyrisch worden. Dan snoof hij eens krachtig door zijn neus en kwam er een welgemeend ‘heerlijk!’ uit het Rotterdamse stadsjongetje dat in zijn jeugd de hongerwinter doorbracht op een boerderij in Olst en daarom de rest van zijn leven dacht dat hij een echt buitenmens was.

Kaka was trouwens ook een geliefd onderwerp in tijden van zware blok. Hoe harder we moesten studeren, hoe lager het niveau van onze gesprekken. ‘We’ zijn in dit geval mijn dierbare vriendin R. en ik. Onze koten waren slechts gescheiden door een bordkartonnen wandje, dus toen het hopeloos werd om de schijn op te houden, lieten we in bloktijd onze scheten gewoon knallen. Waarna we allebei keihard in de lach schoten, aan weerszijden van het bordkartonnen wandje. Dat soort pis-en-kak-humor bood dan weer even verlichting van het zware blokken. Zo hielden we de moed erin. En door af en toe een potje te huilen (ik).

Als ik trouwens zo lekker vol flow aan het werk ben, gebeurt er nog iets anders: ik vergeet te eten. U weet niet of u dit goed gelezen hebt? Dan herhaal ik het nog eens: Ik. Vergeet. Te. Eten.
Ik, de snoeper, de stress-eter, de snaaier, de snacker. Ik vergeet te eten. Echt.
Samenvatting: stress = eten + neiging tot obstipatie, flow = de verlichting van een regelmatige Bristol stool type 4 + vergeten te eten.

Conclusie: in de beste versie van mijzelf, ben ik een defaecerende schrijfster die haar administratie picobello op orde heeft.
Goh, niet meteen wat ik me als grafschrift gedroomd had.
En waar ik nu zo benieuwd naar ben: werkt het bij u ook zo?