een beetje reizen

Het is geen onwil. Ik wil best een beetje groener worden hoor, echt.
Ik doe mijn best.
Maar als je op een zaterdagochtend om negen uur in Gent wil zijn voor een symposium, en je wil daar met het openbaar vervoer naartoe, dan verdampen die goede voornemens al snel in de poel van de Vlaamse realiteit.

Van Turnhout naar Gent Expo, iets meer dan honderd kilometer en met de auto op een zaterdagochtend op een uur en een kwartier te doen.
En met de trein?
Ik was om zes uur opgestaan, kon fluiten naar de krant die ik gehoopt had te lezen op de trein want zelfs de krantenwinkel was nog dicht, en de eerste bus vertrok pas rond zeven. Dat begon al goed.
Vervolgens begon een traject van hobbelen in bussen, treinen en trams, wachten op winderige perrons, overstappen, wachten, toch de krant scoren, wachten met krant, en dat ging zo een paar uur door.

Toen ik eindelijk de plek van bestemming bereikte was ik bijna twee uur te laat, had ik al eenderde van de lezingen gemist en kon ik meteen aanschuiven voor koffie want het was pauze.
Om elf uur begon de volgende sessie en kon ik dus eindelijk starten.
Elf uur! Ruim vier uur had ik over dit fluttrajectje gedaan.
Mijn zoon lachte me vierkant uit: ‘Ik ben net een weekend naar Stockholm geweest vanuit Lund. Met de auto is dat 600 km (500 km in vogelvlucht) en 6 uur rijden. De trein deed er 4 uur en een kwartier over!’

En dan moest de grote grap nog komen: ik wandel binnen in de zaal, installeer me in een comfortabele stoel en wie zie ik daar binnenkomen? Mijn buurvrouw van drie huizen verder in mijn straat! Die wel met de auto was gekomen. En dan te bedenken dat ik nog even overwogen had om een Whatsappje te sturen in de straatgroep: of er nog iemand naar het Doctors4Doctors symposium ging. Ik had er maar van af gezien, de dokters in mijn straat leken me niet direct van het type dat nood had aan de (zelfzorg)verhalen op het symposium.

De trein… altijd een beetje reizen. Ammehoela!
Een paar weken geleden was het al niet beter: na een weekendje Amsterdam, zou ik terugkeren met de train. Om halftwee ’s middags nam ik de tram naar het Centraal Station en u mag raden hoe laat ik eindelijk thuis was.
Doe geen moeite, ik zal het u verklappen: om zeven uur. Vijf en een half uur gedaan over zo’n 179 kilometer.

Een mens moet over veel volharding beschikken om dit te doen. Wat mij betreft is het niet voor herhaling vatbaar. Alhoewel. En toch…
Er daalde een kalme rust over me neer. Want: er zat niets anders op dan me eraan over te geven.
Er was plaats zat op de trein die vroege zaterdagochtend, het weer was zacht (op de wind na), de zon scheen zelfs af en toe, en het half uur wachttijd in Mechelen genoot ik van een koffietje en de krant.
Je voelt net wat meer dat je leeft, vertragen doet goed.
Het onderwerp van het Doctors4Doctors congres was zeer toepasselijk ‘Time = money’.
Het Vlaamse openbaar vervoer verbraste mijn tijd, maar de ervaring was waardevol.

De trein is altijd een beetje reizen. Maar van mij hoeft dat gelukkig niet elke dag.

ABC

Rimpelingen schreef een blogje ‘Cijfertjes en lettertjes’. Ik kreeg er schrijfgoesting van en aap haar gewoon na. Hier volgt míjn ABC…

A: De A van Aardbei. Lekkurrrr! Tot een verwend kind een keer zucht: ‘Pfff… alweer aardbeien voor dessert?’ Dat gebeurde ooit op een zomervakantie in Vrouwenpolder. Steeds als we terugfietsten van het strand móesten we even stoppen bij het boerderijwinkeltje onderweg waar dit lekkers lag te lonken.
Aardbei dus. Om mee te beginnen.
En ik beloof u dat dit geen ‘van aardbei tot zweepje’-verhaal wordt. Seks voelt zich toch al niet zo thuis in een blog. Dat hoort in een roman. Of onder de ‘P’. Van Pornhub.

Oeps, ik moet nu al opnieuw beginnen.

De ‘A’ is natuurlijk van Amsterdam. Waar ik op dit moment ben, en dit blogje zit te typen met uitzicht op het water. Ik logeer in een brugwachtershuisje en zit letterlijk óp het water. Echt! Ik voeg een foto bij als bewijs. Het is fantastisch. Het huisje, de stad, het water, het eerste koffietje dat ik hier zonet gedronken heb, schrijvend, genietend. Ik wil hier voor de rest van mijn leven blijven.
Maar omdat God ook in het paradijs wel eens een steekje laat vallen, laat hij de trams zo hard over de Zeilstraatbrug donderen dat ze klinken als het gebulder van een kanon. Je kan niet alles hebben. Maar wel bijna. De oordopjes lagen dan ook klaar naast de handdoeken, de theezakjes en het gastenzeepje. Een gewaarschuwd man is er twee waard.

B. Ben. Bennie. Mijn vader die twee jaar geleden op 86-jarige leeftijd overleed. ‘Ik ben Bennie Schrage, een echte boerenlul’, zong hij graag. Daar klopte niets van: hij was een echt Rotterdams stadsjongetje dat de hongerwinter doorbracht in Olst bij de familie Spijkerman. Hij noemde hen oom Hein en tante Anna. Aan die tijd op de Boskamp hield hij het idee over dat hij een echte jongen van de boerenbuiten was én een levenslange liefde voor de geur van verse koeienpoep. Hij was toen negen jaar en schreef later dat de Boskamp zijn leven had gered en dat hij nog iedere dag aan die tijd terug dacht
Sint Bernardus is nu de naam van de familie-WhatsApp-groep (beetje over the top, I know) en Sint Bernardus is mijn favoriete donkere bier. Hoewel… Ook dat klopt niet meer helemaal sinds ik een bezoekje bracht aan brouwerij Het Anker in Mechelen. Sint Bernardus werd vlot van de troon gestoten door de Gouden Carolus Imperial dark die ik daar proefde.
Wát een lekker bier!

C. Van die Gouden Carolus Imperial dark dus.
Maar proef zeker ook eens de whisky-infused versie ervan!

D. Dromen. Ik droom veel en heftig. Onthoud ook veel dromen. En soms lig ik te roepen in mijn slaap. Wat ik dan meemaak ben ik meestal weer vergeten als mijn man me de volgende dag meldt dat ik weer zo heb liggen roepen.
Had ook de D van Dyson Airblade kunnen zijn. Je weet wel, die handdrogers met de krachtige luchtstroom. Van mijn zoon leerde ik de efficiëntste manier om je handen daarin te drogen: in één lange trage beweging je handen van beneden naar boven halen. Dat gaat veel sneller dan je handen maar op en neer blijven bewegen. Gratis life hack, doe er uw voordeel mee.

E van ezel. In het woordspelletje dat mijn dochter zo graag speelt: dierenketting. Om de beurt noem je een dier op waarvan de naam begint met de laatste letter van het dier dat net genoemd is.

F van Flair. Mijn favoriete lijfblad toen ik zestien was. Met de hotelbonnen heb ik vele weekendjes in het land geboekt. Het was met zo’n Flair-hotelbon dat ik ooit een weekendje in Amsterdam verbleef met mijn lieve vriendin R. Zoveel jaren later hebben we dat nu eens over gedaan. In dit brugwachtershuisje dus.
De ‘F’ had natuurlijk ook van fiets kunnen zijn. Mijn favoriete vervoersmiddel.

G. Gouden Carolus dus. Ja, want daar zit een G en een C in. Dus dat mag.

H van Huisruil. HomeExchange. Wat voor ons een topervaring was afgelopen zomer. Ik schreef er toen dit blogje over.

I van iPhone. Het heeft heel lang geduurd voor ik overstag ging. Ik kon het prima vinden met mijn oude Nokiaatje van 29€ bij de Colruyt waar ik alleen mee kon bellen en sms’en. Ik hoefde niet zonodig. Tot ik een eigen tuinkamertje slash meditatieruimte kreeg. Met daarin een op afstand bedienbare verwarming en airco. Daarvoor moest je wel een app op je smartphone downloaden. Sindsdien geniet ik van de tuinkamer en van de smartphone. Ik zou hem niet meer kunnen missen.

J. In tegenstelling tot Rimpelingen hoef ik hiervoor mijn Joker niet in te zetten. Wie mij kent, weet waarom.

K. Kringloopwinkel. Mijn favoriete dump-plek voor alles wat ik wegdoe. Ik doe namelijk nogal eens wat weg. Ik houd van opruimen, wegdoen, leger maken, ordenen, overzicht, ruimte. Ik houd van Marie Kondo. Hoe minder spullen, hoe beter. Zie mijn blogjes ‘weg met die troep‘ en ‘pyamabroek’. Al heb ik nog altijd veel te veel spullen.
De K had ook van Knausgård kunnen zijn. Mijn favoriete schrijver.

L van lezen. Lezen lezen lezen. Zalig!

M van mijn MacBook. Ben ik al even verknocht aan als aan mijn iPhone. Hoe heerlijk ik er nu ook weer hier in mijn brugwachtershuisje op zit te tokkelen. Het wordt stilaan wel weer tijd voor koffie, voel ik. Zometeen maar eens de brug oversteken, denk ik: daar is een ‘Bagels & Beans’ of iets verderop, naar Broodbakker Mensink dat in de hier rondslingerende neighbourhood guide getipt wordt voor zijn ‘yummy sandwiches and pastries’. Ik ben natuurlijk vooral geïnteresseerd in de pastries.
Maar de M is ook van De Morgen, mijn favoriete krant. En de kwestie of ik nu wel of niet een abonnement zal nemen. Want net als snoep, TV en Netflix is de krant lezen een zalige bezigheid, mits met mate tot zich genomen. En precies daar zit de crux: ik ben niet zo goed in matigen, dus net als dat ik Netflix al na één maand weer had opgezegd, zal ik het ook bij de krant maar houden tot korte leesmomentjes in bib of koffiebar. Zelf opgelegde therapeutische dosering. Abonnement is te gevaarlijk.

N van Nee zeggen. Blijft een moeilijke. Mijn streven is om al minstens de tegenwoordigheid van geest te hebben om een antwoord te laten beginnen met: ‘Mag ik daar even over nadenken?’ En dan enkel nog ja te zeggen op wat ik echt wil en kan en eerlijk nee te durven zeggen als het echt niet strookt met tijd/hart/buik/gevoel/intuïtie of gewoon praktische beslommeringen.

O van Oerbrein. Dat lastige deeltje in mijn en uw hersenen dat zich bij stress en grote vermoeidheid terugplooit op overlevingsstrategieën waar we in de oertijd belang bij hadden, maar die ons nu vooral tegenwerken. Was allemaal mooi toen we jagers waren maar nu bessen en mammoets vervangen zijn door supermarkten (vol suikers en vetten) en schoenenwinkels, consumeren we ons een ongeluk.

P van Petronella. De naam die ze haat. En waar wij haar natuurlijk graag mee plagen. Dat spreekt voor zich.

Q. Q-koorts, Audi Quattro. Hoop ik allebei nooit te krijgen. Maar je moet natuurlijk wat met die moeilijke Q.

R. Vriendin R. Ondertussen meer familie dan vriendin. Zo vertrouwd voel ik me bij haar. Samen slapen in het tweepersoonsbed in ons brugwachtershuisje was dan ook geen enkel probleem. We hadden wel afgesproken dat we elkaar mochten porren als er gesnurkt werd.

S van sauna. Kan ik zo ontzettend van genieten na een half uur baantjes trekken in het zwembad. Dat zwembad in Turnhout was trouwens wel een jaar of tien gesloten wegens ‘water in de kelder’, haha!
We hebben er dus ruim tien jaar op moeten wachten, maar toen het vernieuwde zwembad weer open ging, was dat wel mét sauna, een meesterlijke zet! Because we’re worth it!
Het zaligst is het daar natuurlijk als ik er alleen kan zijn, wat maar zelden voorkomt. En soms is het er echt wel te vol. Maar altijd valt er inspiratie te rapen: uit mijn eigen gedachten die zich roeren in die stilte en ontspanning, ofwel luister ik stiekem gesprekken af. Zoals dit.

T. Thuis. Waar ik zo graag ben. Vakantie is overroepen. Nergens beter dan thuis. Of het moest dit brugwachtershuisje zijn aan de Zeilstraatbrug.

U. U, mijn lezers. Schrijven is zalig. Maar het wordt nog duizend keer leuker als je ook gelezen wordt. Daarvoor: tusind tak. Oftewel: duizendmaal dank. Blijf alstublieft lezen, en liken. Je kan me geen groter plezier doen.

V van de Gouden Vis. Topcafé in Mechelen waar we stoemelings binnen vielen op zoek naar een schuilplek voor de regen na ons bezoek aan het Anker. Alleen al om wille van hun leuze: ‘A fish doesn’t think. Because a fish knows everything.’
Oonder de druivelaar in de serre dronken we een warme chocomel en een verse gemberthee. Bier hadden we al genoeg gehad.

Wim. Mijn man en de liefde van mijn leven. Toevallig ook de vader van mijn geweldige kindertjes en de meest zorgzame ouder voor diezelfde kindertjes.

X. X-chromosoom. Heb ik!

Y. IJs, maar dan zonder de puntjes erop, vergeef mij het foetelen. Te lekker. Ben & Jerry’s strawberry cheesecake, Haagen Dasz macadamia nut brittle, Magnum white chocolate & cream, stroopwafelijs van chocolaterie Puur in Turnhout, of de ijsjes – alle ijsjes – in Veere, bij het ijstentje waar we elke avond even langs moesten na de afwas op de camping in Vrouwenpolder

Z. Zo. Klaar. Oef. Was leuk.
Ook: De Zeven Zussen, guilty pleasure boekenreeks waarvan ik de eerste vijf delen alvast verslonden heb met dank aan mijn lieve buurvrouwen die ze ze genereus uitleenden. Ik wacht met smart op de verschijning van deel zes.
Zwemmen.
Zen. Stop ik nooit meer mee, voor de rest van mijn leven.

Met dank aan Ingridvdk, schrijfnaam Rimpelingen, voor het idee en de inspiratie voor dit blogje.

randgeval

Hoe komt het toch dat een mens, eenmaal de vijftig voorbij, er als een halve debiel uitziet als hij een fietshelm op zijn hoofd zet?
Een deel van deze randgevallen zou er al een stuk beter uitzien als hij de helm niet zo ver achterover op zijn kop zou zetten, maar dat alleen lost het probleem niet op.
Echtparen met gelijke fietsen en dito fleecevesten – of o gruwel, uniseks joggingpakken! – zijn ook niet bevorderlijk voor het imago van de grijze gehelmde fietser.

Ik heb drie fietshelmen, en nog rijd ik meestal rond zonder. Áls ik al een helm draag, let ik er goed op dat ik hem niet te ver achterover zet en dat hij niet scheef staat, maar waarschijnlijk zie ik er even debiel uit als al die anderen. Een paar overjaarse hipsters uitgezonderd, die overal mee wegkomen, staan wij, oudere fietsers, voor de keuze: veiligheid of toch nog een restje waardigheid.

Met fluo heb ik me ondertussen al verzoend. Met het felgele jasje dat ik afgelopen zomer scoorde, voel ik me goed én een stuk veiliger want zichtbaarder. Maar met een helm voel ik me nog steeds niet goed. Ik vind het onaangenaam: gek genoeg voelt wind om m’n blote hoofd veel minder koud dan wind die door de gaten van een helm waait. Ik vind de druk van een helm – hoe vederlicht ook – op mijn hoofd onaangenaam. Én ik vind het gedoe. Want waar laat je het ding als je al rondsjouwt met handtas, dokterstas, sjaal en handschoenen. Als ik nóg meer spullen in en uit die fietstassen moet halen bij elk huisbezoek, gaat de lol er wel vanaf. Dus misschien ben ik gewoon een beetje lui. En is die fietshelm net dat handelingetje teveel. Aan mijn haar ligt het alvast niet, ik ben niet bang voor een platgedrukt kapsel of zo. Sterker nog, er is een dikke dot gel nodig om het een beetje in het gareel te krijgen. Mijn ‘betonkop’ noemt het schattige pubertje dat hier in huis rondhuppelt mijn kapsel liefkozend, terwijl ze met haar vlakke hand op mijn hoofd timmert.
Daarmee timmert ze trouwens ook graag op het hoofd van mijn man. Misschien is het gewoon een hobby van haar. Of komt het doordat hij kaal is.
Maar ik dwaal af. Terug naar fietshelmen en haar, want zelfs met die betonkop van mij rest er nog een klein haar-bezwaartje. Als ik net gedoucht heb en met nat haar op de fiets kruip, droogt het met van die gekke ribbels erin. Dat ziet er echt raar uit. Heb ik trouwens enkel met de gestreepte helm, hoe de andere twee functioneren als droogkap, heb ik nog niet uitgeprobeerd.

Dus ja, misschien ben ik vooral lui. Of ijdel. Of overmoedig. Of praktisch. Maar vooral: niet veilig. Dus eigenlijk gewoon dom. Ik hoef me geen illusies te maken: al is een flinke smak mij tot op heden bespaard gebleven, de fietsende mens is kwetsbaar. Vooral in tijden van fietssuggestiestrookjes en moordstrookjes. (Daarover moet ik dringend eens bloggen!)

Welbeschouwd kleven er aan de helm dus alleen maar nadelen. Op dat ene allesoverheersende voordeel na dat met een grote haal alle nadelen van tafel veegt: de kans dat je na een klap door kan gaan met leven. En dat je dat met een redelijk hoofd mag doen. Die kans laten liggen, dat is pas debiel.
Ik zal mijn leven dus moeten beteren. De keus is simpel: nu een beetje debiel eruit zien of het risico lopen dat ik die keuze niet eens meer héb.
Al is het vooruitzicht om ingelijfd te worden bij het leger der grijze fietsende debielen misschien wel een groter schrikbeeld dan de dreiging die uitgaat van het moordstrookje.
Zie ik er ook uit als een mongool als ik mijn fietshelm draag?
Eerlijkheid wordt niet op prijs gesteld.

het predikheren

Elke keer is de laatst bezochte bib de mooiste. De verrukkelijkste ooit gezien. Ik heb er zestig fietskilometers en drie en een half uur voor over gehad, grotendeels tegen de wind in, langs de magnifieke Netevallei (ik wist niet dat Vlaanderen zo mooi kon zijn, steeds weer sta ik versteld van dit soort prachtige ontdekkingen zo dichtbij huis), en o god wat was het dat allemaal waard om de laatste bib-aanwinst te bezoeken.
Het Predikheren in Mechelen.

Bijna miste ik hem nog na al die inspanning, want, aangekomen in Mechelen, meldt Google Maps me: ‘mogelijk gesloten als u er aankomt’. Dat was gelukkig buiten de vrijwilligers gerekend. Want de koffiebar mocht dan inderdaad gesloten zijn, de vrijwilligers hielden de bib gelukkig open op zondag ná het officiële sluitingsuur van 13u.

Gelukkig heb ik zelf koffie bij.
In tegenstelling tot de agressief-assertieve Nederlander in een rolstoel die de chef van de Barbib toesnauwt dat het een schande is dat hij niks te drinken kan krijgen op deze zondagnamiddag. Ik zie de vrouw naast hem ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte. De chef antwoordt de nare man vriendelijk: ‘Mijnheer wij zijn zeven op zeven open, alleen op zondagmiddag sluiten we. Wij hebben ook een gezin en ik hoop dat u daar begrip voor heeft.’ Zijn kalmte en geduld zijn bewonderenswaardig. De assertieve Nederlander is netjes op zijn nummer gezet en zit nog een tijd na te mopperen. Ik kan er met mijn verstand niet bij hoe iemand nog iets te mopperen kan hebben temidden van deze tuin van Eden. In de voormalige kloostertuin is een heerlijk binnenterras aangelegd waar ik even kan bekomen van de fietstocht voor ik deze boekentempel durf betreden. Een jazzy muziekje brengt me alvast in de juiste stemming.
Hoewel… dat is helemaal niet nodig. Voor bibliotheken ben ik altijd in de stemming. En van deze ga ik helemaal dromen…. die balken! Al dat hout! De collectie!
Ik was al wég van de bib in Hasselt, van de LocHal in Tilburg, van die in Amsterdam aan de Oosterdokskade. Maar Het Predikheren spant de kroon. Bij gebrek aan passende superlatieven, zal ik het er maar op houden dat als de nieuwe bib in Turnhout ook maar een fractie van de sfeer en de charme van Het Predikheren heeft, dat ik dan de gelukkigste inwoner van Turnhout ben.

Misschien ben ik een beetje endorfine-high van het fietsen, misschien lag het aan het prachtige zonnetje vandaag in deze natte herfst, maar echt, het is de mooiste bib die ik in mijn leven al heb gezien.
Van zo’n bib krijgt een mens schrijfgoesting. Hier hangt inspiratie en energie in de lucht. Net als musea verlicht een fijne bib een mensenhart. Het mijne toch.

Ik wandel langs de leestafels – sfeervolle ledverlichting, stopcontacten op elke werkplek – en mijn blik blijft haken achter ‘De gids. lijfblad voor lezers en schrijvers’. Nooit van gehoord. Ik blader er wat in, lees een verhaal van Daan Herma van Voss en sla alweer aan het dromen… ik wou dat ik zo kon schrijven!

Voor ik helemaal wegzweef, ga ik alle trappen weer naar beneden en zet me terug in de kloostertuin met mijn zelf gebrouwen koffietje. Ik diep deel vijf van ‘De zeven zussen’-reeks uit mijn tas en lees verder waar ik gisterenavond in slaap gevallen ben. Wat een verslavende reeks. Lucinda Riley, de auteur, raakt nog niet aan de hielen van Heerma van Voss, haar boeken zijn literaire fastfood volgestouwd met het ene cliché na het andere, maar haar verhalen zijn meeslepend en er is niks mis mee om je af en toe te laten meesleuren in een wereld waar alle droomjurken roomwit zijn, waar jonge vrouwen steeds op hun onderlip bijten en waar ze bij bosjes vallen voor altijd weer een lange donkere man met woest aantrekkelijke ogen.

Je moet niet verder willen springen dan je stok lang is. In mij zit geen Lucinda Riley noch een Heerma van Voss verborgen maar van dit uitstapje ben ik helemaal opgeladen en voldaan vat ik de terugtocht aan. Al die inspiratie heeft toch maar mooi weer een blogje opgeleverd.

Heerlijk, zo’n geit in huis

Gisteren had ik een zonneklaar ‘geval van geit’ aan de hand. De geit was in dit geval een achterwachtdienst.
Van achterwacht zijn betekent dat ik moet komen opdraven om wachtdienst te gaan draaien als een collega niet komt opdagen voor zijn shift. Ik was dus ‘vrij tenzij…’

De achterwachtdienst begon om acht uur. Als ik tegen tien uur niet gebeld zou zijn, kwam ik er met de schrik vanaf en kon een heerlijk vrij weekend beginnen. Maar bij pech was ik eraan voor de moeite en kon ik tot acht uur ’s avonds gaan zwoegen op de wachtpost.
Het kleurde mijn zaterdag in een vreemd sfeertje, moet ik u zeggen. Fris gewassen en gestreken stond ik om acht uur klaar voor het geval dát. Het was een beetje zoals de paraplu die je meesjouwt als verzekering tegen de regen. Ik stond klaar om te gaan werken in de hoop dat het klaarstaan alleen al me genoeg goodwill van de goden zou verschaffen om absolutie te krijgen en vrijgesteld te worden van wachtdienst.

De ochtend trok zich traag op gang en de tijd kroop met een slakkengang vooruit. Toen eindelijk de klok tien uur sloeg, was dit de stand van zaken:
1. ik had een zeer nuttige ochtend doorgebracht en een hoop administratieve, mail- en andere was- en opvouwklussen afgewerkt, want ik was toch de eerste uren aan huis en telefoon gekluisterd en maakte er dan ook maar het beste van. Dat gaf al een hoop voldoening en energie.
2. de regen die al uren uit de lucht viel, stopte acuut om tien uur en de zon begon te schijnen. Ik verzin dit niet.
3. de telefoon had zich niet laten horen en doodgemoedereerd wandelde de geit naar buiten, mijn humeur daarbij tot een welhaast eufore piek opstuwend.

Nu moet ik u misschien dringend uitleggen wat zo’n geit-geval is. Onze Noorderburen kennen dat goed sinds cabaretier Claudia de Breij haar boek ‘Neem een geit’ schreef maar in Vlaanderen is het nog een onbekend verschijnsel, al zal iedereen het gevoel herkennen na mijn uitleg. Het geit-verhaal in Claudia’s boek wordt haar verteld door Hanneke Groenteman en gaat zo:
‘Een arme, oude Joodse man woont in een heel klein hutje met vijf kinderen en een zwangere vrouw. Ze kunnen hun kont niet keren, het is veel te vol. Die man is ten einde raad, gaat naar de rabbijn en zegt: rabbi, ik heb een huisje, vijf kinderen, mijn vrouw is zwanger, ik word helemaal gek in dat kleine hutje, wat moet ik doen? De rabbijn zegt: neem een geit in huis. Die man denkt: een geit? Maar hij doet alles wat de rabbijn zegt en koopt dus die geit. In dat volle hutje, met die zwangere vrouw en die vijf kinderen, komt een poepende, piesende geit. Hij wordt helemaal gek natuurlijk en gaat een week later naar de rabbijn terug. Hij zegt: rabbi, die zwangere vrouw, die vijf kinderen, die geit, wat moet ik doen?
Zegt de rabbijn: doe die geit weg.’
Na dit verhaal zit Claudia Hanneke wazig aan te kijken en legt Hanneke verder uit: ‘Dan heeft hij ruimte, snap je? Dus wij hebben heel vaak in de familie dat iemand zegt: die heeft een geit. Iemand heeft bijvoorbeeld een afspraak en die ander belt af. Of je gaat er zelf niet naartoe, en merkt dan dat je ervan geniet dat je niet hoeft. Dan was het een geit.

De les is eigenlijk: doe die geit weg. Want een geit nemen, dat heb je vaak gedaan. Je hebt het alleen niet doorgehad. Als je te druk bent, gestrest, slecht slaapt, niet aan jezelf toekomt, niet leuk bent: zoek de geit. En doe hem dan weg.’

Nou had ik deze geit niet zelf in huis gehaald, ze was me opgedrongen en hoort nu eenmaal bij mijn werk. Maar toch. Moesten we vaker doen. Heerlijk zo’n geit in huis. Vooral als ze om stipt tien uur de deur uit wandelt en je je huis, je dag en het rijk weer voor je alleen hebt.

*Deze blog verscheen eerder in Medisch Contact: dit is de link.

monkey mind

Al snel waaien mijn gedachten naar het verjaardagsfeest van afgelopen zaterdag. Die chocotoff-taart was geen overrompelend succes, volgende keer toch een andere kiezen. De Limoncello na de koffie was top, maar wat jammer dat hij niet gekoeld was. Met ijsblokjes lukte het wel, maar misschien had ik het ijs moeten crushen, dat was lekkerder geweest bedenk ik me nu.
Voor mijn geestesoog verschijnt een beeld waarin ik met een hamer sta te kloppen op een theedoek gevuld met ijsklontjes. Dat kan handiger. Gewoon in de blender. Of zoals ze dat in Amerika doen: een enorm ijsblok te lijf gaan met een icepick. Waarmee dat mens in Basic Instinct de man vermoordde. Of was het andersom? En toen was daar het beaver-shot.

Oh ja, terug naar hier, terug naar nu, terug naar mijn adem. Ik zit namelijk te mediteren, en dit is wat mijn geest doet: van hot naar her springen. Daarom noemen we het in zen de monkey mind.
Adem in en adem uit… en weer in… en uit…
Geen drie tellen later ben ik alweer weg: deze keer schiet ik in een podcast-fantasie. Ik wil podcasts gaan maken. Ik heb al drie interviewvragen verzonnen voor ik alweer bedenk waarvoor ik hier zit: oh ja, om te mediteren, om te ademen. En ‘mijn geest geest leeg te maken’.
Dat laatste is fictie. Je geest leeg maken bestaat niet. Hooguit is er een kleine pauze waarneembaar in die continue gedachtenstroom. Die pauze is je moment om weer in de driver’s seat plaats te nemen en de controle over te nemen van die monkey mind. Terug naar hier, terug naar nu, terug naar ademen. Zitten, ademen, aanwezig zijn.

Het lukt een tijdje om helemaal bij mijn ademhaling te blijven. Om de golfslag van mijn adem te voelen in mijn hele lichaam. Hoe de lucht naar binnen stroomt en weer naar buiten gaat. In… en uit… en in… en uit…

Verdorie, nu ben ik Wim alweer vergeten te vragen of hij dat leeslampje niet lastig vindt, als ik ’s avonds in bed nog zo lang zit te lezen in de 7 zussen-reeks die ik van buurvrouw Katrien en buurvrouw Ilse mocht lenen.
Die paracetamol heeft vanavond trouwens ook niks gedaan, ik voel nog altijd wat hoofdpijn. Mijn benen doen pijn. De kerkklok slaat negen. Is het nog geen tijd? Hoe lang nog?
Oeps, ademen. Ademen. Ademen. En nog eens. Nog eens. En nog eens.
Zal wel mooi worden die kasten die we gaan laten maken voor de bureau, ik kijk er zo naar uit om alles mooi te gaan inrichten en ordenen! We zijn from scratch moeten beginnen met een andere firma, want met Camber liep het voor geen meter. Wat een belabberde service. In mijn hoofd ben ik de mail aan het schrijven naar Camber, om te bedanken voor bewezen diensten. Ik strek mijn benen. Wat een gek gevoel als de doorstroming daar weer op gang komt. Wel lekker ook eigenlijk. Hoe lang nog? Zijn die twintig minuten nu nog niet om? Zal wel niet lang meer zijn. Nog even doorademen, kom op. Zal ik nog een paar van die Hema-handschoentjes bijkopen? Ze zijn spotgoedkoop (geen vijf euro voor twee paar!) en ze zitten supergoed, zo heb ik vanavond proefondervindelijk vastgesteld. Al is twee paar eigenlijk ook wel genoeg om een winter door te komen, niet? Maar Stella éét zowat handschoenen, denk ik soms. Want waar verdwijnen al die verloren exemplaren anders naartoe? Steeds één helft van het paar verweesd achterlatend, want ze verliest er nooit twéé… Vreemd… Adem…
Fijne plek toch altijd hier. En zo stil. Wat een weelde eigenlijk om zo samen te kunnen zitten zwijgen.
Kijk nou, wat een gekke vlek daar op de vloer. Oeps, ademen. Ademen. Ademen. Zeg, heb ik die paracetamol eigenlijk wel ingenomen? Ik weet dat ik een tabletje in een glas water heb gegooid, maar ik herinner me eigenlijk niet of ik dat nu opgedronken heb? Geen wonder dat het niks doet… Straks eens kijken in de badkamer of dat glas er nog staat. Oei, als ik nu al zo hard begin te vergeten…
En toen borrelde dit blogje op. Heb ik toch nog iets aan die monkey mind.

Dit ongecensureerde inkijkje in mijn hoofd wordt u vriendelijk aangeboden door de ToBe-mindfulness-terugkomsessie van zojuist. Met dank aan alle deelnemers. Wat doet dat een mens veel deugd.

losers

Wij zijn de kneusjes van de straat. Nu het zwembad bij de overburen eindelijk af is, hebben ook de laatste zwembadloze buren de werkzaamheden aangevat: ook daar komt er één. Wat ons definitief tot de laatste zwembadlozen van de straat bombardeert. Sukkels. De losers, de kneusjes, de paria’s van ’t straat. Degradatie naar vijfde provinciale. Met dat stigma zullen wij moeten leren leven, want bij ons zal er nooit één komen. Het zit er gewoonweg niet in, en los daarvan weet ik niet of ik het over mijn hart zou krijgen in deze tijden van vliegschaamte, vleesparia’s en andere neologismen waarmee we om de oren geslagen worden sinds we ons openlijk zorgen maken over de planeet: voortplantingsschaamte, plasticschaamte, treintrots, …

‘Hoe durf je!’ toeterde Greta ons allemaal woest toe. En dan antwoord ik bedremmeld: we hebben ‘maar’ één auto, geen zwembad dus en een kleine restafvalcontainer voor ons gezin van vijf personen. Ik doe bijna alles met de fiets. Dat zijn allemaal organisch gegroeide keuzes, mijn man kookt zelfs al geregeld vleesloos en dat heeft niets te maken met milieu-fundamentalisme. Onze ecologische voetafdruk is vast nog buitenmaats. Onze zwembadloosheid is dan ook eerder een geval van toeval dan van zwembadschaamte.
Al zwem ik wel heel graag. En lijkt het me heerlijk om te kunnen poedelen in je eigen tuin in zomers als degene die we net beleefden. Maar zwemmen doe ik dan maar in het fijne stedelijk zwembad van Turnhout, wat als extraatje een heerlijke sauna heeft, waar ik ook nog eens geregeld blog-inspiratie opdoe.

Er staat bij ons ook geen Porsche voor de deur. We zijn echte losers.
Gelukkig zijn er véél ergere dingen dan het gemis van een zwembad of een Porsche: geen douche hebben, geen dak boven je hoofd, geen werk, ziek zijn, je land moeten ontvluchten, om maar een paar dingen te noemen. Of chronisch geconstipeerd zijn – ik zeg maar wat. Daarvan zijn we gelukkig gevrijwaard gebleven tot op heden.
Nee, we tellen onze zegeningen en voelen ons rijk. Ons zwembad mag dan wel leeg/onbestaande zijn, ons glas is wel halfvol.
Hoe rijk je ook bent, uiteindelijk verlang je naar dingen die je niet kunt krijgen. Een mens is nu eenmaal een verlangend wezen. Ik las ooit in een top tien van adviezen voor een lang en gelukkig leven, dit: ‘ga in een straat wonen waar de meesten het minder goed hebben dan jijzelf.’
Daarin hebben we glansrijk gefaald. Maar wat wel gelukt is: we wonen in een straat waar we goed samen lol kunnen maken. De zomerbarbecue en de winterfakkeltocht zijn vaste waarden van jaren her, tradities waar we stevig aan hechten. We zorgen voor elkaar en steunen elkaar als de nood aan de man is, we waarschuwen elkaar als er vreemde dingen gebeuren in de straat, en we vieren de grote gebeurtenissen van het leven samen met veel toewijding. Een sterk staaltje van gezonde sociale cohesie, quoi.

Er staat bij ons geen Porsche voor de deur, statusblik kunnen we ons niet permitteren. Wel een tweedehands blauw hybride vehikel. Je kunt naar boven of naar beneden kijken, die keuze maak je zelf. Deze kneusjes hebben het supergoed.
En als je wil horen hoe ‘losers!’ echt hoort te klinken, luister dan naar Het Heerlijk Hoorspel ‘De Reisgenoot’ van het Geluidshuis. Hoe acteur Johan Heldenbergh daar zijn kornuit de huid volscheldt voor ‘LOSER!!’, dat is van een ongeëvenaard niveau. Alleen Johan mag mij een loser noemen, ik zal die geuzennaam trots en met geheven hoofd dragen. Voor het milieu. En voor Greta. Dan maar geen zwembad.

superduper

‘Ik heb nog één vraagje. Van die zwemdingskens, wat is nu het beste: moet je het eerst snel doen of eerst goed doen?’
Daar weet de vader zo direct geen antwoord op. De zoon heeft net zwemles gehad en komt even bij zijn vader in de sauna bijpraten. Hij heeft veel geleerd en legt uit wat hij met zijn benen en armen moet doen en dat het hem al gelukt is om een hele zwembadlengte te zwemmen, ‘met enkel de buikband nog om.’
De vader spreekt moeizaam Nederlands en is blij dat zijn zoon meteen goed leert zwemmen, ‘want ik heb het verkeerd geleerd en als je iets fout hebt geleerd, dan is het veel moeilijker om het nog te veranderen’, legt hij uit.

Ademend en zwetend, luister ik stilletjes hun conversatie af.
‘Engels is echt moeilijk’, switcht zoon vlot van zwemmen naar talen.
‘Engels is heel belangrijk,’ antwoordt de vader. ‘Engels is passe partout, dat kan overal in de wereld. Maar nu woon jij in België, jij moet eerst goed Nederlands en Frans kennen.’
‘Kan jij dat goed?’ vraagt de zoon. Hij wacht het antwoord niet eens af. ‘En Arabisch? Kan jij dat goed?’
‘Natuurlijk, Arabisch is mijn moedertaal,’ antwoordt de vader.
‘Ah, dan kan jij dat superduper goed!’ roept zoon uit.
Het blijft stil. Ik adem, zweet, luister.
‘En wat kan ik superduper goed?’

‘Zwemmen al bijna,’ beantwoordt de zoon zijn eigen vraag. De hitte doet hem lager oorden opzoeken, hij schuift van de bank af. ‘Hé kijk, hier is een geheim luik!’

Halfvol

Het wordt tijd om te beslissen wat voor iemand ik wil zijn: ben ik iemand voor wie het glas halfleeg of halfvol is?
Wat vond ik dat een prachtige vraag! Ze viel in mijn inbox en kwam van één van de cursisten toen we bijna halverwege de mindfulnesstraining waren, en als er oorwurmen bestaan in de vorm van vragen, dan nestelde deze zich daar heel diep voor de rest van de dag.
Een vraag als een gecomprimeerde leidraad voor het leven. Unzip it en een explosie aan levenswijsheid raakt je vol in de buik. 

Want wat zegt deze vraag over deze cursist? Dat ze de belangrijkste horde van mindfulness al genomen heeft: het besef dat je kunt stoppen en kijken. Dat iets niet waar of onwaar is, niet goed of slecht, niet mooi of lelijk, maar dat je afstand kan nemen, en ernaar kijken zonder er iets over te hoeven besluiten. Dat je de tijd kan nemen om de vraag te laten zijn. En erbij te blijven. Dat er geen oplossing hoeft te zijn. 

De vraag blijft door mijn hoofd zingen. Wat zegt deze vraag over mij? Natuurlijk wil ik iemand zijn voor wie het glas halfvol is. Op zijn minst! Alleen al het stellen van deze vraag, doet me anders kijken naar het moment waar ik in zit. Wat voor iemand ben ik? Ik ben iemand die naar een halfleeg glas zit te kijken en dan kan denken:  ‘Tiens, misschien is het glas wel halfvol, ik mag dat gewoon zelf beslissen’. Kijk maar: de zon schijnt, ik heb lekker gefietst, het is een zalige zondagochtend, ik heb de tijd aan mezelf, ik zit op het terras, lees wat krant, drink een koffie, een blogje plopt op, ik typ het uit… Ik ga nog moeten oppassen dat het glas niet overloopt.

Vanavond ben ik van wacht, de nacht zal rommelig en onderbroken zijn. Er zal vast een moment komen dat ik vermoeid zucht om een halfleeg glas. Maar dan zal ik beseffen dat ik de keuze heb: wat voor iemand wil ik zijn? Ben ik de persoon die een glas als halfvol of als halfleeg beschouwt?

to don’t list

Ze zou me voor de krijgsraad sleuren, de generaal die de ToDon’tList heeft uitgevonden. Ze heeft hem niet echt zelf uitgevonden, en ik ken haar naam niet, maar het verhaal daarover op de eerste pagina van het notablokje dat ik in de zevende boekenhemel van Theoria in Kortrijk kocht, gaat zo: ‘Op een keer werd een psycholoog uitgenodigd in het Pentagon om aan een groep generaals een workshop time- en middelenmanagement te geven. Bij de start van de workshop vroeg hij elk van hen om in 25 woorden op te schrijven welke strategie ze gebruikten voor time- en resourcesmanagement.
Daar liepen alle generaals meteen op stuk, behalve eentje: de enige vrouwelijke generaal in het gezelschap. Deze vrouw had gevochten in Irak en had alle rangen doorlopen op haar weg naar de top. Zij kwam met het volgende op de proppen: ‘Eerst maak ik een lijst met prioriteiten: één, twee, drie, enzovoort. Daarna streep ik alles onder de drie weg.’
Wat deze generaal eigenlijk deed, was haar to-do’s omzetten naar to-don’ts. Ze pikte er slechts drie to-do’s uit om af te werken. Alles onder die lijn werd simpelweg niet gedaan. Dat gaf haar meer tijd om die drie taken goed te doen.’

Het verhaal en het idee spraken me aan, dus kocht ik het ToDon’t boekje.
Maar het lukt me niet. Ik krijg het niet over mijn hart om alles onder het derde item af te scheuren. Dat lijstje is veel te kort voor alles wat ik op een dag moet doen. Correctie: voor alles wat ik op een dag wíl doen. Ik weet het, het ligt aan mij. De hele dag door ploppen er dingetjes op in mijn hoofd, zo van: o ja, dat moet ook nog gebeuren, niet vergeten, en daar moet ik nog aan denken, en dat moet ik nog doen en oh ja…

Dus werden het rommelige lijstjes waar ik kris-kras dingen bij- en tussen schreef, want de lijstjes hadden maar negen afvink-vakjes en daar kwam ik bijlange na niet mee toe. De lijstjes werden zo’n zootje dat ik maar weer over ging op het gebruik van gewone notablokjes. Het bleef dus wel een papieren aangelegenheid want fysieke to-do-lijstjes vind ik veel prettiger dan digitale. Wegstrepen met een pen geeft zoveel meer bevrediging dan deleten met een knopje.
Dus bleef het boekje liggen. 

Tot ik het onlangs customizede tot het perfecte to-do-lijstje voor mij: de negen vierkante afvink-hokjes waren niet alleen ruimschoots onvoldoende, ze stonden ook te ver uit elkaar. Dus wat doe ik tegenwoordig? Tussen elke twee vierkantjes, teken ik er één bij. In plaats van een 9-punten lijstje dat ik onder punt drie zou moeten afscheuren, heb ik zo een 17-punten-lijstjes. Daar past mijn dag al een stuk beter in. 

Toch krijg ik heus wel dingen gedaan en pas ik zelfs de drie-prioriteiten-strategie licht verdund toe: meestal kies ik voor de komende dag één klusje dat écht gedaan moet worden. Ik noem het de k-klus (ja van het drieletterwoord voor vagina), en omdat het een echte k-klus is, kom ik er aan het einde van de werkdag meestal achter dat ik die ene vervelende klus alweer voor me uit geschoven heb. 
Al ken ik alle trucen van de foor om ze wél gedaan te krijgen: de DERK-methode (Doe Eerst De Rotklus), de kikker-methode (Eat a Frog for breakfast*) en de Pomodoro-techniek (met de kookwekker). Alle dada’s van de productivity-freaks dus. Of de lifehackers. Of ander hip volk dat zich tokkelend op hun laptops alsof hun leven ervan afhangt in koffiebars verschanst en zich onledig houdt met het slurpen van lattes, terwijl de rest van de mensheid het echte werk wel zal doen.

De latte is op. Ik klap mijn laptop dicht en blijf mijn lijstjes overladen. Ik zal het wel nooit tot generaal schoppen. 

ToDont.co van BisPublishers

*Begin je dag met een levende kikker als ontbijt; deze metafoor voor de rotklus komt blijkbaar van Mark Twain: Eat a Live Frog Every Morning, and Nothing Worse Will Happen to You the Rest of the Day. … Mark Twain once said that if the first thing you do each morning is to eat a live frog, you can go through the day with the satisfaction of knowing that that is probably the worst thing that is going to happen to you all day long.
Bron: https://quoteinvestigator.com/2013/04/03/eat-frog/