plat bovenstuk

Ik wou, ik wou, ik wou… dat er nog een gieter was.
In het stoombad stel ik in mijn hoofd al een briefje op voor in de ideeënbus: ‘Beste zwembadbeheerder, de gieter om de stoomcabines schoon te spoelen is heel vaak in gebruik: mensen nemen hem mee in hun cabine en houden hem daar tot ze klaar zijn. Een tweede gieter aanschaffen zou heel welkom zijn.’

Ik stap uit het stoomhok en daar staat ‘ie al: een tweede gieter. Een groene. Pront naast de enige blauwe gieter die er altijd al was.
Zo werkt dat dus naar het schijnt: je vraagt ‘het universum’ iets, en je krijgt wat je wilt.
Hoe ik dat met alle andere wensen in mijn leven ook voor elkaar moet zien te krijgen, heb ik nog niet uitgepuzzeld, maar in het zwembad kwamen mijn wensen behoorlijk uit:
– die tweede gieter dus
– de schoolslag-baan was te druk bezet en prompt werd het bordje ‘crawl’ vervangen door ‘schoolslag’. Meteen plek zat. (ik kan ook gewoon eindelijk eens leren crawl zwemmen natuurlijk)
– in de sauna was er plek om lekker languit te liggen
– er was niemand en in de douches zodat ik ongegeneerd een paar keer mijn bikini-bovenstuk plat kon drukken om al het water uit de mousse vorm te krijgen. (nee, dat dient niet voor de vulling, ik heb genoeg van mezelf. Voor de vorm daarentegen kan ik na drie zwangerschappen, een kleine drie jaar borstvoeding en 51 jaar aan onverbiddelijke zwaartekracht wel wat hulp gebruiken.)
Het fijne is: als al het water uit die bikini is, hou ik nog wat handdoek over waar ik de rest van mijn lijf mee kan afdrogen. Anders druipt dat ding al net zo hard als die moussekes en valt er niets meer af te drogen.

Kortom, het zat me allemaal heel erg mee. Ik weet niet wat ik gedaan heb om zoveel cadeautjes van ‘het universum’ te krijgen. Wellicht gewoon ‘meegetrild met de juiste vibraties’, haha.
(ik zet er maar even ‘haha’ bij voordat jullie allemaal gaan denken dat ik dit echt geloof)

Ik denk dat ik nog even ga zwemmen. Benieuwd wat het universum vandaag voor me in petto heeft. Aan mijn getril zal het niet liggen. Ik wou, ik wou, ik wou… dat ik een plat bovenstuk had.

daar doen we dus een doekje over

Vanochtend bedacht ik dat ik best een steentje kan bijdragen aan het hoofddoekendebat. Een beetje vers bloed kan immers nooit kwaad. En dat was nu precies waar het mij om ging: bloed.

Dat bedacht ik op de fiets. Een schitterend, fel winterzonnetje scheen op mijn gezicht, maar de vrieskou beet me in de neus, zowat het enige onbedekte plekje huid waar de zon bij kon. Daar begon ik over na te denken: heerlijk dat zonnetje, goed voor mijn vitamine-D-voorraad, maar veel zou dat waarschijnlijk niet zijn, nu de zon zo ver van de aarde staat. Ik ging met mijn gedachten naar mijn zoon in Zweden waar iedereen in deze tijd van het jaar gewoon extra vitamine D blijkt te slikken. En ik dacht aan de raadpleging gisterenavond waar een allochtone vrouw met een enorm laag vitamine-D-niveau bleek te zitten en aan het adresje waar ik na die avondraadpleging nog even langs fietste: een andere allochtone vrouw met een heel lage vitamine-D-spiegel die haar recept daarvoor nooit was komen ophalen. Ik stopte het in de brievenbus en reed naar huis.

Op de fiets kwamen die gedachten allemaal samen en kwam mijn Eureka-moment: ik heb het gevonden! Voortaan gaan de allochtone vrouwen zonder hoofddoek door het leven. Daaronder zie ik namelijk vaak de weelderigste bossen haar, golvende, lange donkere lokken in dikke vlechten opgerold en ingesnoerd. Zonde van al die pracht en weelde om dat zo te verstoppen. 

En wacht nog even met oordelen over deze flauwe, voor de hand liggende oplossing, want here comes the good part, het Eureka-idee, het moment waarop de zon en het fietsen al mijn creativiteit in volle glorie deden losbarsten: voortaan gaan de mannen de hoofddoek dragen!

Ja! Want naast al die gesluierde vrouwen met te weinig vitamine D, zie ik ook een hoop ijdeltuiterige mannen die zich zorgen maken over hun terugwijkende haargrens en uitdunnende haardos waar hun schedel doorheen komt glimmen. Daar doen we dus een doekje over, ook dat probleem opgelost.

Tja, ik ben geen filosoof en al zeker geen godsdienstwetenschapper. Gewoon een huisarts, pragmaticus tegen wil en dank.
(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medisch contact)

zelfbeeld

‘Are these people violent?’ vraagt de Dalai Lama aan de groep Westerlingen die hem het probleem van mensen met een laag zelfbeeld probeert uit te leggen. Hij doet oprecht zijn best om het te begrijpen.
‘Gaat dat over zwaar gestoorde mensen?’ De Dalai Lama snapt er niks van. Het probleem van ‘low self-esteem’ kent hij totaal niet. Een dagelijks probleem in de Westerse wereld, blijkt bij Tibetanen gewoon niet te bestaan. Haast verbouwereerd moet de Dalai Lama vaststellen: ‘Ik dacht een expert te zijn van de menselijke geest, maar dat een dergelijk probleem kon bestaan, dat was me volkomen ontgaan’.

Laag zelfwaarde gevoel. Soms heb ik er ook last van. Al hangt het van de situatie af en gaat het gemiddeld genomen goed. Als ik gewoon mijn gangetje kan gaan, lekker bezig met werk, gezin, schrijven, fietsen, dan vind ik mezelf dik oké. Dan kan ik goed met mezelf door één deur, en moet ik zelfs een beetje lachen met dat pittige eigengereide meisje dat ik eigenlijk nog steeds ben. Zie ze daar voor de rode brievenbus staan naast de mosgroene Golf – keicoole bak volgens mijn zoon met aanleg voor nostalgie en esthetiek – met haar korte koppie en haar eigenwijze zelfverzekerde lachje.
Dat meisje ging gewoon haar weg, en omdat ze dat zo heerlijk ongecompliceerd deed, werd haar geen strobreed in de weg gelegd.
Eigenlijk ben ik nog altijd zo. Alleen vergeet ik dat soms. Ik heb het terug moeten leren, om mezelf een beetje graag te zien. Ik denk dat we het allemaal verleren als we onze jeugdige onschuld verliezen en ons gaan schikken naar de verwachtingen van de mensen en de maatschappij om ons heen. Tot we onszelf een keer keihard tegenkomen en dan beseffen: we moeten onszelf terug graag leren zien. Oké zijn met onszelf. Goed genoeg zoals we zijn. Stoppen met pleasen – hoe hardnekkig die drang ook aanwezig blijft.
Sindsdien begroet ik dat grappige meisje elke ochtend met een blije glimlach. Ze hangt op de badkamerspiegel, dus ik kan haar niet missen.
Het helpt. Ik ben gelukkig met het leven dat ze gekozen heeft en hoe dat leven tot nu toe gelopen is. Ja, ik kan oprecht zeggen dat ik gelukkig ben.

Gek genoeg hangt het zelfbeeld af van de situatie. Hoe blij en dankbaar ik door mijn leven kan fietsen, op feesten komt die andere kant van mij boven: ik ben niet goed genoeg, ik kan niet mee, of op zijn oma’s: ‘wat zullen de mensen wel denken’? Ik verword dan tot een zielig klagerig ruimte-innemend persoon, en wie het slachtoffer uithangt vraagt om klappen. Zo gaat dat op de speelplaats, zo gaat het in de samenleving en zo gaat het met mij op feestjes. Die klappen krijg ik dan ook veelvuldig. In de vorm van vriendelijk bedoelde steekjes onder water, betuttelende adviezen of onverbloemde meewarigheid. En stekelige grapjes over mijn groot ego, haha, iedereen lachen – grapjes zijn natuurlijk alleen maar leuk als er een grond van waarheid in zit. Dat helpt je zelfbeeld echt vooruit. Zodoende flink bevestigd in dat ‘niet goed genoeg zijn, ik bak er niks van’ is mijn zelfbeeld geslonken tot een miezerige dweil op de keldervloer en duurt het weer een tijdje voor het daarvan rechtgekrabbeld is.
De speelplaats waar ego’s gedijen ten koste van het zwakste elementje.

Ik ben een rare, en zal dat altijd een beetje blijven. Pech om niet bij de meerderheid te horen, de meerderheid die houdt van feestjes, kletsen, hoe meer zielen hoe meer vreugd. En omdat de meerderheid zo is, is dat de norm in het sociale leven. We willen wanhopig aan de norm voldoen en even wanhopig willen we vooral trouw blijven aan onszelf. Allemaal in spagaat. We willen horen bij het leukste groepje van de speelplaats maar moeten daar zien te geraken met alle mogelijkheden en beperkingen die ons gegeven zijn.

Misschien is het tijd om die rarigheid van mij voluit te omarmen. Stoppen met aan de norm te willen voldoen want daarvan word ik een vervelend mens. En dat moet ik mezelf niet meer willen aandoen en ook een ander niet. Want die hebben echt last van mij als ik het toch probeer. Ja ik ben een rare. En alleen ik mag dat zeggen, jij niet. Zo werkt dat. Maar behalve raar ben ik ook een pittige, eigengereide, zelfstandige, bijzondere, moedige, doorzettende troela die vrolijk haar eigen pad bewandelt. En zich daar steeds minder voor excuseert. Het heeft namelijk geen enkele zin. Je bent wie je bent, en dat is goed genoeg. Met pleasen mogen we onderhand wel ophouden na ons vijftigste, de tijd van puberen is gedaan (had ik dat toen maar gedaan, ik denk altijd dat dat veel beter was geweest). Wie weet word ik wel net zo eigenwijs als mijn vader, dat belooft. Hou je vast aan de takken van de bomen.

mijmeren over tijd

Voor gezondNU magazine schreef ik onlangs een column over ‘tijd’. Die column verschijnt pas volgend jaar maar even mediteren over het thema ‘tijd’, leverde zo’n karrevracht ideeën op dat ik er nog wel een paar blogs mee kan vullen. 
Zoals daar zijn: tijd die ineens over is. Tijd waar je naar verlangt. Tijd die je wil overslaan. Heimwee naar tijd die ineens voorbij is. Vervlogen zonder dat je het in de gaten had. Je stond erbij en keek ernaar, en toen was het te laat. 

Tijd die je onverwacht in de schoot komt vallen is de leukste. Daar schreef ik al een blogje over. Of twee blogjes eigenlijk, want dit blogje ging er ook over.
Tijd die je wil overslaan is van een andere orde. De feestdagen bijvoorbeeld. Dat wil ik al jaren maar het lukt nooit. Ik weet niet meer welke columniste het ooit schreef, maar toen ik iets las in de zin van: ‘als ik een tunnel kon graven onder december, dan dook ik daar eind november in om pas in januari weer boven te komen’, wist ik dat ik een geestverwant had gevonden. Sindsdien ben ik op zoek naar medestanders met tips om diplomatiek en elegant de feestdagen te omzeilen, zonder op harmonie af te dingen.
Het is me nog nooit gelukt. Mijn vader wees me eens terecht ‘dat ik de kerk wel in het midden moest laten’ toen ik het toch had aangedurfd mijn kat te sturen naar de feestdis. En mijn zussen lossen ook hun greep niet als het op kerstmis aankomt. Dat zij beiden meestal vrij zijn in de dagen erna en ik moet werken of zelfs van wacht ben, helpt mijn goesting ook niet vooruit.
In afwachting van die tunnel dus (of meevaren op een vrachtschip dat er drie weken over doet om een lading Volvo’s af te zetten in het hoge Noorden, en waar je ondertussen niets anders te doen hebt dan mijmerend over het water uitkijken, slapen en boeken lezen… een droomscenario, mijn gedacht), hou ik mijn vaders advies in ere en daarmee de kerk in het midden. Ik ga braaf naar het kerstfeest, probeer in de dagen daarrond goed voor mezelf te zorgen (veel slapen, veel mediteren, veel buiten en actief zijn, zo weinig mogelijk plannen of van mezelf te eisen) en neem tijdens het feest mijn toevlucht tot mijn breiwerk om toch ergens houvast aan te hebben. Anders zink ik weg in het drijfzand van koetjes en kalfjes.
Gaan ook mee in de breitas dit jaar: een karaoke microfoon om samen met mijn dochter luidkeels ‘Heel zwaar leven’ te blèren (niets werkt zo goed als lachen met je eigen miserie) en ‘het kerstspel’ (want praten over de echte zaken des levens overtreft veruit de koetjes en kalfjes. Echte gesprekken stemmen me milder en dan tel ik dankbaar mijn zegeningen).

Tot zover de tijd die ik graag wil overslaan. Ondertussen kan ik dromen van de tijd nadat de storm van de feestdagen weer is gaan liggen. Tijd! Een maagdelijke agenda – ik geniet nog steeds van de papieren Moleskine-versie daarvan. Helemaal maagdelijk is die agenda natuurlijk niet, want samen met de kerstcadeautjes zijn ook de wachtdiensten alweer uitgedeeld. De belangrijkste verjaardagen zet ik ook nog steeds op papier, samen met de steeds talrijker wordende belangrijke sterfdagen. Zomer- en wintertijd staan erin met een groot uitroepteken. Althans, zolang we met die gekke traditie nog blijven doorgaan, en de vakanties kleur ik vrolijk geel. Altijd iets om naar uit te kijken.

Soms is tijd gekleurd door een zweempje heimwee. Zoals in het wekelijkse Skype-gesprekje met mijn zoon in Zweden waarin hij na een flinke toer joggen verzucht: ‘Goh, nu wou ik dat ik thuis mijn voetjes onder tafel kon steken, genieten van papa’s lekkere eten, en daarna lekker de kachel aan en op de bank onder een dekentje kruipen.’
Wat hij níet zegt – maar wat ik er wel in hoor – is: ik wil bij jullie zijn, bij mijn familie. De Skype-gesprekken duren steeds langer.

De tijdsperceptie van mijn dochter beperkt zich ondertussen tot slechts twee categorieën: ‘school’ en ‘paarden’. Het ene is een noodzakelijk kwaad, om het andere draait haar hele wereld. Hoe vaak ik niet als antwoord krijg: ‘ik wil niet naar school vandaag’ als ik haar ’s ochtends ga wekken, kan ik al niet meer tellen op de vingers van twee handen. Mijn standaard-antwoord is dan: ‘Ik wil ook niet gaan werken; zullen we samen lekker thuis blijven?’ En alleen al dat kleine fantasietje dat we onszelf gunnen, verwarmt ons genoeg om toch gewoon de dag bij de horens te vatten en te doen wat ons te doen staat.
Binnenpretjes als troost.
Daar zoek ik naar, als het in deze donkere dagen toch wat lastiger is om op te staan. Dat warme nest uit waarin ik het liefst zou blijven liggen. Verdwaasd zit ik met sokken aan op de rand van mijn bed, en kijk naar de klok. Hoe is het mogelijk dat het alweer tijd is om op te staan? Waar is de tijd gebleven?
Bij Sam, denk ik. Onze kat heeft alle tijd van de wereld en verlummelt daarvan minstens 99%. Zonder schuldgevoel of aandrang om toch maar iets nuttigs te gaan doen. Ze heeft lak aan verwachtingen en lak aan feestdagen.

Als reïncarnatie bestond, dan wou ik dat ik een kat was.
‘We all need a reason to wake up every morning,’ hoor ik in een Ted-talk.
Behalve als je een kat bent. En alle tijd van de wereld hebt.

moordstrookje

Vannacht droomde ik van een oud lief. Dat gebeurt af en toe, dat ze me in mijn dromen nog eens met een onderonsje komen verblijden. Heel gezellig altijd. Vannacht was het trouwens een ander lief dan de vaste nachtelijke bezoeker van de afgelopen dertig jaar. Misschien komt dat door het ouder worden, dat herinneringen die verder weg verstopt zaten, hun weg terug naar boven in het bewustzijn wroeten.
Ik word er altijd vrolijk van wakker met een fijn gevoel. Ik kijk eens opzij, zie mijn man naast me op het hoofdkussen (als hij niet staat te strijken om vijf uur ’s ochtends) en bedenk altijd opgelucht: ‘Gelukkig de goeie gekozen’.

Oké, heb ik uw aandacht?
Ik wou het namelijk helemaal niet hebben over oude lieven. Ik wou het over iets heel anders hebben. Dat ik het zo beu ben om wéér maar eens van de weg gedrukt te worden.
Minstens twee, drie keer op een week overkomt me dat. Agressieve auto bestuurders die me niet eens dat smalle strookje op de weg gunnen dat zo verbloemend ‘fietssuggestiestrook’ genoemd wordt. Een belachelijke term. Op een suggestie kan ik niet fiesten. Een suggestie mag je naast je neerleggen. Dat is ook precies wat de meeste automobilisten doen. Ze duwen me gewoon tegen de stoeprand – als er al een stoep is.
En dan wordt het geen fietsstrookje meer, maar een moordstrookje. Dat benadert al een stuk meer de waarheid.
Van zoveel agressiviteit, word ik ook niet milder. Ik voel altijd het verlangen om even stevig met een fietstas langs de autolak te schuren. Gelukkig kan ik die drang redelijk onderdrukken. Al merk ik wel dat ik me steeds ‘assertiever’ gedraag in het verkeer. Ik neem bewust mijn ruimte in, dat is veiliger dan me bescheiden aan de mij toegewezen plek te houden.

En weet je wat nu eigenlijk het ergste is? Dat de meeste autobestuurders er niet eens zoveel aan kunnen doen. Als je moet kiezen tussen blikschade door je tegenligger te raken of even uitwijken naar rechts over die belachelijke streepjes, dan doe je instinctief het tweede. Die fietser die redt zich wel. Hopelijk.
De hele infrastructuur is gewoon het grote probleem. Zolang overheden zichzelf in slaap sussen met de overtuiging dat ze door een paar streepjes op de weg te tekenen echt ruimte geven aan fietsers, blijf ik een paar keer per week van de weg gedrukt worden. Door gehaaste automobilisten die zich opjagen achter het stuur omdat ze door al die vervelende fietsers niet dóór kunnen naar alles waar ze zo dringend heen moeten.

Dat zouden mijn oude lieven nou nooit doen…

een beetje reizen

Het is geen onwil. Ik wil best een beetje groener worden hoor, echt.
Ik doe mijn best.
Maar als je op een zaterdagochtend om negen uur in Gent wil zijn voor een symposium, en je wil daar met het openbaar vervoer naartoe, dan verdampen die goede voornemens al snel in de poel van de Vlaamse realiteit.

Van Turnhout naar Gent Expo, iets meer dan honderd kilometer en met de auto op een zaterdagochtend op een uur en een kwartier te doen.
En met de trein?
Ik was om zes uur opgestaan, kon fluiten naar de krant die ik gehoopt had te lezen op de trein want zelfs de krantenwinkel was nog dicht, en de eerste bus vertrok pas rond zeven. Dat begon al goed.
Vervolgens begon een traject van hobbelen in bussen, treinen en trams, wachten op winderige perrons, overstappen, wachten, toch de krant scoren, wachten met krant, en dat ging zo een paar uur door.

Toen ik eindelijk de plek van bestemming bereikte was ik bijna twee uur te laat, had ik al eenderde van de lezingen gemist en kon ik meteen aanschuiven voor koffie want het was pauze.
Om elf uur begon de volgende sessie en kon ik dus eindelijk starten.
Elf uur! Ruim vier uur had ik over dit fluttrajectje gedaan.
Mijn zoon lachte me vierkant uit: ‘Ik ben net een weekend naar Stockholm geweest vanuit Lund. Met de auto is dat 600 km (500 km in vogelvlucht) en 6 uur rijden. De trein deed er 4 uur en een kwartier over!’

En dan moest de grote grap nog komen: ik wandel binnen in de zaal, installeer me in een comfortabele stoel en wie zie ik daar binnenkomen? Mijn buurvrouw van drie huizen verder in mijn straat! Die wel met de auto was gekomen. En dan te bedenken dat ik nog even overwogen had om een Whatsappje te sturen in de straatgroep: of er nog iemand naar het Doctors4Doctors symposium ging. Ik had er maar van af gezien, de dokters in mijn straat leken me niet direct van het type dat nood had aan de (zelfzorg)verhalen op het symposium.

De trein… altijd een beetje reizen. Ammehoela!
Een paar weken geleden was het al niet beter: na een weekendje Amsterdam, zou ik terugkeren met de train. Om halftwee ’s middags nam ik de tram naar het Centraal Station en u mag raden hoe laat ik eindelijk thuis was.
Doe geen moeite, ik zal het u verklappen: om zeven uur. Vijf en een half uur gedaan over zo’n 179 kilometer.

Een mens moet over veel volharding beschikken om dit te doen. Wat mij betreft is het niet voor herhaling vatbaar. Alhoewel. En toch…
Er daalde een kalme rust over me neer. Want: er zat niets anders op dan me eraan over te geven.
Er was plaats zat op de trein die vroege zaterdagochtend, het weer was zacht (op de wind na), de zon scheen zelfs af en toe, en het half uur wachttijd in Mechelen genoot ik van een koffietje en de krant.
Je voelt net wat meer dat je leeft, vertragen doet goed.
Het onderwerp van het Doctors4Doctors congres was zeer toepasselijk ‘Time = money’.
Het Vlaamse openbaar vervoer verbraste mijn tijd, maar de ervaring was waardevol.

De trein is altijd een beetje reizen. Maar van mij hoeft dat gelukkig niet elke dag.

ABC

Rimpelingen schreef een blogje ‘Cijfertjes en lettertjes’. Ik kreeg er schrijfgoesting van en aap haar gewoon na. Hier volgt míjn ABC…

A: De A van Aardbei. Lekkurrrr! Tot een verwend kind een keer zucht: ‘Pfff… alweer aardbeien voor dessert?’ Dat gebeurde ooit op een zomervakantie in Vrouwenpolder. Steeds als we terugfietsten van het strand móesten we even stoppen bij het boerderijwinkeltje onderweg waar dit lekkers lag te lonken.
Aardbei dus. Om mee te beginnen.
En ik beloof u dat dit geen ‘van aardbei tot zweepje’-verhaal wordt. Seks voelt zich toch al niet zo thuis in een blog. Dat hoort in een roman. Of onder de ‘P’. Van Pornhub.

Oeps, ik moet nu al opnieuw beginnen.

De ‘A’ is natuurlijk van Amsterdam. Waar ik op dit moment ben, en dit blogje zit te typen met uitzicht op het water. Ik logeer in een brugwachtershuisje en zit letterlijk óp het water. Echt! Ik voeg een foto bij als bewijs. Het is fantastisch. Het huisje, de stad, het water, het eerste koffietje dat ik hier zonet gedronken heb, schrijvend, genietend. Ik wil hier voor de rest van mijn leven blijven.
Maar omdat God ook in het paradijs wel eens een steekje laat vallen, laat hij de trams zo hard over de Zeilstraatbrug donderen dat ze klinken als het gebulder van een kanon. Je kan niet alles hebben. Maar wel bijna. De oordopjes lagen dan ook klaar naast de handdoeken, de theezakjes en het gastenzeepje. Een gewaarschuwd man is er twee waard.

B. Ben. Bennie. Mijn vader die twee jaar geleden op 86-jarige leeftijd overleed. ‘Ik ben Bennie Schrage, een echte boerenlul’, zong hij graag. Daar klopte niets van: hij was een echt Rotterdams stadsjongetje dat de hongerwinter doorbracht in Olst bij de familie Spijkerman. Hij noemde hen oom Hein en tante Anna. Aan die tijd op de Boskamp hield hij het idee over dat hij een echte jongen van de boerenbuiten was én een levenslange liefde voor de geur van verse koeienpoep. Hij was toen negen jaar en schreef later dat de Boskamp zijn leven had gered en dat hij nog iedere dag aan die tijd terug dacht
Sint Bernardus is nu de naam van de familie-WhatsApp-groep (beetje over the top, I know) en Sint Bernardus is mijn favoriete donkere bier. Hoewel… Ook dat klopt niet meer helemaal sinds ik een bezoekje bracht aan brouwerij Het Anker in Mechelen. Sint Bernardus werd vlot van de troon gestoten door de Gouden Carolus Imperial dark die ik daar proefde.
Wát een lekker bier!

C. Van die Gouden Carolus Imperial dark dus.
Maar proef zeker ook eens de whisky-infused versie ervan!

D. Dromen. Ik droom veel en heftig. Onthoud ook veel dromen. En soms lig ik te roepen in mijn slaap. Wat ik dan meemaak ben ik meestal weer vergeten als mijn man me de volgende dag meldt dat ik weer zo heb liggen roepen.
Had ook de D van Dyson Airblade kunnen zijn. Je weet wel, die handdrogers met de krachtige luchtstroom. Van mijn zoon leerde ik de efficiëntste manier om je handen daarin te drogen: in één lange trage beweging je handen van beneden naar boven halen. Dat gaat veel sneller dan je handen maar op en neer blijven bewegen. Gratis life hack, doe er uw voordeel mee.

E van ezel. In het woordspelletje dat mijn dochter zo graag speelt: dierenketting. Om de beurt noem je een dier op waarvan de naam begint met de laatste letter van het dier dat net genoemd is.

F van Flair. Mijn favoriete lijfblad toen ik zestien was. Met de hotelbonnen heb ik vele weekendjes in het land geboekt. Het was met zo’n Flair-hotelbon dat ik ooit een weekendje in Amsterdam verbleef met mijn lieve vriendin R. Zoveel jaren later hebben we dat nu eens over gedaan. In dit brugwachtershuisje dus.
De ‘F’ had natuurlijk ook van fiets kunnen zijn. Mijn favoriete vervoersmiddel.

G. Gouden Carolus dus. Ja, want daar zit een G en een C in. Dus dat mag.

H van Huisruil. HomeExchange. Wat voor ons een topervaring was afgelopen zomer. Ik schreef er toen dit blogje over.

I van iPhone. Het heeft heel lang geduurd voor ik overstag ging. Ik kon het prima vinden met mijn oude Nokiaatje van 29€ bij de Colruyt waar ik alleen mee kon bellen en sms’en. Ik hoefde niet zonodig. Tot ik een eigen tuinkamertje slash meditatieruimte kreeg. Met daarin een op afstand bedienbare verwarming en airco. Daarvoor moest je wel een app op je smartphone downloaden. Sindsdien geniet ik van de tuinkamer en van de smartphone. Ik zou hem niet meer kunnen missen.

J. In tegenstelling tot Rimpelingen hoef ik hiervoor mijn Joker niet in te zetten. Wie mij kent, weet waarom.

K. Kringloopwinkel. Mijn favoriete dump-plek voor alles wat ik wegdoe. Ik doe namelijk nogal eens wat weg. Ik houd van opruimen, wegdoen, leger maken, ordenen, overzicht, ruimte. Ik houd van Marie Kondo. Hoe minder spullen, hoe beter. Zie mijn blogjes ‘weg met die troep‘ en ‘pyamabroek’. Al heb ik nog altijd veel te veel spullen.
De K had ook van Knausgård kunnen zijn. Mijn favoriete schrijver.

L van lezen. Lezen lezen lezen. Zalig!

M van mijn MacBook. Ben ik al even verknocht aan als aan mijn iPhone. Hoe heerlijk ik er nu ook weer hier in mijn brugwachtershuisje op zit te tokkelen. Het wordt stilaan wel weer tijd voor koffie, voel ik. Zometeen maar eens de brug oversteken, denk ik: daar is een ‘Bagels & Beans’ of iets verderop, naar Broodbakker Mensink dat in de hier rondslingerende neighbourhood guide getipt wordt voor zijn ‘yummy sandwiches and pastries’. Ik ben natuurlijk vooral geïnteresseerd in de pastries.
Maar de M is ook van De Morgen, mijn favoriete krant. En de kwestie of ik nu wel of niet een abonnement zal nemen. Want net als snoep, TV en Netflix is de krant lezen een zalige bezigheid, mits met mate tot zich genomen. En precies daar zit de crux: ik ben niet zo goed in matigen, dus net als dat ik Netflix al na één maand weer had opgezegd, zal ik het ook bij de krant maar houden tot korte leesmomentjes in bib of koffiebar. Zelf opgelegde therapeutische dosering. Abonnement is te gevaarlijk.

N van Nee zeggen. Blijft een moeilijke. Mijn streven is om al minstens de tegenwoordigheid van geest te hebben om een antwoord te laten beginnen met: ‘Mag ik daar even over nadenken?’ En dan enkel nog ja te zeggen op wat ik echt wil en kan en eerlijk nee te durven zeggen als het echt niet strookt met tijd/hart/buik/gevoel/intuïtie of gewoon praktische beslommeringen.

O van Oerbrein. Dat lastige deeltje in mijn en uw hersenen dat zich bij stress en grote vermoeidheid terugplooit op overlevingsstrategieën waar we in de oertijd belang bij hadden, maar die ons nu vooral tegenwerken. Was allemaal mooi toen we jagers waren maar nu bessen en mammoets vervangen zijn door supermarkten (vol suikers en vetten) en schoenenwinkels, consumeren we ons een ongeluk.

P van Petronella. De naam die ze haat. En waar wij haar natuurlijk graag mee plagen. Dat spreekt voor zich.

Q. Q-koorts, Audi Quattro. Hoop ik allebei nooit te krijgen. Maar je moet natuurlijk wat met die moeilijke Q.

R. Vriendin R. Ondertussen meer familie dan vriendin. Zo vertrouwd voel ik me bij haar. Samen slapen in het tweepersoonsbed in ons brugwachtershuisje was dan ook geen enkel probleem. We hadden wel afgesproken dat we elkaar mochten porren als er gesnurkt werd.

S van sauna. Kan ik zo ontzettend van genieten na een half uur baantjes trekken in het zwembad. Dat zwembad in Turnhout was trouwens wel een jaar of tien gesloten wegens ‘water in de kelder’, haha!
We hebben er dus ruim tien jaar op moeten wachten, maar toen het vernieuwde zwembad weer open ging, was dat wel mét sauna, een meesterlijke zet! Because we’re worth it!
Het zaligst is het daar natuurlijk als ik er alleen kan zijn, wat maar zelden voorkomt. En soms is het er echt wel te vol. Maar altijd valt er inspiratie te rapen: uit mijn eigen gedachten die zich roeren in die stilte en ontspanning, ofwel luister ik stiekem gesprekken af. Zoals dit.

T. Thuis. Waar ik zo graag ben. Vakantie is overroepen. Nergens beter dan thuis. Of het moest dit brugwachtershuisje zijn aan de Zeilstraatbrug.

U. U, mijn lezers. Schrijven is zalig. Maar het wordt nog duizend keer leuker als je ook gelezen wordt. Daarvoor: tusind tak. Oftewel: duizendmaal dank. Blijf alstublieft lezen, en liken. Je kan me geen groter plezier doen.

V van de Gouden Vis. Topcafé in Mechelen waar we stoemelings binnen vielen op zoek naar een schuilplek voor de regen na ons bezoek aan het Anker. Alleen al om wille van hun leuze: ‘A fish doesn’t think. Because a fish knows everything.’
Oonder de druivelaar in de serre dronken we een warme chocomel en een verse gemberthee. Bier hadden we al genoeg gehad.

Wim. Mijn man en de liefde van mijn leven. Toevallig ook de vader van mijn geweldige kindertjes en de meest zorgzame ouder voor diezelfde kindertjes.

X. X-chromosoom. Heb ik!

Y. IJs, maar dan zonder de puntjes erop, vergeef mij het foetelen. Te lekker. Ben & Jerry’s strawberry cheesecake, Haagen Dasz macadamia nut brittle, Magnum white chocolate & cream, stroopwafelijs van chocolaterie Puur in Turnhout, of de ijsjes – alle ijsjes – in Veere, bij het ijstentje waar we elke avond even langs moesten na de afwas op de camping in Vrouwenpolder

Z. Zo. Klaar. Oef. Was leuk.
Ook: De Zeven Zussen, guilty pleasure boekenreeks waarvan ik de eerste vijf delen alvast verslonden heb met dank aan mijn lieve buurvrouwen die ze ze genereus uitleenden. Ik wacht met smart op de verschijning van deel zes.
Zwemmen.
Zen. Stop ik nooit meer mee, voor de rest van mijn leven.

Met dank aan Ingridvdk, schrijfnaam Rimpelingen, voor het idee en de inspiratie voor dit blogje.

randgeval

Hoe komt het toch dat een mens, eenmaal de vijftig voorbij, er als een halve debiel uitziet als hij een fietshelm op zijn hoofd zet?
Een deel van deze randgevallen zou er al een stuk beter uitzien als hij de helm niet zo ver achterover op zijn kop zou zetten, maar dat alleen lost het probleem niet op.
Echtparen met gelijke fietsen en dito fleecevesten – of o gruwel, uniseks joggingpakken! – zijn ook niet bevorderlijk voor het imago van de grijze gehelmde fietser.

Ik heb drie fietshelmen, en nog rijd ik meestal rond zonder. Áls ik al een helm draag, let ik er goed op dat ik hem niet te ver achterover zet en dat hij niet scheef staat, maar waarschijnlijk zie ik er even debiel uit als al die anderen. Een paar overjaarse hipsters uitgezonderd, die overal mee wegkomen, staan wij, oudere fietsers, voor de keuze: veiligheid of toch nog een restje waardigheid.

Met fluo heb ik me ondertussen al verzoend. Met het felgele jasje dat ik afgelopen zomer scoorde, voel ik me goed én een stuk veiliger want zichtbaarder. Maar met een helm voel ik me nog steeds niet goed. Ik vind het onaangenaam: gek genoeg voelt wind om m’n blote hoofd veel minder koud dan wind die door de gaten van een helm waait. Ik vind de druk van een helm – hoe vederlicht ook – op mijn hoofd onaangenaam. Én ik vind het gedoe. Want waar laat je het ding als je al rondsjouwt met handtas, dokterstas, sjaal en handschoenen. Als ik nóg meer spullen in en uit die fietstassen moet halen bij elk huisbezoek, gaat de lol er wel vanaf. Dus misschien ben ik gewoon een beetje lui. En is die fietshelm net dat handelingetje teveel. Aan mijn haar ligt het alvast niet, ik ben niet bang voor een platgedrukt kapsel of zo. Sterker nog, er is een dikke dot gel nodig om het een beetje in het gareel te krijgen. Mijn ‘betonkop’ noemt het schattige pubertje dat hier in huis rondhuppelt mijn kapsel liefkozend, terwijl ze met haar vlakke hand op mijn hoofd timmert.
Daarmee timmert ze trouwens ook graag op het hoofd van mijn man. Misschien is het gewoon een hobby van haar. Of komt het doordat hij kaal is.
Maar ik dwaal af. Terug naar fietshelmen en haar, want zelfs met die betonkop van mij rest er nog een klein haar-bezwaartje. Als ik net gedoucht heb en met nat haar op de fiets kruip, droogt het met van die gekke ribbels erin. Dat ziet er echt raar uit. Heb ik trouwens enkel met de gestreepte helm, hoe de andere twee functioneren als droogkap, heb ik nog niet uitgeprobeerd.

Dus ja, misschien ben ik vooral lui. Of ijdel. Of overmoedig. Of praktisch. Maar vooral: niet veilig. Dus eigenlijk gewoon dom. Ik hoef me geen illusies te maken: al is een flinke smak mij tot op heden bespaard gebleven, de fietsende mens is kwetsbaar. Vooral in tijden van fietssuggestiestrookjes en moordstrookjes. (Daarover moet ik dringend eens bloggen!)

Welbeschouwd kleven er aan de helm dus alleen maar nadelen. Op dat ene allesoverheersende voordeel na dat met een grote haal alle nadelen van tafel veegt: de kans dat je na een klap door kan gaan met leven. En dat je dat met een redelijk hoofd mag doen. Die kans laten liggen, dat is pas debiel.
Ik zal mijn leven dus moeten beteren. De keus is simpel: nu een beetje debiel eruit zien of het risico lopen dat ik die keuze niet eens meer héb.
Al is het vooruitzicht om ingelijfd te worden bij het leger der grijze fietsende debielen misschien wel een groter schrikbeeld dan de dreiging die uitgaat van het moordstrookje.
Zie ik er ook uit als een mongool als ik mijn fietshelm draag?
Eerlijkheid wordt niet op prijs gesteld.

het predikheren

Elke keer is de laatst bezochte bib de mooiste. De verrukkelijkste ooit gezien. Ik heb er zestig fietskilometers en drie en een half uur voor over gehad, grotendeels tegen de wind in, langs de magnifieke Netevallei (ik wist niet dat Vlaanderen zo mooi kon zijn, steeds weer sta ik versteld van dit soort prachtige ontdekkingen zo dichtbij huis), en o god wat was het dat allemaal waard om de laatste bib-aanwinst te bezoeken.
Het Predikheren in Mechelen.

Bijna miste ik hem nog na al die inspanning, want, aangekomen in Mechelen, meldt Google Maps me: ‘mogelijk gesloten als u er aankomt’. Dat was gelukkig buiten de vrijwilligers gerekend. Want de koffiebar mocht dan inderdaad gesloten zijn, de vrijwilligers hielden de bib gelukkig open op zondag ná het officiële sluitingsuur van 13u.

Gelukkig heb ik zelf koffie bij.
In tegenstelling tot de agressief-assertieve Nederlander in een rolstoel die de chef van de Barbib toesnauwt dat het een schande is dat hij niks te drinken kan krijgen op deze zondagnamiddag. Ik zie de vrouw naast hem ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte. De chef antwoordt de nare man vriendelijk: ‘Mijnheer wij zijn zeven op zeven open, alleen op zondagmiddag sluiten we. Wij hebben ook een gezin en ik hoop dat u daar begrip voor heeft.’ Zijn kalmte en geduld zijn bewonderenswaardig. De assertieve Nederlander is netjes op zijn nummer gezet en zit nog een tijd na te mopperen. Ik kan er met mijn verstand niet bij hoe iemand nog iets te mopperen kan hebben temidden van deze tuin van Eden. In de voormalige kloostertuin is een heerlijk binnenterras aangelegd waar ik even kan bekomen van de fietstocht voor ik deze boekentempel durf betreden. Een jazzy muziekje brengt me alvast in de juiste stemming.
Hoewel… dat is helemaal niet nodig. Voor bibliotheken ben ik altijd in de stemming. En van deze ga ik helemaal dromen…. die balken! Al dat hout! De collectie!
Ik was al wég van de bib in Hasselt, van de LocHal in Tilburg, van die in Amsterdam aan de Oosterdokskade. Maar Het Predikheren spant de kroon. Bij gebrek aan passende superlatieven, zal ik het er maar op houden dat als de nieuwe bib in Turnhout ook maar een fractie van de sfeer en de charme van Het Predikheren heeft, dat ik dan de gelukkigste inwoner van Turnhout ben.

Misschien ben ik een beetje endorfine-high van het fietsen, misschien lag het aan het prachtige zonnetje vandaag in deze natte herfst, maar echt, het is de mooiste bib die ik in mijn leven al heb gezien.
Van zo’n bib krijgt een mens schrijfgoesting. Hier hangt inspiratie en energie in de lucht. Net als musea verlicht een fijne bib een mensenhart. Het mijne toch.

Ik wandel langs de leestafels – sfeervolle ledverlichting, stopcontacten op elke werkplek – en mijn blik blijft haken achter ‘De gids. lijfblad voor lezers en schrijvers’. Nooit van gehoord. Ik blader er wat in, lees een verhaal van Daan Herma van Voss en sla alweer aan het dromen… ik wou dat ik zo kon schrijven!

Voor ik helemaal wegzweef, ga ik alle trappen weer naar beneden en zet me terug in de kloostertuin met mijn zelf gebrouwen koffietje. Ik diep deel vijf van ‘De zeven zussen’-reeks uit mijn tas en lees verder waar ik gisterenavond in slaap gevallen ben. Wat een verslavende reeks. Lucinda Riley, de auteur, raakt nog niet aan de hielen van Heerma van Voss, haar boeken zijn literaire fastfood volgestouwd met het ene cliché na het andere, maar haar verhalen zijn meeslepend en er is niks mis mee om je af en toe te laten meesleuren in een wereld waar alle droomjurken roomwit zijn, waar jonge vrouwen steeds op hun onderlip bijten en waar ze bij bosjes vallen voor altijd weer een lange donkere man met woest aantrekkelijke ogen.

Je moet niet verder willen springen dan je stok lang is. In mij zit geen Lucinda Riley noch een Heerma van Voss verborgen maar van dit uitstapje ben ik helemaal opgeladen en voldaan vat ik de terugtocht aan. Al die inspiratie heeft toch maar mooi weer een blogje opgeleverd.

Heerlijk, zo’n geit in huis

Gisteren had ik een zonneklaar ‘geval van geit’ aan de hand. De geit was in dit geval een achterwachtdienst.
Van achterwacht zijn betekent dat ik moet komen opdraven om wachtdienst te gaan draaien als een collega niet komt opdagen voor zijn shift. Ik was dus ‘vrij tenzij…’

De achterwachtdienst begon om acht uur. Als ik tegen tien uur niet gebeld zou zijn, kwam ik er met de schrik vanaf en kon een heerlijk vrij weekend beginnen. Maar bij pech was ik eraan voor de moeite en kon ik tot acht uur ’s avonds gaan zwoegen op de wachtpost.
Het kleurde mijn zaterdag in een vreemd sfeertje, moet ik u zeggen. Fris gewassen en gestreken stond ik om acht uur klaar voor het geval dát. Het was een beetje zoals de paraplu die je meesjouwt als verzekering tegen de regen. Ik stond klaar om te gaan werken in de hoop dat het klaarstaan alleen al me genoeg goodwill van de goden zou verschaffen om absolutie te krijgen en vrijgesteld te worden van wachtdienst.

De ochtend trok zich traag op gang en de tijd kroop met een slakkengang vooruit. Toen eindelijk de klok tien uur sloeg, was dit de stand van zaken:
1. ik had een zeer nuttige ochtend doorgebracht en een hoop administratieve, mail- en andere was- en opvouwklussen afgewerkt, want ik was toch de eerste uren aan huis en telefoon gekluisterd en maakte er dan ook maar het beste van. Dat gaf al een hoop voldoening en energie.
2. de regen die al uren uit de lucht viel, stopte acuut om tien uur en de zon begon te schijnen. Ik verzin dit niet.
3. de telefoon had zich niet laten horen en doodgemoedereerd wandelde de geit naar buiten, mijn humeur daarbij tot een welhaast eufore piek opstuwend.

Nu moet ik u misschien dringend uitleggen wat zo’n geit-geval is. Onze Noorderburen kennen dat goed sinds cabaretier Claudia de Breij haar boek ‘Neem een geit’ schreef maar in Vlaanderen is het nog een onbekend verschijnsel, al zal iedereen het gevoel herkennen na mijn uitleg. Het geit-verhaal in Claudia’s boek wordt haar verteld door Hanneke Groenteman en gaat zo:
‘Een arme, oude Joodse man woont in een heel klein hutje met vijf kinderen en een zwangere vrouw. Ze kunnen hun kont niet keren, het is veel te vol. Die man is ten einde raad, gaat naar de rabbijn en zegt: rabbi, ik heb een huisje, vijf kinderen, mijn vrouw is zwanger, ik word helemaal gek in dat kleine hutje, wat moet ik doen? De rabbijn zegt: neem een geit in huis. Die man denkt: een geit? Maar hij doet alles wat de rabbijn zegt en koopt dus die geit. In dat volle hutje, met die zwangere vrouw en die vijf kinderen, komt een poepende, piesende geit. Hij wordt helemaal gek natuurlijk en gaat een week later naar de rabbijn terug. Hij zegt: rabbi, die zwangere vrouw, die vijf kinderen, die geit, wat moet ik doen?
Zegt de rabbijn: doe die geit weg.’
Na dit verhaal zit Claudia Hanneke wazig aan te kijken en legt Hanneke verder uit: ‘Dan heeft hij ruimte, snap je? Dus wij hebben heel vaak in de familie dat iemand zegt: die heeft een geit. Iemand heeft bijvoorbeeld een afspraak en die ander belt af. Of je gaat er zelf niet naartoe, en merkt dan dat je ervan geniet dat je niet hoeft. Dan was het een geit.

De les is eigenlijk: doe die geit weg. Want een geit nemen, dat heb je vaak gedaan. Je hebt het alleen niet doorgehad. Als je te druk bent, gestrest, slecht slaapt, niet aan jezelf toekomt, niet leuk bent: zoek de geit. En doe hem dan weg.’

Nou had ik deze geit niet zelf in huis gehaald, ze was me opgedrongen en hoort nu eenmaal bij mijn werk. Maar toch. Moesten we vaker doen. Heerlijk zo’n geit in huis. Vooral als ze om stipt tien uur de deur uit wandelt en je je huis, je dag en het rijk weer voor je alleen hebt.

*Deze blog verscheen eerder in Medisch Contact: dit is de link.