Vetzakken

Het zou ironisch geweest zijn als het niet zo schrijnend was: op het nieuws hoor ik hoe mensen ’s zondags bij de bakker minder kopen dan vroeger omdat de prijzen zo verhoogd zijn. Even later vind ik een volledig brood op mijn zwerfvuilrondje.
Verder spaar ik bijna een fiets bij elkaar: voor- en even verderop achterlicht, koptelefoon (onmisbaar op de fiets) en fietstas vind ik allemaal onderweg.
De stad maakt het haar zwerfvuilvrijwilligers ondertussen onbedoeld moeilijk door de bermen ‘mooi’ af te maaien: nu moet ik blikjes in elfendertig gruzelementen bijeenrapen, wat nóg meer werk is dan al die blikjes apart. Het zijn er zoveel.

Een gebroken porseleinen bord.
Het onvermijdelijke McDonald’s meal, allé toch de veel te omvangrijke verpakkingsresten ervan. Waarom moet dat in honderd doosjes en zakjes en bekers met dan nog eens tien servetten erbij?
En een lege pilstrip. Goedzo. Zwerfvuilveroorzakers, gelieve zich te onthouden van voortplanting. Ook een lange termijn oplossing van het zwerfvuilprobleem 😜
Wie zouden dat trouwens zijn, die zwerfvuilveroorzakers?
Vetzakken. Dat schrijft Els Van Doesburg er toch over in haar column in De Morgen op 13 mei jongstleden waarin ze de geestesgesteldheid van de zwerfvuilverzoorzaker fileert.
Ik ben geneigd het met haar eens te zijn.

Ceci n’est pas un Montblanc

(Deze blog verscheen eerder op Medisch Contact, onder de titel: ‘In deze praktijk hebben ze het gesnapt’.)

Je kan hier nog met vulpen schrijven. Om precies te zijn: met een Montblanc Heritage Collection Rouge et Noir Fountain Pen. Het ritueel eist geduld. Van het losschroeven van de dop, de punt op het papier plaatsen, hand en pen elkaar laten aanvoelen om samen zwierige krullen over het papier te laten dansen en dan rustig de inkt laten drogen terwijl je de pen weer dichtschroeft. Schrijven met een vulpen vraagt tijd en aandacht. Je schrijft er anders mee. Geen beter beeld dan dit om uit te leggen hoe fijn het werken is in de praktijk waar ik nu als vervangarts aan het werk ben.
Het beeld van die vulpen is een vlag die de lading volmaakt dekt, de perfecte metafoor voor alle zorg en aandacht die hier besteed wordt aan alle aspecten die ik van levensbelang vind in een huisartsenpraktijk.
In deze praktijk hebben ze het gesnapt. Het hele work-life balance concept. Maar dan ook echt gesnapt.
Twintig minuten mag een consult duren. Dan heb je tijd om de diepte in te gaan als dat nodig is, en kan er nog vanalles tussendoor als dat moet.
Preventie is een belangrijk speerpunt. De hele mens telt mee: van preventie tot behandeling, van coaching tot zorg, van zuigelingenzorg tot palliatie. Van wieg tot graf en alles daar tussenin.
En van de zorg voor artsen en medewerkers zelf word ik ook zo blij. Een werkdag mag stoppen ergens tussen zes en zeven, er zijn altijd bloemen en vers fruit, de geur van versgemalen koffiebonen hangt er in de lucht, de kamers zijn licht en ruim, zelfs de koffiekopjes zijn met zorg gekozen. De ruime fietsenberging is afgeladen vol en dat zegt veel over wie hier werkt. Voor enthousiasme, motivatie en openstaan voor nieuwe ideeën, geef ik ook een dikke tien. De gun-factor is groot hier.
Ik voel me welkom en van waarde. De wederkerigheid is hartverwarmend. Al ben ik maar de vervangarts, ik tel mee.
Wat een plezier!
Ik had me al een beetje verzoend met het idee dat ik aan het ‘uitbollen’ was. Het laatste derde van mijn werkzame leven kabbelend tussen vervangingen en vakantie, de grote dromen opgeborgen. Maar ziedaar wat er gebeurt als een mens zich als een vis in het water voelt: er begint weer iets te gloeien, het vuurtje binnenin gaat weer branden. Hier kan ik wél nog een paar dromen waarmaken. ‘You are the average of the five people you spend most time with’, is een spreuk die ik altijd al genegen was, maar die ik nog nooit zo aan den lijve had ondervonden als nu. Werk met nare mensen en je wordt een zuur sujet, werk met gedreven blije gelukkige mensen en je gaat vanzelf op wolkjes lopen.
Bij het idee dat té vaak té hoge werkdruk er in mijn vak gewoon bij hoorde, had ik me ook al neergelegd. Dat het overal en altijd zo zou zijn. Stress als onvermijdelijke partypooper. Nu zie ik dat het ook anders kan. Het bestaat, werkplekken waar je ontspannen en met veel zin je ding kan doen. Ja, ze bestaan, zou ik bijna van de daken schreeuwen. Don’t settle for less!

En van de vele vrije tijd in het afgelopen jaar heb ik nog iets belangrijks geleerd: hoe waardevol werken is, en hoe waardevol dit werk is. Naast de bewustwording van het hoge belang van de waarde vrijheid in mijn leven, heb ik ook mijn werk terug op waarde leren schatten. Wat een cadeau.
Zelf hebben de huisartsen en medewerkers in deze praktijk soms niet half in de gaten hoe goed ze dat met zijn allen wel doen. Soms heb je daar het oog van een buitenstaander voor nodig. Bij deze.

Toch altijd even opletten bij het neerleggen van de vulpen. Dat was ooit wel een dingetje. Mijn hele leven droomde ik al van zo’n Montblanc Meisterstuck. Voor m’n vijftigste verjaardag kocht ik er een met de centen die mijn gasten me op het feest cadeau hadden gedaan. Geen Meisterstück, want die bleek gemaakt voor mannenhanden, maar een fijner exemplaar. En prompt liet ik die nog geen maand later uit mijn handen vallen. Recht op de punt natuurlijk, Murphy eiste zijn rol op. Met een nieuwe punt kon ik weer verder.

Ook hier zal het vast niet altijd rozegeur en maneschijn zijn, en dat is ook helemaal niet erg. Ook dat hoort erbij en met redelijke en oprechte mensen kom je er altijd wel weer uit. Soms is daar niet meer dan een nieuwe punt voor nodig. 
Laat mij dus voorlopig maar op mijn roze wolk zitten.
Of liever in de wittebroodsweken.
Een trouwfeest zit er niet meteen in, maar een fijne latrelatie is ook niet te versmaden toch? Vrijheid, blijheid, het beste van twee werelden. Misschien was ik altijd al meer LAT-materiaal.

De maandagmiddag vergadering is afgelopen, de voorzitter sluit zijn vulpen.
Een Montblanc, zie ik.

De zeven vinkjes

Ergens in de afgelopen maanden heb je vast al iets meegekregen van ‘De zeven vinkjes’, het nieuwste boek van journalist Joris Luyendijk. Het gaat over privileges, een hot topic dezer dagen.
Een onderwerp waar we allemaal nog heel veel over kunnen leren.
Ik schrok me dan ook een hoedje toen ik merkte dat ik de test niet doorstond. Van de zeven vakjes die Luyendijk koos om de belangrijkste privileges te benoemen, kan ik er slechts vier, of met een beetje goede wil vijf aanvinken. Terwijl ik altijd dacht dat ik uitermate bevoorrecht door het leven ga – wat natuurlijk ook ontegensprekelijk het geval is. Maar tot de top van de voedselketen behoor ik (gelukkig) niet.
De vinkjes die ik aan mijn neus voorbij zag gaan, waren: man zijn, minstens één hoogopgeleide en/of welgestelde ouder, en minstens één in België geboren ouder. Mijn beide ouders zijn in Nederland geboren, zelf ben ik in België geboren. Dat is natuurlijk niet te vergelijken met iemand wiens ouders in verre landen geboren zijn en zo met achterstand zijn weg moet vinden in het leven, maar toch, ik kan me die enkele situaties waar dit mij parten heeft gespeeld nog levendig voor de geest halen. De situaties waarin het vrouw zijn mij parten heeft gespeeld waren talrijker en geniepiger. Minder grijpbaar. Maar heel erg voelbaar. Zoals die keer dat ik in Someren solliciteerde om een huisartsenpraktijk over te nemen, en de mannen van het sollicitatiecomité het maar raar vonden: een vrouw die werkte en een man die huisman was. Of die keer dat ik in een vergadering (vier mannen, ik de enige vrouw) een opmerking maakte en de mannen mij straal negeerden alsof er niets uit mijn mond gekomen was, alsof het geluid af stond. ik voelde me een stripfiguurtje waar zo’n leeg tekstballonnetje uit kwam. Een heel bevreemdende ervaring. Helemaal van mijn apropos heb ik vervolgens een paar minuten van die vergadering totaal gemist.
Lees de verhalen van transvrouwen er maar eens op na: toen ze nog man waren konden ze in een vergadering klakkeloos hun punt maken, maar na hun transitie merkten ze dat ze ineens veel meer moeite moesten doen om gehoord te worden. Terwijl ze vanbinnen toch nog altijd dezelfde persoon waren.
Als dit soort ervaringen mij al uit mijn evenwicht haalden, wat moet dat dan niet zijn voor mensen met veel minder vinkjes? Voor mensen van kleur, lgbtq en minderheden allerhande?

Zeven vakjes scoor je enkel als je naast de drie hierboven ook nog wit en hetero bent én je een diploma gehaald hebt van algemeen secundair onderwijs en universiteit.

Dat man zijn en wit zijn, daar wou ik het met u over hebben. Want ik stoor me aan de oude witte mannen die al jaren de dienst uitmaken in het boekenprogramma ‘Overlezen’ in de Warande waar ik al evenveel jaren trouw naartoe ga.
Vaak wordt daar ook een vrouw uitgenodigd, of godbetert zelfs iemand van kleur. En weet je hoeveel spreektijd die dan krijgt? Peanuts in vergelijking met de oude witte mannen die er zitten. Het viel me steeds vaker op de laatste tijd, en begon me hoe langer hoe meer te storen.
De laatste keer knapte ik er zo hard op af, dat ik vervolgens twee voorstellingen gebrost heb. De kaartjes die ik ervoor betaald heb, liggen ongebruikt bij het oud papier. Ik kon het niet meer opbrengen om me te gaan zitten ergeren aan die uitgebreid alle ruimte innemende mannen die daar oeverloos op de bank mogen zitten lullen, terwijl een topwijf als Phara de Aguirre gewoon afgebroken werd door de moderator – ‘En nu luisteren we eerst naar muziek’. Dat Phara naast een autoriteit als Geert Mak zat, is daarbij geen excuus.
Je moet geen enkele vrouw muilkorven, en al zeker zo’n Spaanse furie als Phara niet. Toch liet ze het gewoon gebeuren.
Of Els Moors die een beetje denigrerend door Jos Geysels werd afgedaan als ‘vrouwen die dagboekjes schrijven’. Hij gaf wel ruiterlijk toe dat zijn aversie voor dagboekjes gaandeweg bijdraaide toen hij Moors’ ‘Mijn nachten met Spinoza’ las. Maar ondertussen zat ik me plaatsvervangend te schamen voor hoe Els Moors daar lichtjes vernederd werd op een manier die ik Geysels bij een mannelijke auteur niet gauw zie doen.

Die eeuwige zeven vinkjes in het pluche van Overlezen passen niet meer in de huidige tijdgeest en dat verwijt wil een gerenommeerd cultuurhuis als De Warande toch niet op zijn geweten hebben? Steek je voelsprieten uit en gebruik ze dan ook Begin al eens met vrouwen evenveel ruimte en spreektijd te geven als mannen.

Kortom, ‘Het is tijd voor een aanval op mannen zoals ik’ zoals Luyendijk zelf zegt in het interview dat op 12 februari 2022 in de Morgen verscheen over zijn boek. Zelfhygiëne is een schoon ding. Daarom bij deze mijn oproep aan de witte mannelijke vijftigplussers die al jaren de dienst uitmaken bij ‘Overlezen’: boomers, maak plaats. Jullie hebben lang genoeg de zetels bezet.

Van zwerfvuil en snurkende muzes

Sorry, weinig geschreven laatste tijd, dat komt omdat ik werk.
Van werken word ik voornamelijk moe aan het einde van de dag, en al zou je denken dat al die verhalen die ik heelder dagen beluister in de geheimhouding van de spreekkamer aanleiding geven tot een hoop schrijfinspiratie, dat blijkt dus niet het geval. Merkwaardig genoeg snurkt mijn muze zich lustig door al die verhalen heen en houdt zich stokdoof, doofstom en hardnekkig slapende tegelijk.
Werken is fijn, en de praktijk waar ik momenteel vervanging doe is super, maar schrijfinspiratie oogst ik er amper.
Die moet ik dus elders zoeken. Op zwerfvuiltochten bijvoorbeeld. Van zwerfvuilruimen gaat de inspiratie weer stromen – getuige daarvan dit blogje.

Vanochtend trok ik er nog eens vroeg op uit om een vies hoekje op te ruimen dat me al een tijdje een doorn in het oog was. In de muziekloze koffiebar waar ik het liefst mijn zaterdagochtenden doorbreng, kan ik pas vanaf negen uur terecht en de dubbeldikke verse weekendkrant was gelukkig al geleverd, dus daar hoefde ik niet meer op te wachten om te kunnen vertrekken.
Het zwerfvuil was blij om me te zien: ‘neem mij eindelijk mee’ smeekte het me, en een heel blij colablikje rolde me zelfs enthousiast tegemoet over de weg, daartoe aangespoord door een fel windje dat de kop opstak.
Ook de rest van de troep lag er nog, geduldig wachtend op redding van hun troosteloze lot.
Zij blij, ik blij, want van zwerfvuil ruimen gaat mijn energie en inspiratie altijd weer stromen, al moet ik oppassen voor het gevaarlijke omslagpunt waar ik er in plaats van blij, boos van word. Boos op al die veroorzakers van dat zwerfvuil. Wie heeft vandaag al die boterkuipjes rondgestrooid? Welke vervelende hondeneigenaars doen het kakje wel in een zakje maar gooien dat zakje vervolgens in de berm?
En wanneer, o wanneer gaan we eindelijk, onder het motto ‘de vervuiler betaalt’ de McDonald’s en de Red Bulls van deze wereld zwerfvuilbelasting aanrekenen zolang zij zelf hun klanten niet willen responsabiliseren middels statiegeld?

Ik weet dus wat te doen als mijn energie- en inspiratiepeil een opkikker kunnen gebruiken. Gek genoeg weten veel mensen dat totaal niet. Dat merk ik haast elke dag in de spreekkamer. Aan wie, om welke reden dan ook, in een dip zit, stel ik vaak de vraag wat hun energiegevers zijn. En altijd weer sta ik ervan versteld hoe weinig mensen daar vlot op kunnen antwoorden. Velen hebben geen enkel benul, hebben er nog nooit over nagedacht en weten niet wat hun helpt als het even wat moeilijk gaat.
En zo zie je maar weer: er valt dus toch inspiratie te halen uit een werkdag.
Het is dan ook maar net zoals Jana Antonissen schrijft in haar column in dm.magazine vandaag: ‘Met een beetje wilskracht schuilt in zowat alles een verhaal. Schrijven is een mooi excuus om eender welke konijnenpijp in te duiken, jezelf ongevraagd overal mee te bemoeien. […] Misschien moeten we onszelf wel wijsmaken dat we meerwaarde produceren, wat rest ons anders nog?’

Konijnenpijp of niet, al dat zwerfvuilrapen heeft dus wel degelijk zin en ik bemoei me graag. Maar het kantelpunt komt altijd. Op tijd stoppen met ruimen is dan de boodschap. En dat komt goed uit, want de zak is vol en ik ben bij de koffiebar.
Die dode duif heb ik maar laten liggen.

Wees geen zwijn

Lang geleden dat ik nog eens zwerfvuil ben gaan rapen, maar na vandaag ben ik er ook meteen weer voor een tijdje van genezen.
Met dank aan een blauwe plastic emmer in de berm die, toen ik hem in de zak wou stoppen, vol mensenkak bleek te hangen. Gadver!!

Overige curiosa op deze tocht: een doos donuts, de resten van een uitgebreide frietmaaltijd met wel twintig papieren servetten en minstens vijf verschillende potjes sausen waarvan de helft onaangebroken, de verpakking van een paar ‘handcuffs’, een zwangerschapstest en drie zakken kattenbakvulling. Ja, een huisdier kost geld, en die bollen kattenbakvulling wegen zwaar door in je huisvuilcontainer. Dat zijn dure kilo’s om te betalen. Probleem?
Neem dan geen kat.
Eet je friet thuis op.
En doe ook uw gevoeg daar.

Toch is er ook goed nieuws van het zwerfvuilfront. Ik merk al een tijdje dat er opvallend minder zwerfvuil ligt. Of dat ik op bepaalde plekken wel veel zwerfvuil zie liggen, en me voorneem om daar een keer op te gaan ruimen, maar dat het bij een volgende keer passeren alweer opgeruimd blijkt. Fantastisch. Geweldig.
Dat kan maar één ding betekenen: dat er steeds meer zwerfvuilruimers actief zijn. Want in de zwerfvuil-veroorzakende mens heb ik een stuk minder fiducie..

Wie kakt er nu in emmers en gooit die vervolgens in de berm? Kak dan gewoon in de berm, dat is toch een graadje minder erg misschien. Dan spoelt de regen het op den duur wel weg. Of neem je emmer mee naar huis en maak hem daar leeg en schoon.
De emmer-kakkende-mens, ze bestaat helaas. Wie zijn ze? Wat drijft hen?
De zwangerschapstest was negatief.

Don’t stop me now

Het leven begint op vijftig?
Welnee, laat me niet lachen. Daar klopt gene ene moer van.
Ik zal u zeggen hoe het zit.

Het leven begint op 53.
Nadat je via een whatsapp berichtje op straat wordt gezet door een gekrenkt buitenmaats ego en je zodoende ongepland – en in eerste instantie ongewild – je vrijheid terugbezorgt.
Nee, het was geen walk in the park, die eerste maanden. Vrijheid is een hoog goed, maar soms moet je diep duiken voor je daarbij kan. En ook moet je beslissen dat het je eer te na is om je klein te laten krijgen door zoiets irrelevants. Het was tenslotte ‘máár’ werk. En dan mag ik god nog op mijn blote knietjes danken dat ik in een sector werk waar er werk in overvloed is, zelfs voor mensen met grijs haar en een vijf voor hun leeftijd! Ik blijf het wel heel verdrietig vinden voor al die patiënten die er ongevraagd de dupe van waren.

De aanleiding voor het ontslag toen was al bij al een onschuldig blogje. De schrijfpret van het zoeken naar de meest overdreven hyperbool – omzetten van frustratie in inspiratie was het enige verweer dat me nog restte tegen de onmenselijke druk waar ik onder stond – leek op dat moment een perfect afleidingsmanoeuvre om te voorkomen dat ik zou knappen onder de gevaarlijk opgelopen spanning.
Me verkneukelend van schrijfplezier schreef ik onder andere iets als ‘een kleuter zonder aanleg voor hoogbegaafdheid’ om te onderstrepen dat iederéén wel snapte dat in covidtijden het werk alleen gedaan krijgen onmogelijk was. Die hyperbool was goed gevonden en al had ik er niemand specifiek mee voor ogen gehad, het moet toch ergens in een verkeerd keegat geschoten zijn want het kostte me vervolgens dus wel mijn job. Of waren het andere woorden die toen mijn lot bepaald hebben? Geen idee. En ik zal het nooit weten ook, het heeft geen belang.
Dat blogje en de gevolgen waren – hoe pijnlijk ook – uiteindelijk een goede zaak, anders zat ik er nog, júist vanwege die patiënten die ik niet achter wou laten.
Dit blogje is het laatste dat ik erover schrijf, de psychologische verjaringstermijn is gepasseerd, ik laat het los.

Want dan word je 54 en dan heb je – voor zolang het duurt, altijd een slag om de arm houden – je leven op orde: je hebt het over een andere boeg gegooid en bent vervangingen gaan doen. Hard werken, hard vakantie vieren tussendoor, menopauze achter de rug dus ook van dat gedoe en de bijbehorende hormoonschommelingen zijn we af, bakken energie, harmonie en contentement, kindertjes deels het huis uit, terug tijd voor leven en liefde.
In het tijdschrift Goed Gevoel (april) stuitte ik toevallig op een artikel over toxische relaties en gif op de werkvloer. Ik las over culturen waar onethisch en respectloos gedrag gangbaar zijn en voelde een rilling over mijn rug kruipen.
Met wat ik nu doe, andere dokters tijdelijk vervangen in afwisselende praktijken, heb ik helemaal het gevoel: dit is wie ik ben, dit past bij op dit moment in mijn leven perfect bij mij. Veranderen kan altijd weer als het niet meer past.

Ik heb geleerd hoe je in een vingerknip alles kwijt kan zijn.
Sinds dat ontslag, maar veel meer nog sinds Covid en Oekraïne hebben we allemaal van dichtbij gezien of ondervonden dat het elk moment gedaan kan zijn. Je collega gooit je eruit, de zot in het Kremlin drukt op de knop, een geliefde wordt ziek of je krijgt een rotdiagnose. Dan kun je maar beter geleefd hebben.
Daarom is nú het moment om te genieten en dromen waar te maken, niet morgen, niet later.
Op de bucketlist? Niks geen bucketlist. Enkel nog de belangrijkste zaken des levens: veel liefhebben, dat zo vaak als maar mogelijk tonen, genieten van heel veel kleine dingen en veel uitstapjes samen met wie ik liefheb. En heel misschien toch ooit een mooi houten huisje in de Oostkantons?
Dus ja, alles kwam goed, en tot zover was dit mijn weg en mijn pad.
Op dit uitzichtpunt ruim voorbij halverwege, kijk ik met veel voldoening naar waar ik sta en naar het schitterende uitzicht dat ik heb (dat mag je deze keer letterlijk nemen, want ik tik dit blogje terwijl ik uitkijk hoe de zon in al zijn glorie opkomt boven het meertje waar ik vannacht heb gekampeerd). Alle onfatsoenlijke, schaamteloze en laaghartige mensen die je pad proberen dwarsbomen ten spijt, kan het leven mooi zijn. Zo mooi.

Dus ja, het leven begon op 53.
So, don’t stop me now, want vandaag mag ik er weer een jaartje bij tellen.
Drie keer raden welk nummer in mijn oortjes knalde vanochtend op de fiets?
Yep, bingo! Goed geraden.
Je had me moeten zien gaan, man!





Grijs – streep – blauw

Vandaag zou mijn vierde dag op de vrachtboot geweest zijn. Zóu,… als de rederij me had willen meenemen.
Maar dat is dus niet het geval.
Maar niet getreurd, het overzetbootje dat ons in Oostende van Wester- naar Oosteroever bracht, bood ook een schitterend uitzicht over de zee. Het is niet het ‘Grijs – streep – blauw’ beeld waar ik naar verlang sinds ik de dagboeken van Ward Hulselmans heb gelezen over zijn eerste zeereis met CptnZeppos, maar het is evengoed genieten.
Evenals de koffie met croissant in Hotel Du Parc, de stralende zon en de wandeling langs de murals van de Crystal Ship Tour.
Dat grijs – streep – blauw komt later wel een keer.
Voor nu was dit nachtje Oostende alvast een prima eerste ervaring met ons busje op stap. Al vroor mijn neus er bijna af in de ijskoude vriesnacht, onder de dekens was het lekker warm. Je moest alleen oppassen om niet te dicht bij de rand van het bed te komen (wat niet meevalt als je met zijn tweeën in een bed van 120 centimeter breed ligt), want in dat bovenbed onder het hefdak lig je uiteindelijk gewoon maar in een tentje. Meer dan een zeildoek zat er dus niet tussen ons en de vrieskou.
Aan de ene kant dat tentzeil, aan de andere kant een warm lijf. Precies goed.

Takkendag

Een onderhoudsarme tuin, dat hadden we de tuinarchitect nu bijna twintig jaar geleden gevraagd, toen we hier ons stulpje gebouwd hadden en de tuin aangelegd moest worden. We hebben een heerlijke tuin, dat is een feit. Maar onderhoudsarm is hij zeker niet. De rijen knotwilgen, platanen en hazelaar brengen elk jaar flink wat snoeiwerk met zich mee, en ook de hagen en de hortensia’s vragen het nodige onderhoud.
Toen ook dit jaar al het snoeiwerk gedaan was en de enorme stapels takken wachtten op een ritje naar het containerpark, hebben we er dan maar een teambuildingsdag van gemaakt met het gezin. ‘Takkendag’ dus.
Met het hele gezin, waarvan er uiteindelijk maar vier overbleven, want zoals dat gaat: andere verplichtingen bleken dringender en belangrijker dan de stapels afgezaagde takken.
Maar die vier hebben wel kei- en keihard gewerkt, petje af!

Hard werken vereist goed eten, en die taak had ik op mij genomen. Al op woensdag had ik de starter die al een paar maanden ongebruikt in de koelkast stond eruit gehaald met de bedoeling die weer tot leven te wekken om zodoende stevig voedzaam zuurdesembrood te bakken voor al die harde werkers.
Dat hebben we geweten!
Op de starter lag een laagje grijsbruin donkerkleurig vocht dat stonk naar stal, oude kaas, mest en nog wat andere ondefinieerbare geuren die, volgens mijn dochter dan toch, onverdraaglijk waren. Ik moest haar gedeeltelijk gelijk geven.
Maar zoals het in mijn zuurdesembakboek te lezen valt in het hoofdstuk ‘Leven met je starter’: ‘Dit is geen ramp – hij is niet dood, alleen een beetje uit balans. Gooi driekwart van het mengsel weg, voeg ongeveer 100 ml water en 100g bloem toe en roer. na een dag is de balans hersteld en is je starter weer bruikbaar.’
Zo gezegd, zo gedaan. Op woensdag, donderdag én vrijdag heb ik de starter volgens deze aanwijzingen gereanimeerd, mijn dochter is net niet over haar nek gegaan van de geur die al die dagen in huis heeft gehangen (ik goot steeds een deel van de starter in het toilet en liet de pot daarna in de badkamer weer lekker op temperatuur komen), en op vrijdag was het mengsel weer helemaal in balans en bruiste het van geluk. Vrijdagavond kneedde ik deeg voor twee broden, en liet het deeg in hun rijsmandjes de hele nacht rijzen.

Zaterdagochtend brak takkendag aan met een stralend zonnetje, en al om acht uur stonden twee geurige prachtige zuurdesembroden kraakvers klaar om de hongerige magen van de werkers te voeden. Die werkers lagen nog lekker in hun nestje, en terecht want zaterdagen dienen ook om uit te slapen.
Ik begon alvast aan het pizzadeeg. Dat deeg moet vervolgens twee maal drie uur rijzen. Zuurdesem vraagt geduld.

Zo had ik nog genoeg tijd voor koffie en de weekendkrant met een verse snee beboterd zuurdesembrood daarbij. Een heerlijker lekkernij bestaat niet. Dat leverde een mooi stilleven op.

Ik had zelfs nog tijd over voor een ander klusje: de berg tassen nog eens flink uitdunnen. Takkendag of tassendag, het zijn tenslotte maar twee letters verschil en ze leveren allebei weer een hoop rust en ruimte op.

Maar terug naar de takkenklus.
Tegen elven arriveerden de hulptroepen, klaar om erin te vliegen. Eerst koffie en paaseitjes van Leonidas. (ik móest hun nieuwste smaak cookie dough proeven nadat ontelbare reclameborden daarvoor mij het water in de mond hadden doen lopen. Smaaktest: best oké maar ook geweldig nu ook weer niet.)
En dan aan de bak. De kluslijst was lang: een grote stapel van de dikste takken in mootjes hakken (of zagen) tot kachelhout, de klaarliggende stapels takken en snoeiafval naar het containerpark brengen (wim had het grootste deel hiervan al in de afgelopen dagen gedaan), het werkhok van nummertje twee uitmesten (hij klust er al lang niet meer, het meeste kon direct in de vuilbak of naar de kringloop) en er een hangplek van maken waar nummertje drie met haar vriendinnen kan chillen, en tenslotte het houtkot buiten helemaal uitladen (oudste en droge hout naar binnen voor de kachel) en weer inladen met het verse hout onderin.
Schoondochter viel uit de hangmat, na bijna twintig jaar bleken de palen zo rot als een mispel, dus de palen die nog overeind stonden hebben we ook maar direct weggehaald. Schoondochter heeft er gelukkig geen blijvend letsel aan overgehouden.
De tijd vloog, er werd keihard en met goeie zin gewerkt.
’s Middags maakte ik bruschetta’s met het verse zuurdesembrood, en daar kwamen we mee toe tot ver in de avond. Zo’n stevig brood vult goed. Pas om halfnegen ’s avonds zaten we eindelijk aan de zuurdesempizza’s.
Het was een heerlijke dag. Iedereen voldaan over het geleverde werk, besloten we de dag met een Aperol rond de vuurschaal. Hout was er genoeg om het vuurtje hoog te doen oplaaien.

Tot zover het verslag van takkendag.
Met vriendelijke groet,
uw takkenwijf

Gaarkeuken 110

Bij gebrek aan uitzicht op een zeereis binnen afzienbare tijd, wijd ik mij na een deugddoende fietstocht in het iconische havencafé ‘Gaarkeuken 110’ aan het vervolg van Grand Hotel Europa. Die roman waarover ik in mijn vorige blogje vertelde. Ik ben op pagina 488, dus het einde nadert. Maar met de luidruchtige havenarbeiders hier, is het nog een hele krachttoer om mijn aandacht bij het boek te houden.
Gelukkig heb ik altijd oordopjes bij me. Ze zijn al even knaloranje als de werkbroeken van de bier drinkende, luid lachende en plat Antwerps pratende mannen hier.
Buiten schijnt de zon. Dat was onderweg naar hier wel anders. Gelukkig bleef het droog.

Plots laat één van de mannen een luide scheet knallen, die ik moeiteloos door mijn oordopjes heen hoor. Blijkbaar is dat de hilarische aanleiding om de bel te luiden: rondje bier voor iedereen.
Ook voor mij.
Met een chin-chin naar de mannen hef ik mijn Bolleke van ’t vat.
‘Wilde gij er een chipke bij?’ vraagt de barvrouw, ‘want menne zak is nu toch open.’
Wederom grote hilariteit.
Je moet oppassen wat je hier zegt, want na alle glazen bier die ik de mannen al heb zien heffen, is letterlijk álles aanleiding voor een zoveelste luide bulderlach.

Ik lees een tijdje verder. En maak een foto van het café op het moment dat ze allemaal even óf naar het toilet of buiten aan het roken zijn.
‘Da’s nen dikken boek,’ hoor ik door m’n oordopjes heen als ze weer binnen komen. Ik hoor alles.
Zomaar een maandag 😁

Zeeën van tijd

Ik lees, ik lees wat jij niet leest… en het is ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer. Of jij leest dit ook natuurlijk, want het is een geweldig boek en een bestseller van formaat.
Pfeijffer trekt je mee in een meeslepend liefdesverhaal waarin je haast ongemerkt je kennis over geschiedenis, toerisme, Europa en politiek bijgespijkerd krijgt. Geenszins overbodig in de huidige angstige tijden waarin we leven.
Maar daar wil ik u vandaag niet mee vermoeien. 

Ik kon het alleen niet laten om je te laten meegenieten van de volgende onweerstaanbare passage over het Italiaanse strandleven in de heilige vakantiemaand augustus.
Geniet van deze sublieme zinnen, een delicatesse om duimen en vingers bij af te likken:

‘Ook de mooiste vrouw van de wereld werd in de oorlog op deze stranden niet gewonnen, want zover het oog reikte, zag men niets dan overtollig vet dat over broekbanden blubberde, en andere overbodige bewijzen van het bestaan van de zwaartekracht, die alvast begonnen was ooit pronte lichaamsdelen in de richting van het graf te trekken. Pensioenen en kinderbijslag werden hier stukgeslagen.
Mooie meisjes sliepen nog. Ze lagen elders de roes van hun techno-feesten uit te zweten en zouden pas vanavond op hippere stranden bij luidruchtiger steden hun gevaarlijk stralende ogen opslaan. Pas over een jaar of tien zouden ze hier opduiken als een opgeblazen versie van zichelf met een leeggelopen blik, opblaasbare attributen en jengelend nageslacht dat hun nemesis zou zijn voor hun verovering van vannacht.
  Clio zag wat ik dacht en ze glimlachte. ‘Ja, Ilja,’ zei ze, ‘je hebt gelijk. Misschien is de tijd gekomen dat ik je inwijd in een van de grootste geheimen van het strandleven. Het is net zoals het echte leven. Alleen is alles veel zichtbaarder.’’

‘Net zoals het echte leven’!… O wat een raak observatievermogen, gegoten in verrukkelijke zinnen. Wat moet het geweldig zijn om zo te kunnen schrijven.
Lees dat boek!

Gelukkig is het een dik boek: 547 pagina’s op de kop af. Daar had ik het ook op uitgekozen in de bib, want het was bedoeld als leesvoer voor de zeereis naar Finland waarvoor ik op achttien maart zou inschepen op een vrachtschip. ‘Zou’ inderdaad, want tot mijn grote spijt gaat dat feest gaat niet door: Cptn Zeppos belde me afgelopen week met deze zure boodschap. De rederij weigert een passagier mee te nemen en wil niet zeggen waarom.
Van uitstel komt geen afstel, die zeereis zal voor een andere keer zijn, en ondertussen heb ik hier zeeën van tijd om te lezen.
Dus als u mij nu wil excuseren, dan ga ik verder waar ik gebleven was.