monkey mind

Al snel waaien mijn gedachten naar het verjaardagsfeest van afgelopen zaterdag. Die chocotoff-taart was geen overrompelend succes, volgende keer toch een andere kiezen. De Limoncello na de koffie was top, maar wat jammer dat hij niet gekoeld was. Met ijsblokjes lukte het wel, maar misschien had ik het ijs moeten crushen, dat was lekkerder geweest bedenk ik me nu.
Voor mijn geestesoog verschijnt een beeld waarin ik met een hamer sta te kloppen op een theedoek gevuld met ijsklontjes. Dat kan handiger. Gewoon in de blender. Of zoals ze dat in Amerika doen: een enorm ijsblok te lijf gaan met een icepick. Waarmee dat mens in Basic Instinct de man vermoordde. Of was het andersom? En toen was daar het beaver-shot.

Oh ja, terug naar hier, terug naar nu, terug naar mijn adem. Ik zit namelijk te mediteren, en dit is wat mijn geest doet: van hot naar her springen. Daarom noemen we het in zen de monkey mind.
Adem in en adem uit… en weer in… en uit…
Geen drie tellen later ben ik alweer weg: deze keer schiet ik in een podcast-fantasie. Ik wil podcasts gaan maken. Ik heb al drie interviewvragen verzonnen voor ik alweer bedenk waarvoor ik hier zit: oh ja, om te mediteren, om te ademen. En ‘mijn geest geest leeg te maken’.
Dat laatste is fictie. Je geest leeg maken bestaat niet. Hooguit is er een kleine pauze waarneembaar in die continue gedachtenstroom. Die pauze is je moment om weer in de driver’s seat plaats te nemen en de controle over te nemen van die monkey mind. Terug naar hier, terug naar nu, terug naar ademen. Zitten, ademen, aanwezig zijn.

Het lukt een tijdje om helemaal bij mijn ademhaling te blijven. Om de golfslag van mijn adem te voelen in mijn hele lichaam. Hoe de lucht naar binnen stroomt en weer naar buiten gaat. In… en uit… en in… en uit…

Verdorie, nu ben ik Wim alweer vergeten te vragen of hij dat leeslampje niet lastig vindt, als ik ’s avonds in bed nog zo lang zit te lezen in de 7 zussen-reeks die ik van buurvrouw Katrien en buurvrouw Ilse mocht lenen.
Die paracetamol heeft vanavond trouwens ook niks gedaan, ik voel nog altijd wat hoofdpijn. Mijn benen doen pijn. De kerkklok slaat negen. Is het nog geen tijd? Hoe lang nog?
Oeps, ademen. Ademen. Ademen. En nog eens. Nog eens. En nog eens.
Zal wel mooi worden die kasten die we gaan laten maken voor de bureau, ik kijk er zo naar uit om alles mooi te gaan inrichten en ordenen! We zijn from scratch moeten beginnen met een andere firma, want met Camber liep het voor geen meter. Wat een belabberde service. In mijn hoofd ben ik de mail aan het schrijven naar Camber, om te bedanken voor bewezen diensten. Ik strek mijn benen. Wat een gek gevoel als de doorstroming daar weer op gang komt. Wel lekker ook eigenlijk. Hoe lang nog? Zijn die twintig minuten nu nog niet om? Zal wel niet lang meer zijn. Nog even doorademen, kom op. Zal ik nog een paar van die Hema-handschoentjes bijkopen? Ze zijn spotgoedkoop (geen vijf euro voor twee paar!) en ze zitten supergoed, zo heb ik vanavond proefondervindelijk vastgesteld. Al is twee paar eigenlijk ook wel genoeg om een winter door te komen, niet? Maar Stella éét zowat handschoenen, denk ik soms. Want waar verdwijnen al die verloren exemplaren anders naartoe? Steeds één helft van het paar verweesd achterlatend, want ze verliest er nooit twéé… Vreemd… Adem…
Fijne plek toch altijd hier. En zo stil. Wat een weelde eigenlijk om zo samen te kunnen zitten zwijgen.
Kijk nou, wat een gekke vlek daar op de vloer. Oeps, ademen. Ademen. Ademen. Zeg, heb ik die paracetamol eigenlijk wel ingenomen? Ik weet dat ik een tabletje in een glas water heb gegooid, maar ik herinner me eigenlijk niet of ik dat nu opgedronken heb? Geen wonder dat het niks doet… Straks eens kijken in de badkamer of dat glas er nog staat. Oei, als ik nu al zo hard begin te vergeten…
En toen borrelde dit blogje op. Heb ik toch nog iets aan die monkey mind.

Dit ongecensureerde inkijkje in mijn hoofd wordt u vriendelijk aangeboden door de ToBe-mindfulness-terugkomsessie van zojuist. Met dank aan alle deelnemers. Wat doet dat een mens veel deugd.

losers

Wij zijn de kneusjes van de straat. Nu het zwembad bij de overburen eindelijk af is, hebben ook de laatste zwembadloze buren de werkzaamheden aangevat: ook daar komt er één. Wat ons definitief tot de laatste zwembadlozen van de straat bombardeert. Sukkels. De losers, de kneusjes, de paria’s van ’t straat. Degradatie naar vijfde provinciale. Met dat stigma zullen wij moeten leren leven, want bij ons zal er nooit één komen. Het zit er gewoonweg niet in, en los daarvan weet ik niet of ik het over mijn hart zou krijgen in deze tijden van vliegschaamte, vleesparia’s en andere neologismen waarmee we om de oren geslagen worden sinds we ons openlijk zorgen maken over de planeet: voortplantingsschaamte, plasticschaamte, treintrots, …

‘Hoe durf je!’ toeterde Greta ons allemaal woest toe. En dan antwoord ik bedremmeld: we hebben ‘maar’ één auto, geen zwembad dus en een kleine restafvalcontainer voor ons gezin van vijf personen. Ik doe bijna alles met de fiets. Dat zijn allemaal organisch gegroeide keuzes, mijn man kookt zelfs al geregeld vleesloos en dat heeft niets te maken met milieu-fundamentalisme. Onze ecologische voetafdruk is vast nog buitenmaats. Onze zwembadloosheid is dan ook eerder een geval van toeval dan van zwembadschaamte.
Al zwem ik wel heel graag. En lijkt het me heerlijk om te kunnen poedelen in je eigen tuin in zomers als degene die we net beleefden. Maar zwemmen doe ik dan maar in het fijne stedelijk zwembad van Turnhout, wat als extraatje een heerlijke sauna heeft, waar ik ook nog eens geregeld blog-inspiratie opdoe.

Er staat bij ons ook geen Porsche voor de deur. We zijn echte losers.
Gelukkig zijn er véél ergere dingen dan het gemis van een zwembad of een Porsche: geen douche hebben, geen dak boven je hoofd, geen werk, ziek zijn, je land moeten ontvluchten, om maar een paar dingen te noemen. Of chronisch geconstipeerd zijn – ik zeg maar wat. Daarvan zijn we gelukkig gevrijwaard gebleven tot op heden.
Nee, we tellen onze zegeningen en voelen ons rijk. Ons zwembad mag dan wel leeg/onbestaande zijn, ons glas is wel halfvol.
Hoe rijk je ook bent, uiteindelijk verlang je naar dingen die je niet kunt krijgen. Een mens is nu eenmaal een verlangend wezen. Ik las ooit in een top tien van adviezen voor een lang en gelukkig leven, dit: ‘ga in een straat wonen waar de meesten het minder goed hebben dan jijzelf.’
Daarin hebben we glansrijk gefaald. Maar wat wel gelukt is: we wonen in een straat waar we goed samen lol kunnen maken. De zomerbarbecue en de winterfakkeltocht zijn vaste waarden van jaren her, tradities waar we stevig aan hechten. We zorgen voor elkaar en steunen elkaar als de nood aan de man is, we waarschuwen elkaar als er vreemde dingen gebeuren in de straat, en we vieren de grote gebeurtenissen van het leven samen met veel toewijding. Een sterk staaltje van gezonde sociale cohesie, quoi.

Er staat bij ons geen Porsche voor de deur, statusblik kunnen we ons niet permitteren. Wel een tweedehands blauw hybride vehikel. Je kunt naar boven of naar beneden kijken, die keuze maak je zelf. Deze kneusjes hebben het supergoed.
En als je wil horen hoe ‘losers!’ echt hoort te klinken, luister dan naar Het Heerlijk Hoorspel ‘De Reisgenoot’ van het Geluidshuis. Hoe acteur Johan Heldenbergh daar zijn kornuit de huid volscheldt voor ‘LOSER!!’, dat is van een ongeëvenaard niveau. Alleen Johan mag mij een loser noemen, ik zal die geuzennaam trots en met geheven hoofd dragen. Voor het milieu. En voor Greta. Dan maar geen zwembad.

superduper

‘Ik heb nog één vraagje. Van die zwemdingskens, wat is nu het beste: moet je het eerst snel doen of eerst goed doen?’
Daar weet de vader zo direct geen antwoord op. De zoon heeft net zwemles gehad en komt even bij zijn vader in de sauna bijpraten. Hij heeft veel geleerd en legt uit wat hij met zijn benen en armen moet doen en dat het hem al gelukt is om een hele zwembadlengte te zwemmen, ‘met enkel de buikband nog om.’
De vader spreekt moeizaam Nederlands en is blij dat zijn zoon meteen goed leert zwemmen, ‘want ik heb het verkeerd geleerd en als je iets fout hebt geleerd, dan is het veel moeilijker om het nog te veranderen’, legt hij uit.

Ademend en zwetend, luister ik stilletjes hun conversatie af.
‘Engels is echt moeilijk’, switcht zoon vlot van zwemmen naar talen.
‘Engels is heel belangrijk,’ antwoordt de vader. ‘Engels is passe partout, dat kan overal in de wereld. Maar nu woon jij in België, jij moet eerst goed Nederlands en Frans kennen.’
‘Kan jij dat goed?’ vraagt de zoon. Hij wacht het antwoord niet eens af. ‘En Arabisch? Kan jij dat goed?’
‘Natuurlijk, Arabisch is mijn moedertaal,’ antwoordt de vader.
‘Ah, dan kan jij dat superduper goed!’ roept zoon uit.
Het blijft stil. Ik adem, zweet, luister.
‘En wat kan ik superduper goed?’

‘Zwemmen al bijna,’ beantwoordt de zoon zijn eigen vraag. De hitte doet hem lager oorden opzoeken, hij schuift van de bank af. ‘Hé kijk, hier is een geheim luik!’

Halfvol

Het wordt tijd om te beslissen wat voor iemand ik wil zijn: ben ik iemand voor wie het glas halfleeg of halfvol is?
Wat vond ik dat een prachtige vraag! Ze viel in mijn inbox en kwam van één van de cursisten toen we bijna halverwege de mindfulnesstraining waren, en als er oorwurmen bestaan in de vorm van vragen, dan nestelde deze zich daar heel diep voor de rest van de dag.
Een vraag als een gecomprimeerde leidraad voor het leven. Unzip it en een explosie aan levenswijsheid raakt je vol in de buik. 

Want wat zegt deze vraag over deze cursist? Dat ze de belangrijkste horde van mindfulness al genomen heeft: het besef dat je kunt stoppen en kijken. Dat iets niet waar of onwaar is, niet goed of slecht, niet mooi of lelijk, maar dat je afstand kan nemen, en ernaar kijken zonder er iets over te hoeven besluiten. Dat je de tijd kan nemen om de vraag te laten zijn. En erbij te blijven. Dat er geen oplossing hoeft te zijn. 

De vraag blijft door mijn hoofd zingen. Wat zegt deze vraag over mij? Natuurlijk wil ik iemand zijn voor wie het glas halfvol is. Op zijn minst! Alleen al het stellen van deze vraag, doet me anders kijken naar het moment waar ik in zit. Wat voor iemand ben ik? Ik ben iemand die naar een halfleeg glas zit te kijken en dan kan denken:  ‘Tiens, misschien is het glas wel halfvol, ik mag dat gewoon zelf beslissen’. Kijk maar: de zon schijnt, ik heb lekker gefietst, het is een zalige zondagochtend, ik heb de tijd aan mezelf, ik zit op het terras, lees wat krant, drink een koffie, een blogje plopt op, ik typ het uit… Ik ga nog moeten oppassen dat het glas niet overloopt.

Vanavond ben ik van wacht, de nacht zal rommelig en onderbroken zijn. Er zal vast een moment komen dat ik vermoeid zucht om een halfleeg glas. Maar dan zal ik beseffen dat ik de keuze heb: wat voor iemand wil ik zijn? Ben ik de persoon die een glas als halfvol of als halfleeg beschouwt?

to don’t list

Ze zou me voor de krijgsraad sleuren, de generaal die de ToDon’tList heeft uitgevonden. Ze heeft hem niet echt zelf uitgevonden, en ik ken haar naam niet, maar het verhaal daarover op de eerste pagina van het notablokje dat ik in de zevende boekenhemel van Theoria in Kortrijk kocht, gaat zo: ‘Op een keer werd een psycholoog uitgenodigd in het Pentagon om aan een groep generaals een workshop time- en middelenmanagement te geven. Bij de start van de workshop vroeg hij elk van hen om in 25 woorden op te schrijven welke strategie ze gebruikten voor time- en resourcesmanagement.
Daar liepen alle generaals meteen op stuk, behalve eentje: de enige vrouwelijke generaal in het gezelschap. Deze vrouw had gevochten in Irak en had alle rangen doorlopen op haar weg naar de top. Zij kwam met het volgende op de proppen: ‘Eerst maak ik een lijst met prioriteiten: één, twee, drie, enzovoort. Daarna streep ik alles onder de drie weg.’
Wat deze generaal eigenlijk deed, was haar to-do’s omzetten naar to-don’ts. Ze pikte er slechts drie to-do’s uit om af te werken. Alles onder die lijn werd simpelweg niet gedaan. Dat gaf haar meer tijd om die drie taken goed te doen.’

Het verhaal en het idee spraken me aan, dus kocht ik het ToDon’t boekje.
Maar het lukt me niet. Ik krijg het niet over mijn hart om alles onder het derde item af te scheuren. Dat lijstje is veel te kort voor alles wat ik op een dag moet doen. Correctie: voor alles wat ik op een dag wíl doen. Ik weet het, het ligt aan mij. De hele dag door ploppen er dingetjes op in mijn hoofd, zo van: o ja, dat moet ook nog gebeuren, niet vergeten, en daar moet ik nog aan denken, en dat moet ik nog doen en oh ja…

Dus werden het rommelige lijstjes waar ik kris-kras dingen bij- en tussen schreef, want de lijstjes hadden maar negen afvink-vakjes en daar kwam ik bijlange na niet mee toe. De lijstjes werden zo’n zootje dat ik maar weer over ging op het gebruik van gewone notablokjes. Het bleef dus wel een papieren aangelegenheid want fysieke to-do-lijstjes vind ik veel prettiger dan digitale. Wegstrepen met een pen geeft zoveel meer bevrediging dan deleten met een knopje.
Dus bleef het boekje liggen. 

Tot ik het onlangs customizede tot het perfecte to-do-lijstje voor mij: de negen vierkante afvink-hokjes waren niet alleen ruimschoots onvoldoende, ze stonden ook te ver uit elkaar. Dus wat doe ik tegenwoordig? Tussen elke twee vierkantjes, teken ik er één bij. In plaats van een 9-punten lijstje dat ik onder punt drie zou moeten afscheuren, heb ik zo een 17-punten-lijstjes. Daar past mijn dag al een stuk beter in. 

Toch krijg ik heus wel dingen gedaan en pas ik zelfs de drie-prioriteiten-strategie licht verdund toe: meestal kies ik voor de komende dag één klusje dat écht gedaan moet worden. Ik noem het de k-klus (ja van het drieletterwoord voor vagina), en omdat het een echte k-klus is, kom ik er aan het einde van de werkdag meestal achter dat ik die ene vervelende klus alweer voor me uit geschoven heb. 
Al ken ik alle trucen van de foor om ze wél gedaan te krijgen: de DERK-methode (Doe Eerst De Rotklus), de kikker-methode (Eat a Frog for breakfast*) en de Pomodoro-techniek (met de kookwekker). Alle dada’s van de productivity-freaks dus. Of de lifehackers. Of ander hip volk dat zich tokkelend op hun laptops alsof hun leven ervan afhangt in koffiebars verschanst en zich onledig houdt met het slurpen van lattes, terwijl de rest van de mensheid het echte werk wel zal doen.

De latte is op. Ik klap mijn laptop dicht en blijf mijn lijstjes overladen. Ik zal het wel nooit tot generaal schoppen. 

ToDont.co van BisPublishers

*Begin je dag met een levende kikker als ontbijt; deze metafoor voor de rotklus komt blijkbaar van Mark Twain: Eat a Live Frog Every Morning, and Nothing Worse Will Happen to You the Rest of the Day. … Mark Twain once said that if the first thing you do each morning is to eat a live frog, you can go through the day with the satisfaction of knowing that that is probably the worst thing that is going to happen to you all day long.
Bron: https://quoteinvestigator.com/2013/04/03/eat-frog/

niks speciaals

Het was maar Bretagne. Het was maar 700 kilometer ver, amper een dagreis. Het was maar een huisruil (dat wou ik al heel lang uitproberen en deze onzekere zomer bood daarvoor een uitgelezen kans: kunnen en willen alle kinderen nog wel mee? Herexamens? Nestvlieders die naar het buitenland trekken? Toch liever met lief of vrienden dan met papa en mama op vakantie?) en dus was het ook maar een vakantie-adres van nul euro. Met krakkemikkige wifi, krakende vloeren en milieubewuste ‘droge wc’s’. Wel had het huis de meest sensuele houten trap die ik ooit gevoeld heb onder mijn blote vakantievoeten.
Het was niet de andere kant van de wereld, eerder onze achtertuin.
Het was niet spectaculair, niet instawaardig, er viel niks indrukwekkends te posten op Facebook. Er was nul druk. Er hoefde eigenlijk helemaal niets.
Niets. 

Precies daardoor, waren de dagen in Bretagne van een onbestemd soort mistigheid die me blij stemt. Weer om niets te doen, zacht en windstil genoeg om buiten te zitten en uren aan een stuk te lezen. Soms eropuit te trekken en dan in de tuin bekomen van de veel te toeristische Mont St Michel en een indigestie van te dure mosselen daar. Een welhaast continu wit wolkentapijtje zorgde dat de zon niet echt doorkwam en de temperaturen zacht bleven zonder in overdrive te gaan. We hadden genoeg hittegolf gehad in de afgelopen maanden. Ideale omstandigheden om de 750 geniale bladzijden die Hanya Yanagihara geschreven heeft uit te lezen. De lees-opwarmertjes deze vakantie waren ‘Mijn jaar van rust en kalmte’ van Otessa Moshfeg en ‘Problemski hotel’ van Dimitri Verhulst. De geest stretchen en warmlopen voor het grote werk, die roman dus van Yanagihara: ’Een klein leven’. Een dikke pil waar ik buiten een vakantie niet eens aan moet beginnen. Maar nu was het genieten. Zo door kunnen lezen, een glas tintelende rosé erbij, wat valt er meer te verlangen?

Het was maar Bretagne.
Maar wat hebben we ervan genoeten. Van de groene kusten, het diepe aquamarijn van de zee rond de kliffen, de eindeloze wandelingen. De ijsjes van zoute caramel. De assiettes fruits de mer. Van Top Gun. Alweer. (Een jaarlijkse familietraditie: elk jaar herbekijken we die film met zijn allen, lippen we elk woord van de dialogen mee en draaien het volume op maximum als de F-16 motoren vuur spuwen op de tonen van ‘Highway to the danger zone’.)
Van samen marshmallows roosteren boven het kampvuurtje. Van koffie en baguettes. Van het ochtendlijke fietstochtje naar het Depôt de pain in Tréverien voor die baguettes.
Van de stille ochtenden op het beschutte zijterrasje waar ik uren zat met boek en koffie.
Van de eigenwijze kat Lili die bij het ruilhuis hoorde, van John de exotische vis, van de Romeo’s zoals mijn dochter de drie goudvissen gedoopt had en van Spencer, de hamster die zich zelden bij daglicht liet zien.
Van alle kinderen nog erbij te hebben – met aanhang zelfs dit jaar – en te zien tot wat een fijne mensen ze allemaal zijn uitgegroeid. Van het plezier dat die kinderen onder elkaar maakten. (Wees gerust, ze hebben ook uren liggen bingewatchen, het zijn hele gewone kinderen.)

Wat zou het mijn vader verheugd hebben als hij wist dat zijn dochter zo genoot van de streek waar hijzelf zijn kinderen in onze jeugd altijd mee naartoe nam.
Het was maar Bretagne. Het was niets speciaals. Maar wat was het bijzonder.

PS: Na 33 jaar leer ik nog steeds dingen bij over Top Gun: ‘Dat zijn F 14’s en geen F 16’s’, zegt mijn man bestraffend…. Weet ik veel…

nog niet voorbij

‘The summerdays are gone too soon’, zingt Norah Jones en ik voel nu al spijt dat de zomer zijn einde nadert. God, wat hou ik van deze tijd van het jaar.
De stille ochtenden, geen kat op de weg, geen fietsers, de scholen zijn dicht en de fietspaden dus vrij. Wekenlang zonder jas in het zonnetje naar het werk, zo vroeg al een zonnebril nodig zelfs. Werken voelt als vakantie, de zon maakt alles gemoedelijker en aangenamer. De mensen zijn meer ontspannen, de raadplegingen zijn een tikje rustiger, mailboxen blijven leeg en de lange avonden nodigen uit tot terrasjes en buiten mediteren.
Alles gaat makkelijker.

Als de vakantie nog in ’t verschiet ligt, doet het reikhalzend daarnaar uitkijken me zinderen van plezier, en als een geslaagde vakantie weer achter de rug is, kan ik daar nog maanden van nagenieten.
Het was een heerlijke zomer, werken was fijn en op vakantie gaan was fijn. Met angst en beven zag ik de eerste zomer tegemoet waarin we voor het eerst niet meer voltallig zouden zijn. Daar was ik nog niet aan toe – en misschien zal ik dat wel nooit zijn – maar mijn vrees was nergens voor nodig. De realiteit was precies het tegenovergestelde: in plaats van met volk minder, waren we met een man meer. Excuus. Vrouw meer. En wat voor één!
And she fits in. En of she fits in! Maar dat heeft ze altijd al gedaan, want het lief van onze tweede zoon kennen we al van toen ze nog maar net haar luiers ontgroeid was, en ook toen ging ze al geregeld mee op vakantie. Wij leerden haar marshmellows roosteren, zij leerde ons bananen stoven op de barbecue en Casa de papel bingewatchen. Ze stak haar handen uit de mouwen en keek mee naar Top Gun. Ze hoort er zo vanzelfsprekend bij dat ik me alleen maar gelukkig kan prijzen als ik terugkijk op de weken in Bretagne.
Ik word er zowaar een beetje melancholisch van, maar het is nog niet voorbij, die mooie zomer. Laat Rob de Nijs nog maar even op stal staan, laat de zomer nog even duren en laat Norah maar verder zingen… ‘Now the fall is here again…’
Nog niet, Norah, nog even niet.

Øresundbrug

Ik dacht dat ik er ondertussen wel aan gewend was. Dat zou je toch denken als er al twee zonen het nest zijn uitgevlogen. Toch stonden we daar gisteren weer op de stoep: stevige knuffel, krop in de keel. Toen fietste zoon zijn nieuwe leven in. Op de fiets van opa, grote duffel op zijn rug, zijn Zweedse avontuur tegemoet.

De zoon die al was uitgevlogen naar Nederland, zocht het deze keer nog een stuk Noordelijker. In Lund vond hij de plek waar hij de komende twee jaar zijn studie wil voortzetten. Delft was blijkbaar nog niet ver genoeg.

Het was een leuk tripje: man en ik brachten hem samen weg. Man en zoon wisselden om de paar uur het stuur en we overnachtten in Airbnb’tjes, het ene al gerieflijker dan het andere.
Op de Øresundbrug maakten we een filmpje, de brug als symbolische overgangsrite.

Bij aankomst in Lund, regende het pijnpenstelen. Maar de zalm was voortreffelijk en het stadje, ondanks het grijze weer, sfeervol en gemoedelijk. De volgende dag scheen gelukkig de zon en trokken we op verkenning. De kathedraal en de overal door stad en parkjes verspreide koffie- en picknick plekjes – ‘fika’, de kunst van het koffiedrinken, is een nationale sport daar – waren voor mij de highlights. En de openbare bibliotheek natuurlijk, die was fantastisch. Al overtrof de Harry Potter-achtige buitengevel van de universiteitsbibiliotheek mijn stoutste bibliotheek-dromen.
Daarna gingen we uit eten bij een fantastisch gezin in Höör, dat we hadden leren kennen via de chat van HomeExchange (heb ik al gezegd dat ik helemaal fan ben van het hele huisruilconcept?). Zij Airbus-piloot, hij controleur bij een grote transportfirma en hun acht kinderen ontvingen ons allerhartelijkst in hun huis aan het meer en schotelden ons Zweedse gerechten voor terwijl ze ons honderduit vertelden over Zweden en over Lund waar bijna al hun kinderen studeerden. Zo kom je nog eens wat te weten. En altijd fijn om goede contacten te leggen voor je-weet-nooit-als-er-eens-iets-gebeurt.

En zo werd het vertrekdag. We zwaaiden zoon uit en reden terug naar België. Heel veel verandert er eigenlijk niet voor ons. Hij kwam uit Delft al hooguit één keer per maand thuis, en Skypen deden we elke zondag.
Voor hem is het veel spannender: hij zal zijn vrienden en zijn sportclub missen en nieuwe vrienden en sport moeten vinden. Hij zal zijn weg weer moeten vinden in de universiteit en zich het stadje eigen moeten maken. Maar daar hebben we alle vertrouwen in. Hij is jong, superzelfstandig, ondernemend en zelfzeker. Coole kerel met een hartje van goud.
(ik lees net in De Standaard een artikel over opgroeien, waarin staat: ‘het is je grotere taak als ouder om je kind op te voeden tot een zelfstandig wezen, dat problemen kan oplossen en met emoties weet om te gaan.’ Mooi gezegd. En voor zover beoordeelbaar: missie geslaagd)
Als hij maar gelukkig is, die brok in de keel nemen we er graag bij. En zo hoort het ook. Mijn kind vliegt uit en spreidt zijn vleugels. Ook wij zullen een nieuw evenwicht moeten zien te vinden.

Als virtuele babbels en ghost hugs niet meer genoeg zijn, vlieg je met Ryanair voor 35 euro heen en terug. Eigenlijk verandert er niet veel. Het is alleen duizend kilometer verder.


een coherent hart

Gelukkig staat ze me buiten al op te wachten. Minou met de mooie groene ogen die perfect matchen bij haar camouflage T-shirt en met de zee waar we even later op uit kijken op een foto in haar stijlvolle spreekkamer. Minou is een collega in het nieuwe centrum ToBE, een co-workingsplek voor gezondheid, groei en ontwikkeling. Ik geef er mindfulnesstraining, Minou doet er coaching met de Hartcoherentie-methode. Deels in ToBE, deels in haar eigen werkplek aan de Steenweg op Tielen.

’Het is wel intimiderend om hier aan te komen’, zeg ik als we elkaar begroeten. Een groot huis, grote poorten – die gelukkig al open staan – en zoveel ingangen dat ik even niet weet waar ik nu precies moet zijn voor onze afspraak. ‘Ja, dat besef ik maar al te goed. Daarom kom ik altijd naar buiten om de mensen op te vangen voor een eerste afspraak. Er komen nog bordjes’, belooft ze.
Minou laat de mensen niet verloren lopen, en dat is precies haar werk: coaching. In vele vormen. De vorm waar ik vandaag van mag komen proeven, heet ‘hartcoherentie’.

Wie mij een beetje volgt, weet dat ik al vele jaren mediteer, en wat ik ondertussen wel geleerd heb: zen bestaat in vele vormen. Puristen schieten mij ter plekke neer voor dit soort uitspraken – ware het niet dat ze ook beloofd hebben alle levende wezens te redden – maar ik ben geen purist. Ik ben een pragmaticus. Dat zijn de meeste huisartsen trouwens.
Mijn motto is dan ook ‘Whatever gets you through the day.’ Of dat nu zen, yoga, mindfulness, hardlopen, fietsen, hartcoherentie, de sauna, kleurboeken voor volwassenen, breien of de krant is, mij maakt het allemaal niet uit, als het maar gezond is. Dat is als huisarts mijn enige toetscriterium. Want je kan de dag en de pijn van het zijn natuurlijk ook doorkomen met bier, wijn en een slof sigaretten, maar dát zijn nou niet de dingen waar een mens wel bij vaart. En je huisarts maak je er ook niet blij mee.
Dus daarom: zen bestaat in vele vormen, en hartcoherentie, voor zover ik er iets over kan zeggen na deze proefsessie, is er één van. 

Minou is superenthousiast, en blijft maar uitleg en achtergrondinformatie geven. Het is duidelijk dat ze in de afgelopen jaren een stevige kennisbasis heeft opgebouwd over haar onderwerp. Dat is fijn, want het zo neemt ze me bij de hand en toont me de weg in dit voor mij nieuwe domein.
Ze laat me beginnen met een simpel oefeningetje waarbij ik met een pen golven moet tekenen op een blad papier op het ritme van mijn ademhaling. Een heerlijke oefening, ik kom er meteen van tot rust. Het gevoel van een pen op papier verschaft mij als graagschrijver altijd een zinnelijk genoegen en onmiddellijke rust. Deze oefening werpt meteen een nieuw licht op de ‘drie minuten adempauze’-oefening, een echte basic uit het mindfulness gamma. De lijnen worden langer en langer, de golven hoger en de dalen dieper. ‘Je kunt wel zien dat jij een geoefend mediteerder bent’, zegt Minou. Ze toont me voorbeelden van hoe zo’n eerste oefening er soms uit kan zien: grillige patronen waar de onrust en de stress vanaf spat. Dan is er werk aan de winkel. Minou leert dan met behulp van biofeedback (een klein apparaatje dat ze op je oorlel knijpt en dat je hartslag en je ademhaling registreert) hoe je rustiger kan ademen en daardoor ook meer rust krijgt in hart en hoofd. Er zijn aanstekelijke oefeningen waarbij je een ballon de lucht in moet houden dooe diepe ademteugen te nemen, of je kunt een bloem open en dicht laten gaan met je adem. Heerlijke oefeningen waarbij er meteen een paradijselijke rust over je neerdaalt. Door niks anders dan je eigen adem die je altijd bij je hebt. En een appje dat Minou op je telefoon installeert. Easy peasy.

Ze geeft me een werkboek mee. Daarin lees ik later thuis wat hartcoherentie beoogt: ‘meer inzicht krijgen in de gevolgen van stress en wat je daaraan kunt doen’. Het gaat over veerkracht en energie, over hoe je je voelt, wat je denkt en hoe je je gedraagt.
Vervolgens geeft HeartMath (de ontwikkelaars van deze hartcoherentie-methode) een prachtige definitie van veerkracht: ‘Veerkracht is het vermogen om je goed voor te bereiden op, goed om te gaan met en te herstellen van lastige situaties. Groot en klein.’

In de dagen na deze proefsessie, lees ik nog veel in het werkboek. Ik krijg er nieuwe inzichten die me heel blij maken. Dat vind ik misschien nog wel het fijnste aan deze methode: de duidelijke en heldere uitleg over wat stress met ons doet, en hoe hartcoherentie daarop een antwoord kan zijn. Want, zo lees ik, dat is waar het bij coherentie om draait: ‘hart, brein, emoties, gedachten en gedrag zijn goed op elkaar afgestemd. In zo’n toestand lijkt het alsof we meer energie hebben en problemen gemakkelijker aan kunnen. Komen er uitdagingen op onze weg, dan kunnen we helder denken, onze rust bewaren en doen wat we moeten doen. En daarna kunnen we energiek en evenwichtig weer verder.’

Je leert waar je blij van word. Ik word blij word van nieuwe dingen leren, zoals vandaag. Van nieuwe inzichten opdoen, en het plezier van hernieuwde inspiratie en motivatie om door te doen met wat ik altijd al deed: steeds terugkeren naar mijn adem. Trouw blijven mediteren. Hartcoherentie doet me nog bewuster beseffen waaróm dat me altijd zo goed doet. 

Ik ben verkocht. De opbouw van de sessies, de onderbouwing van de methode, de inzichten en ondersteuning die je krijgt bij de opdrachten in het werkboek, …hoe zou dit alles níet tot een succes kunnen leiden? 

Als we met zijn allen nu eens eindelijk de kracht van ademhaling en stilte zouden inzien en leren toepassen, zou de wereld dan niet een veel leukere plek worden? Via een appje op je telefoon of op een meditatiekussen in kleermakerszit. Whatever gets you through the day, nietwaar?

PS: Oh ja, als je helemaal gaar geademd bent, kan je bij Minou in de wachtkamer ook nog even op de loopband of de hometrainer. Of Netflix kijken… whatever gets you through the day…

vacuüm

Het academisch kwartiertje is ruimschoots gepasseerd en wat ik stiekem begin te denken, komt uit: er komt niemand opdagen op de eerste terugkomdag van de mindfulnesstraining. Eén deelnemer heeft zich netjes afgemeld en van twee anderen wist ik dat ze niet konden komen vandaag vanwege vakantie.
Ik kan allerlei redenen verzinnen voor de afwezigheid van mijn leerlingen: het schitterende zomerweer, de noodzaak van steunende aanwezigheid bij studerende kinderen, vergeten, geen goesting of misschien al zo vervolmaakt in de kunsten der mindfulness dat opfrissing niet nodig is. Ik had een remindertje rond kunnen sturen. Maar dat heb ik niet gedaan, en nu is er dus niemand.

Ineens heb ik zomaar twee vrije uren, helemaal voor mij alleen. Een klein vacuüm in de dag. Een eilandje van herwonnen tijd. Ik herken het gevoel van vroeger. Het gebeurde ooit toen een babysit ziek afbelde en wij ineens niet naar de film ‘hoefden’. Het gebeurde toen ik hoogzwanger van nummertje twee overtijd ging en enkele dagen leefde in een soort geleende tijd, extra tijd. (Het kostte me toen wel even moeite om de mentale switch te maken van ‘wachten op’ naar ‘dankbaar zijn voor die extra dagen en er ontspannen van genieten’.)
Het is het momentje net voor de gasten zullen arriveren op je feest: alles picobello aangekleed, frisse gin-tonic in de hand en dan even tijd voor jezelf tot het feestgewoel losbarst.
Het is een wachtdienst die komt te vervallen omdat een collega ineens een ruil voorstelt. Het is de woensdagavond-straatverlichting (ik mediteer soms samen met enkele buren) waar niemand komt opdagen en ik dan maar net zo goed een kwartiertje kan mediteren nu ik er toch zit. Doel is bereikt: gaan zitten en mediteren. Of dat nu samen of alleen is. (Zitten op dat kussen is niet moeilijk. Gáán zitten, dat is de uitdaging. Elke keer weer. Net als sporten niet moeilijk is, maar gaan sporten een stuk minder makkelijk. Beginnen is altijd de lastigste hobbel. Al valt stoppen soms ook niet mee.)
Het is de vertegenwoordiger die op een vroege ochtendafspraak in mijn vorige praktijk niet kwam opdagen en ons zo een heerlijk koffiemoment bezorgde.
Het is de reis die niet doorgaat omdat het vliegtuig overboekt is… oh nee laat maar. Slecht voorbeeld. Maar je snapt mijn punt.

Soms organiseer ik zelf deze gestolen tijd. Op het laatste nippertje beslissen om toch niet naar een nascholing of les te gaan waar ik me wel voor had ingeschreven bijvoorbeeld. Of mijn kat sturen naar een feest en zo een avond voor mezelf winnen.
Gratis tijd. Verlengingen. Blessuretijd. Tijd die je zomaar cadeau krijgt. Tijd die plots uit de lucht komt vallen en waarin niets hoeft en alles kan. Een gat in de tijd. Een vacuüm.

Maar nu overkwam het me gewoon en heb ik het cadeautje dat me onverwacht in de schoot viel, voorzichtig en genietend uitgepakt.
In de prachtige loftruimte van ToBE waar ik zit voor de les die niet doorgaat, pak ik een mat en een kussen en mediteer een tijdje. Vogels fluiten en van ver waaien stadsgeluiden door de open ramen naar binnen. De hitte van de afgelopen dagen hangt dik en zwaar in de ruimte, de naderende buien zijn al voelbaar. Tropische vochtige lucht. Ik kom helemaal tot rust.
Mediteren in dit tijdsvacuüm lijkt nog diepere rust te brengen dan het gewoonlijk al doet en net als opgewoeld zand dat langzaam weer naar de bodem van het water zakt, zo dwarrelen mijn to-do-gedachten langzaam naar de achtergrond tot er een kalme vredigheid in en om mij neerdaalt. In deze verrukkelijke plaats waar niemand me komt zoeken, waar niemand me nu nodig heeft, waar het even voelt alsof niemand weet waar ik ben, waan ik me even in de zevende hemel.
In deze gestolen uurtjes op de fijnste plek van Turnhout, borrelt als vanzelf een blogje op.
Altijd een teken dat ik goed in balans ben als het creatieve deel van mijn brein mij woorden en zinnen begint in te fluisteren.

Is het de ruimte? Is het het vacuüm in de stilte? Of ben ik door al dat mediteren bedreven geraakt in van de nood een deugd maken?
Hoe het ook zij, we moesten het onszelf vaker gunnen, zo’n pakketje geleende tijd.
En dan even, heel even, niets. Helemaal niets.