topvakantie

veel geschreven
(maar nooit genoeg)
veel gefietst
veel ontspannen
veel zon
veel geslapen
veel gelezen
vaak samen gegeten met hele gezin
(soms ook veel)
weinig TV gekeken
veel op tijd naar bed
veel gemediteerd
veel naar podcasts geluisterd
in de hangmat
en zelfs een keer Monopoly gespeeld

afgelopen week heb ik een topvakantie beleefd
Oost West thuis was het weer best

(paas)hazentanden

Schrijfopdrachtje: portretteer jezelf als een vampier.
Probleempje: waar laat je de hazentanden?
Jeugdtraumaatje: die hazentanden.

Scène op het speelplein van Wommelgem, ergens in de tachtiger jaren, ik moet een jaar of vijftien geweest zijn, amper een paar maanden ouder dan de groep aan wie ik als net gebrevetteerd monitrice geacht werd leiding te geven. Slechte beslissing natuurlijk. Die straatwijze gastjes veegden vol leedvermaak met mij de vloer aan, dat vers uit het beschermde nest gevallen kuikentje.
Grienend stond ik uit te huilen bij de hoofdmonitrice wier verliefdheden op de andere leiders van groter belang waren dan dat jankerige leidstertje.

Scène dus op dat speelplein tijdens een dansnamiddag waar ik me een kuitblessure dans met ‘de kilometerdans’, mijn all-time-favourite. Ik zit op de grond leunend tegen de muur even uit te hijgen als daar zo’n brutaal snotaapje van hoogstens een jaar of tien samen met zijn al even brutale vriendje recht voor me komt staan. De schoffies staan me zwijgend secondenlang van heel dichtbij aan te kijken. Ik verroer geen vin, zit nog na te hijgen van het dansen.


‘Hé juffrouw, hebben ze u al eens gezegd dat gij op een konijn lijkt?’
Straatwijze schoffies van repliek dienen had ik, braaf flink dutske, uit braaf nest, nooit geleerd. Al zeker niet op de brave nonnenschool waar ik mijn grijze uniformrokken sleet op de harde houten stoelen.
Dus lachte ik maar een beetje mee als een boer met kiespijn. Tandpijn, haha. Konijnentandpijn.

Enfin, jeugdtraumaatje.
Ik heb lang gehoopt dat mijn kinderen zouden ontsnappen aan dit uiterlijke kenmerk, maar bij het wisselen van hun prachtige kleine melksnijtandjes, doken toch die dominante konijnentanden op.
(Nu ik er zo over nadenk: ergens moet ik thuis nog een stel Theo & Thea tanden hebben liggen. Het kan altijd nog erger.)
Maar dit alles geheel terzijde, we waren bezig met de transformatie van konijn naar vampier.
Bloed zuigen (part of my job) en vlees eten doe ik al als de beste.
Stel je er een paar uit de kluiten gewassen hoektanden bij voor en die hazentanden verbleken in de schaduw van dit stel monsterlijke slagtanden.
Martine as a vampire, zie je het al voor je?
Man, wat zou ik die schoffies in hun weerloze nekjes gebeten hebben.




het beste wat ik heb

Moedeloos zou een mens ervan worden, de schare chronisch zieken die in onze spreekkamers passeert voor wie de medische stand geen afdoende remedie in de aanbieding heeft. De fibromyalgie-patiënten, de prikkelbare darmen, de post-Lyme, de chronische vermoeidheidssyndromen, chronische pijnklachten, de burn-out en ga zo maar door.
Dokters krijgen er een punthoofd van en een heart-sink aanval, en de patiënten ploeteren voort, hun lijden als een zware ball & chain achter zich aanslepend.

Wij als medische stand hebben slechts ontoereikende antwoorden te bieden, er zijn veel lapmiddelen in omloop en gewetenloze pseudogenezers varen wel bij de wanhoop van mensen die bereid zijn veel geld te betalen in ruil voor een beetje hoop op genezing door dubieuze praktijken, vage behandelingen en magische beloften. De evidence base is vaak ver te zoeken.

Het eerlijke antwoord is: we weten het niet. We weten niet hoe we deze mensen moeten helpen. We weten op dit moment enkel dat naast de specifieke aanpak een multidisciplinaire aanpak van o.a. beweging, ergotherapie, cognitieve gedragstherapie en/of psychotherapie het beste is wat we op dit moment kunnen bieden. Bij gebrek aan beter, is dit wat de klachten zo draaglijk mogelijk maakt, ze leren er op deze manier zo goed mogelijk mee omgaan. Genezing belooft het niet.

Wat ik wel weet: van alles wat ik in de spreekkamer kan aanbieden, is mindfulness het beste wat ik in mijn gereedschapskoffer heb. Voor mezelf, omdat ook ik een kritische grens heb van wat een mens kan incasseren. Er is een limiet van wat ik per dag kan handelen aan chronisch leed uit deze categorie. Het vraagt veel meer tijd en aandacht en zorg. Het vraagt simpelweg veel meer van een (huis)arts.
Maar vooral ook voor de patiënt: de patiënt die de vaardigheid van mindfulness leert en oefent, kan beter surfen op de golven van zijn ziekte.
Met een gunstig neveneffect: hij ontdekt of herontdekt daarbij vanzelf een verborgen schat. Oók als alles moeilijk lijkt, schijnt af en toe de zon. Broodnodige geluksmomentjes om elke dag weer door te gaan. Opnieuw en opnieuw en opnieuw.
Dus tot de wetenschap met oplossingen komt, kan ik het beste wat ik heb niet voor mezelf houden. Mindfulness is veel beter dan veel zaken waar ik het soms in de spreekkamer mee moet doen. Maar het vraagt ook wel iets. Het vraagt tijd en inzet, oefenen en blijven oefenen. Piano leer je ook niet spelen met een uurtje per week. De vaardigheid om mindful in het leven te leren staan vergt toegewijde oefening. Maar dan krijg je ook iets.
Het heeft mij zoveel gebracht, hoog tijd dat ik het nu door ga geven.

PS: De eerste groepen zijn al begonnen, hou de website in de gaten: nieuwe data worden daar gepubliceerd zodra er weer een cursus start.

woordenschat

In de zomerbar hangt een briefje: ‘gratis mooie woorden’. Met van die scheurstrookjes eronder zoals advertenties in supermarkten hadden in pre-smartphone-tijden. Nu maken we snel een foto als het te koop aangeboden object ons interesseert, maar vroeger scheurde je snel een strookje af met het telefoonnummer van de eigenaar.
De gratis mooie woorden hadden al stevig aftrek gevonden, want enkel ‘schemerlamp’ en ‘stoemelings’ waren nog in de aanbieding. Heerlijke woorden inderdaad. Ik nam ‘stoemelings’ mee.
Ik hoorde er nog een mooi vandaag: ‘onfatsoenlijk’.

Een lieve vriend leest mijn blogs altijd twee keer, vertelde hij: ‘Een eerste keer voor de inhoud en daarna nog een keer voor de woorden.’
Ja, ik hou van mooie woorden. Daarom voel ik me waarschijnlijk zo goed in bibliotheken. Omringd door wanden vol woorden, en de stilte die er nodig is om ze te savoureren, daalt er altijd een gezegende rust over me neer en komt de schrijfgoesting vanzelf.
Hier moet ik wel even Arthur Japin citeren uit ‘Een schitterend gebrek’: ‘De rust waarvan ik in een bibliotheek zo geniet bestaat niet alleen uit stilte. Al dat papier dempt ieder geluid, maar ook het ruisen van mijn gedachten. Hun ongedurigheid vindt troost in de overmacht aan kennis langs de wanden. Die is zoveel groter dan ooit in mijn hoofd zal passen.
Het kalmeert me en herinnert mij eraan dat ik niet persé alles hoef te weten en te begrijpen. Zoveel is al opgeschreven en ik heb het allemaal binnen handbereik. Daar hoef ik mij dus niet meer mee bezig te houden.’

Ook in musea en galeries, blijf ik altijd langer stilstaan bij de teksten bij de beelden dan bij de beelden, tekeningen en schilderijen zelf. Toen ik een zomer of twee geleden in het Rijksmuseum in Amsterdam een tentoonstelling bezocht die gecureerd was door Alain de Botton had ik een stijve nek van het lezen van alle post-its die hij volgeschreven had naast en onder elk schilderij. Van de schilderijen zelf herinner ik me niets meer.
Bij Rinus Van de Velde hetzelfde: zijn monumentale houtskooltekeningen vind ik impressionant, maar in vervoering raak ik pas van wat hij er zelf allemaal bij schrijft. Van die teksten maak ik dan een foto om ze voor altijd te bewaren, de beelden zijn toch niet te vatten in een foto dus die laat ik over aan de zeef van mijn herinneringen.
En zo is het altijd: mijn filmrol zit vol foto’s van teksten, uitspraken, quotes, gevelbelettering.

Zoals bekend vallen appels meestal niet ver van bomen. Mijn dochter van bijna dertien is er dan ook apetrots dat ze al zoveel woorden kent. In het Engels dan nog wel: ‘Yes, I have a very big word treasure’.
You go, girl!
By the way, iemand nog een schemerlamp nodig?

mijne waal

Het klinkt altijd alsof hij het over zijn huisdier heeft, maar als onze zoon het over ‘zijne waal’ heeft, bedoelt hij wel degelijk zijn kamergenoot.
Afgelopen zomer begon hij zijn studie aan de KMS in Brussel, de koninklijke militaire school, en die is vanzelfsprekend tweetalig. Maar wie er begint te studeren is niet zo tweetalig als je in dit van oudsher met talen worstelende land zou mogen verwachten.
Vandaar deze praktische oplossing: aangezien alle leerlingen er verplicht intern zijn op tweepersoonskamers, leg je gewoon op elke kamer een Vlaming en een Waal bij elkaar en dan zullen ze wel moeten communiceren. Zo gezegd zo gedaan.
En het werkt. Uit de verhalen die we horen van onze zoon, blijkt dat hij het getroffen heeft met ‘zijne waal’. Het is een fijne kerel die onze zoon al vaak geholpen heeft met allerlei raad en daad. Van praktische zaken tot lastige wiskundige vraagstukken. Ze rekenen op elkaar en vertrouwen elkaar, en zo hoort dat als je op elkaar aangewezen bent.

Ook de liefde maalt niet om een taalbarrière meer of minder. Taal heeft nog nooit een verliefd stel ontmoedigd om er dan maar vanaf te zien. Vlaams-Waalse koppeltjes huppelen er dan ook vrolijk over het Paradeplein.
De integratie met ‘les Africains’ loopt een stuk lastiger. Die groep heeft het te koud in dit natte landje. Na de buitensport staan ze uren onder de douche om weer opgewarmd te raken en als je ze kwijt bent, liggen ze gegarandeerd met twee fleece truien onder hun dekbed op te warmen. De dekens opgetrokken tot over de oren. Temperatuurverschillen blijken lastiger te overbruggen dan taalverschillen.

Ontgroenen doen de KMS’ers een hele week lang, een heftig evenement met lange tradities en een uitgebreid draaiboek. Dat draaiboek is een ratjetoe van Frans en Nederlands door elkaar, een specifiek eigen taaltje en jargon met een eigen charme en humor. Het boek staat vol instructies, van buiten te leren liedjes en lijsten van voor de ontgroeing absoluut onmisbare attributen. Niet voor publicatie geschikt maar wie er sappige verhalen over horen wil, is welkom op de koffie.

Ik had deze blog willen publiceren op 21 maart, de Internationale Dag tegen Racisme en Discriminatie, maar het lukt me nooit om aan te pikken bij de razende vaart van de actualiteit. Toch wil ik dit idee in de groep gooien in de strijd tegen racisme en discriminatie: allemaal een Waal in huis?

today was a good day

Today was a good day.

  • on family: We waren met het gezin nog eens een heel weekend voltallig. Vijf man sterk. Dus samen ontbijten, samen avondeten. Zelfs met de zussen nog eens uitgebreid bij-gekoffiekletst-met-koffiekoeken.
  • on health: trampoline gesprongen, gehoelahoept, met zoon naar het station gewandeld en terug gejogd. Gisteren gezwommen (zie blogje over de saunasessie erna). Goe bezig.
  • on writing: niet één maar twéé blogjes. Allez, drie eigenlijk, want ook nog een blogje verstuurd voor Medisch Contact. Maar dat gaat er ten vroegste morgen op staan. En dagboek natuurlijk. Een dag is niet af zonder dagboekschrijfsel. Nee, niet aan mijn roman geschreven. Werkpuntje.
  • on relaxing: beetje uitslapen (al probeerde het zomeruur daar een stokje voor te steken), podcastjes geluisterd, zondagmiddagdutje, krantje. En straks lekker Undercover kijken met het ventje.
  • on administration: paar k-klusjes gedaan, die kunnen van de to-do-lijst af. Dat lucht zo lekker op.
  • on meditating: 1x heerlijk buiten op terras, 1x binnen: de bestaansrecht oefening van Edel Maex
  • on growth: een talentencoach-gezins-sessie afgesproken met talentencoach Elke Thiers. Eén van mijn inspirerende collega’s in het nieuwe gezondheidscentrum ToBE. Hear hear voor de positieve psychologie!
  • on reading: de weekendkrant. En ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink. Al geraak ik daar toch wat moeilijk door, somberheid en donkerte troef. Past niet bij dit weekend vol zonneschijn.

Yes, today was a good day. Very well indeed.
Oh ja, er is ook een auto gewassen. ’t Is zondag voor iets hè?

fifty-one and counting

‘Gij ziet er nog goed uit mevrouw.’
‘Danku,’ antwoord ik reflexmatig. ‘Huh?’ denk ik erachteraan, ‘Goed uitzien? Voor wat? Voor een oude vrouw? Voor uwe leeftijd?’ Weet dat grietje dan hoe oud ik ben? Is het me aan te zien? Staat het op mijn voorhoofd gekalkt dat ik net éénenvijftig ben geworden?

‘Bah,’ stelt ze me gerust, ‘ik moet er ook aan werken hoor.’
‘Tja, dat moeten de meesten onder ons,’ maak ik me er met een gemeenplaats vanaf terwijl mijn denkradartjes voortknarsen: zie ik eruit alsof ik er hard aan werk?
Ik kijk haar niet aan, houd mijn ogen dicht, maar ze pikt de boodschap niet op. ‘En wat voor werk doet u?’
‘Ik geef les,’ lieg ik glashard. Ik heb nog nooit gelogen over mijn werk, maar ik heb hier echt geen zin om uit te leggen dat ik huisarts ben. Ze vraagt me nu al het hemd van het lijf. ’t Is te zeggen, de bikini, want we bevinden ons in de sauna. Zonet waren er nog twee opgeschoten jongens maar die hadden al snel genoeg van haar ondervraging en waren maar wat blij dat ze in mij een nieuw slachtoffer had gevonden om haar pijlen op te richten. De jongens waren de deur uit geglipt waarop het grietje droogjes vaststelde: ‘En nu zijn we nog met twee.’

Hier trek ik de grens, genoeg is genoeg: ‘Sorry, ik bedoel het niet verkeerd hoor, maar ik geniet hier graag even van de rust en de stilte, daarvoor kom ik naar de sauna.’
Ze snapt het. Denk ik. We zwijgen en zweten verder.
‘Mijn moeder zegt dat ik niet sociaal genoeg ben.’
‘Wees gerust hoor, je bent meer dan sociaal genoeg.’ Inkoppertje.
Waarop de rust in de sauna weerkeert en ik verder kan gaan met genieten. In mijn hoofd sla ik de conversatie op. Ik warm op tot mijn hart zo luid bonst dat het tijd wordt om af te koelen. Lang onder de koude douche nagenieten. Douchen, haar wassen, lijf scrubben, afdrogen. In het kleedhokje schrijf ik dit blogje uit terwijl de bodymilk in mijn schoongeschuurde vel trekt. Ik fiets naar huis, trek mijn feestjurk aan en dan rijden we met zijn vijfjes naar De Repertoire in Herentals om mijn verjaardag te vieren met een etentje. Op mijn leeftijd is dat het fijnste cadeau dat ik kan verzinnen: iedereen samen, alle kindertjes om me heen, en een goeie gintonic.
Voor ik ’s nachts mijn feestjurk uittrek, kijk ik nog even in de spiegel en geef mezelf een vette knipoog. ‘Ge ziet er nog goed uit, mevrouw.’
Voor uwe leeftijd toch.

adem of ik schiet

Afbeeldingsresultaat voor free image glock

Wij zijn een schietgraag gezin. En dat zeg ik niet eens omdat Top Gun onze all time favourite gezinsmovie is – het was onze eerste date – en ieder van ons de dialogen in die film woord voor woord kan meelippen. Dat zeg ik omdat vader, moeder en één zoon al de nodige kogels hebben afgevuurd en kruitdampen hebben gesnoven.

Tijdens de blauwe maandag die ik als militair op de KMA in Breda doorbracht, bleek ik een goeie schutter. Dat was ook meteen het enige waar ik goed in was, want voor de rest was ik het kneusje van de groep. Wat overigens de pret niet mocht drukken, ik heb er een heerlijke tijd gehad.
Maar het pistoolschieten was toch echt mijn favoriet. Met mijn Glock, die ik volledig uit elkaar kon halen en geblinddoekt weer in elkaar kon zetten, schoot ik zonder verpinken recht in de roos. Keer op keer.
(Toevallig las ik net de geweldige titel van een bundel van schrijfster Manon Duintjer: Mannen jagen, vrouwen schieten raak. Die Manon heeft een goede kijk op de zaak.)
Ik had dus een kortstondige affaire met mijn Glock, manlief zat altijd bij de schietploeg in zijn actieve militaire tijd en mijn zoon die nu op de officiersschool in Brussel zit, kan zijn lol niet op als hij weer de hei op mag om te gaan schieten. De FNC, de Scar en de Minimi hebben voor hem geen geheimen meer.
Maar manlief haalt de topscore in de lijst van wolfijzers en schietgeweren waar hij al mee gevuurd heeft: GP, FNC, FAL, FALO, MAG, LAW, Vigneron, seinpistool, L7A4, UZI, FAMAS,… Ik wist niet eens dat er zoveel wapentuig bestond. Wapentuig met bedenkelijke associaties maar daar wil ik het hier niet over hebben. Ik wil het hebben over het pure plezier ervan.
Schieten is echt verschrikkelijk leuk om te doen, zolang het maar niet ‘voor echt’ is.

Als ik er nu zo over nadenk, dan had mijn schiettalent misschien veel te maken met een ander talent, in de dop aanwezig maar nog niet tot volle wasdom gekomen: mijn zen- en mindfulnesstalent.
Want voor wie nog nooit een pistool of geweer gehanteerd heeft, mag het vreemd klinken, maar het belangrijkste van schieten is de ademhalingstechniek. Hoe beter je die onder controle hebt, hoe preciezer je kan richten en raken. Die ademtechniek had ik meteen onder de knie, en daardoor werd ik de beste schutter van ons klasje.
En wat is zen anders dan gaan zitten en ademen met volledige aandacht?

Het schieten leerde ik in 1997, zen kwam pas tien jaar later, en nog later kwam daar ook de mindfulness bij.
Met schieten ben ik al lang opgehouden, maar mediteren doe ik nog haast dagelijks, daar stop ik nooit meer mee, want adem en aandacht maakt alles beter. Zelfs schieten.


voor gratis koffie doe ik alles

‘U zit hier altijd zo ijverig te tokkelen op uwe computer, of in een schriftje te pennen. Werkt u voor de gemeente misschien?’
‘Neenee, zeker niet.’
‘Gij zijt toch geen recensent ofzo?’ De chef van brasserie Veldekenshof houdt aan, dus antwoord ik maar gewoon naar waarheid: ‘Ik schrijf blogjes en columns, gewoon voor mezelf, voor het plezier.’
‘Aha, kunt ge dan eens niet iets schrijven over Veldekenshof?’
Hmm, daar heb ik eigenlijk niet zoveel zin in: het is hier nu vaak heerlijk rustig – al deed hij net nog zijn beklag over de drukte van afgelopen zondag; 130 couverts! – en dat vind ik altijd de fijnste plekjes.
Wij hebben niet dezelfde belangen, zoveel is duidelijk.
Maar ik ga er wel graag eten, de sfeer zit goed, de inrichting is prachtig, het terras is momenteel het beste plekje van Turnhout en de koffie is uitstekend. Vaak zijn de koekjes bij de koffie zelfgebakken en overheerlijk dus dat wil ik allemaal wel schrijven. Als de mensen mij verder maar met rust laten, vind ik het best.
‘In het weekend is het druk genoeg, maar in het begin van de week mag er wel wat volk bij,’ zegt de chef, ‘schrijf dat maar op.’
‘En wat schuift dat?’ vraag ik als een volleerd onderhandelaar.
Daar moet hij even over nadenken. ‘Ne koffie, is da goe?’

Voor gratis koffie doe ik alles. Bij deze.

bachelor in het zonnetje

Als de presentatie van je zoon over zijn bachelor-eindproject je petje te boven gaat, terwijl het onderwerp virussen is en je notabene zelf geneeskunde gestudeerd hebt, dan kan dat twee dingen betekenen:
1. hij is geweldig goed bezig.
2. de familieziekte slaat toe (dementie).
Voor mijn eigen gemoedsrust hou ik het maar even op het eerste. Mijn kind overklast me met het grootste gemak en dat zie ik met veel plezier en trots gebeuren.
Hoe hij daar stond in zijn nette pakje met zijn nerdy sokken en een trillend vingertje – toch een beetje zenuwen, gelukkig maar – wijzend naar de rondspringende virusjes, terwijl hij de zaal poogde uit te leggen hoe je dat rondspringen kunt berekenen, daar zwol mijn moederhart toch wel even van.

Vragen durfde ik niet te stellen. Ik had een tijd geleden zelfs mijn eigen cursussen chemie en fysica weggegooid omdat ik er toch niets meer van snapte. Er had evengoed Chinees in kunnen staan.
Na de publieke vragenronde – de zaal zat goed vol, hij had zijn hele frisbeeteam gecharterd – werd hij door de proffen nog een uur lang op de rooster gelegd. Ook dat overleefde hij glansrijk en glimmend van plezier kwam hij het gebouw uitgelopen waarna we de heuglijke dag gingen vieren met een etentje in Rotterdam.
Zelfs de prof kwam mee. In Nederland zijn de onderlinge verhoudingen veel minder hiërarchisch, dus dat kan gewoon. De blonde prof uit Zweden had zijn stapschoenen en bretellen aan en in zijn ziel bleek behalve een keiharde wetenschapsman ook een dichter te schuilen. (Het yogamatje op de vloer van zijn bureau zit daar vast voor iets tussen). ‘The sun defrosts our soul’, mijmerde hij boven zijn koffie over die rare warme februariweek die het hart van de mens verwarmt terwijl hij zich bezorgd maakt om het klimaat want zo heet hoort februari nooit te zijn.
Maar het plezier stond voorop. We zaten aan de kade bij het heerlijke Hotel New York, brachten een toost uit op de half-afgestudeerde waarop de prof zowaar even lyrisch werd en de feestelijke stemming samenvatte met de onvergetelijke woorden: ‘My soul just melted.’