Zwerfvuil (2)

Er kleven ook nadelen aan het opruimen van zwerfvuil. Zoals daar zijn: waar laat ik het zakje als dat vol is? Eén tot de rand gevuld hondenkakzakje is mijn quotum per wandeling, daarna hou ik het voor gezien. Maar in natuurgebieden zijn meestal geen vuilbakken te bespeuren (misschien dat daarom mensen hun troep zomaar op de grond gooien?) dus daar loop ik dan met dat zakje vol troep te sjouwen.
Ook een nadeel: het gevaar dreigt dat je meer op afval gaat letten dan op de schoonheid van de natuur. Je ziet meer en meer rommel liggen als je er eenmaal mee begint, en als je het ziet, dan kan je het niet meer níet zien. Lastig.
Het kost me moeite om het bij dat ene zakje te houden en alles wat ik daarna zie te laten liggen. Het lukt vaak niet om me in te houden, ik zal dus grotere zakken moeten gaan meenemen, want soms is het hondenkakzakje – toch echt niet zo piepklein – al na slechts een paar honderd meter vol.
Wat dan weer een ander nadeel oplevert: je geraakt helemaal nergens meer! Veel minder stappen, veel minder afstand, terwijl het wandelen me daar net om te doen was.
Met stokken wandelen is ook geen optie meer, want dan heb ik mijn handen niet vrij om rommel op te rapen.

Toch zie ik naast alle voor de hand liggende voordelen waar ik het in mijn vorige blogje al over had, ook vandaag weer vrolijke neveneffecten opdoemen van de opruimwoede. Ik verzin verhalen bij de rommel die ik opraap:
Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet: de verpakkingen van een volledige Mc Donalds maaltijd, naast ettelijke blikjes drank, sigarettenpeuken en een condoom. Conclusie: zeer goed voorbereide date in de vrije natuur. Alleen het lege flesje glijmiddel kan ik niet rijmen: als je je zó niet kan inhouden van de goesting, er er niet aan kan weerstaan om de liefde te bedrijven in het bos, snap ik niet waarom zo’n hulpmiddel nog nodig is.
Tweede verhaal: een factuur in honderd natte snippers verscheurd en op een afstand van 25 meter minstens 25 sigarettenpeuken. Ervoor en erna geen enkele peuk. Een heel pakje sigaretten opgesmoord onder het ijsberen over financiële zorgen?
Verderop vind ik grote zilver en goud glanzende confettisnippers. Feestje in het bos? Iets te vieren? Het confetti-pad leidt naar 2 kroonkurken van bierflesjes. Bescheiden feestje.

Van sommige items kan ik geen chocola maken. Wat doet een lege eierdoos in het bos? Een lading uitgebroken siertegels? Of een tampon naast een hondendrol?
De mens, gij kunt daar niet aan uit.

Zwerfvuil

Ik snap wel waarom zwerfvuil oprapen een mens zo goed doet. Je bent in beweging (wandelen en veel bukken en reiken), je verlegt je aandacht weg van de eeuwig malende stemmetjes in je hoofd en richt je focus naar buiten, spiedend naar elk peukje, blikje of snoeppapiertje op je pad – heel mindful dus -, je doet een goede daad, en wordt daar instant voor beloond: de natuur knapt ervan op en jij krijgt een heerlijk shotje dopamine. En daar bovenop heb je je eigen medicijnkast aangevuld: door al dat bewegen krijgen je hersenen een lekkere serotonine-boost, het happy happy stofje dat samen met dopamine een heerlijk gevoel van gelukzaligheid geeft. 

Kijk, dit hierboven is mijn oogst van vanochtend. Behalve de obligate peuken en papieren zakdoekjes scoorde ik zeven kroonkurken, één stoffen zakdoek, één schoenzool en één auto-spatlap.

Dus als iedereen nou voortaan een zakje plus handschoen in zijn broekzak, rugzak of handtas steekt (tip: hondenkakzakjes zijn hiervoor uitermate geschikt want voor veel meer te gebruiken dan enkel hondenkak), is er geen enkele reden meer om vanaf nu de rommel die je tegenkomt op je pad niet mee te nemen en jezelf te trakteren op een portie gratis geluk. Zo maken we samen de wereld een beetje mooier.

 

Bedtijd!

Om halfzeven rolde ik vanochtend mijn bed uit en een uur later ben ik compleet klaar voor de dag: gedouched en haren gewassen, voeten verzorgd, thee gedronken, twintig minuten gemediteerd, wat planking- en pilatesoefeningetjes gedaan en mijn dagboek bijgeschreven. Goed bezig, niet? Ja, ik zit in een opwaartse flow en dat is geheel en al te danken aan de nieuwe mantra die ik mezelf sinds het vorige crisisje heb opgelegd.

Het tij móest wel keren, nadat ik vorige week wéér maar eens na een veel te volle werkdag zappend en snoepend op de bank gecrasht was, compleet overprikkeld na elfendertig covid-telefoontjes. Pas om twee uur ’s nachts lukte het me om mezelf de bank uit te hijsen en naar bed te slepen. Vervolgens had ik drie dagen nodig om hier weer van te bekomen. Een vicieuze cirkel.
Dit nooit weer, bezwoer ik mezelf, waarna ik me bij het krieken van de ochtend plechtig voornam diezelfde avond wél op tijd naar bed te gaan. Opdat ik dat goede voornemen ook echt zou uitvoeren, mediteerde ik op een nieuwe mantra: ‘Vanavond ga ik op tijd naar bed’. Bij elke ademhaling herhaalde ik deze zin, en ook de hele rest van de dag bleef ik mezelf eraan herinneren. ‘Vanavond ga ik op tijd naar bed’.
Het lukte nog ook.
En de avond daarop ook.
En die daarop ook.

Wat een wonderlijk effect! Als vanzelf begon ik weer gezonder te eten (vooral minder), kon ik het snoepen beter laten, mediteerde ik vaker en hernam mijn ochtendoefeningetjes. Wandelen en fietsen was ik altijd al blijven doen, maar conditie alleen is niet genoeg, ook spierkracht vraagt onderhoud.

Ik heb altijd gedacht dat mediteren het alfa en omega was voor een goed leven: als je maar genoeg mediteerde, kwam alles vanzelf goed. Boy, was I wrong. Slapen blijkt het ultieme wondermiddel.

Dat ik daar nooit bij stil had gestaan, komt omdat ik het zo vanzelfsprekend vond. Ik ben altijd een goeie slaper geweest, en maakte me er niet druk over dat ik geregeld te laat in bed kroop of soms een halve nacht doorhaalde.
Maar nu ik deze mantra doorheen de dag geregeld in mezelf herhaal en ook in de praktijk breng, verandert alles ten goede. Het is net alsof met genoeg slaap ook alle andere elementen van mentale gezondheid een boost krijgen: energie, beter eten, beter bewegen, vaker mediteren. Van het één komt het ander en dat versterkt elkaar in een opwaartse spiraal. Uitgerust blijkt het een stuk minder lastig om gezonde keuzes te maken. Het kost minder wilskracht, drijft veel minder op een gevoel van ‘moeten’, om de dingen te doen die ik graag wil doen of laten omdat ze goed voor me zijn.

Mindfulness het alfa en omega van een goed leven? Welnee, het is nog veel simpeler dan dat: slapen blijkt voor mij het geheime ingrediënt in de cocktail van een gezond en gelukkig leven. En zoals zo vaak is ook dit een geval van één plus één is drie: slaap en meditatie hebben een gunstige invloed op elkaar.
Leven is vallen en opstaan. Ik kan dat allebei heel goed. Ik was weer gevallen en ben weer opgestaan. Ik zal nog oneindig vaak vallen en oneindig vaker opstaan. Geen enkel probleem.
Want vanavond ga ik op tijd naar bed. 

Kunst als medicijn

In mijn slechtste momenten ben ik een jaloerse misantroop. In mijn beste momenten een oneindig luisterende, empatische, steunende hulpverlener die soms tegen de stroom in tot het einde knokt voor haar patiënten.
De meeste dingen in het leven doe ik het liefst alleen, de lockdown was mijn favoriete seizoen – en versta mij goed, dan heb ik het níet over iedereen die daar zwaar onder geleden heeft of aan gestorven is! – en toch koos ik voor een drukke job waarin mijn kluizenaarsziel geregeld het noorden verliest.

Gelukkig zijn er kunstenaars om deze uitersten te verzoenen. Koen Van Mechelen is er zo één. In zijn Labiomista-speeltuin in Zwartberg, volg ik de kronkelroute doorheen de voormalige zoo tot mijn oog op een tekst valt die zegt dat in de paradox de essentie van de mens schuilt. Of iets in die trant. Ik zal terug naar Labiomista moeten want ik heb er geen foto van gemaakt zie ik nu ik dit stukje schrijf. Een goede reden om terug te gaan.

Afgelopen woensdag had ik een dosis kunst nodig om te bekomen van het Covid-werk dat onze praktijk overspoelt. We hadden combi-tickets voor de expo ‘Wonderful things’ van Tim Walker in C-mine in Genk en Labiomista in Zwartberg. Zonder een greintje fut of animo – het gevolg van veel te veel Covid-werk – trokken we erheen in de indian summer die het land teistert.
Maar al snel bleek dat de tickets die ik maanden geleden geboekt had in tempore non suspecto precies waren wat ik nodig had.
Tim Walkers’ fantasie veegt de onrust in mijn hoofd schoon met de beelden die hij uit zijn camera tovert.
Meer nog dan zijn beelden beroeren zijn woorden me: hoe hij poogt de magie te verklaren die hij met zijn camera op papier tovert, zo werkt voor mij een pen (of een toetsenbord natuurlijk): ‘De camera is een gemoedstoestand. Als je je chaotisch voelt zal het beeld die chaos weergeven. Als je je naargeestig voelt, dan zal het beeld dat ook zijn. Romantiek, mysterieus, ondeugd… de foto is een uiting van je innelijk. Je moet de camera je volledige waarheid gunnen, anders werkt het niet.’
Of nog: ‘Volgens mij is de essentie van fotografie dat je er mensen mee beroert. Dat is waarom we ervan houden – omdat het ons raakt.’
Vervang in deze zinnen camera door ‘pen’ en fotografie door ‘schrijven’ en wonder boven wonder verschijnt daar de magie op papier.

Als vanzelf gebeurt er wat er altijd gebeurt als kunstenaars mijn creativiteit wekken uit de ingedutte sluimerstand die een teveel aan werk veroorzaakt heeft: ik zet me op het eerste beste bankje dat ik in de exporuimte aantref neer en begin te schrijven.
Om van de Covid-drukte in de praktijk te bekomen had ik geen snoep/TV/allenigheid nodig. Kunst was woensdag het medicijn. Kunst.
Als ik vervolgens beelden zie van auto’s met bedden op het dak, tenten opgezet in een bibliotheek, van het iconische zen-beeld van ‘de grote golf van Kanagawa’ en een geheel in het roze geverfde poedelnaakte Beth Ditto, voel ik me helemaal thuis in de wereld van Tim Walker.
Hij laat zijn fantasie de vrije loop, misschien moet ik de mijne ook maar eens serieus gaan nemen.
Dat lukt maar moeizaam zolang mijn werk me blijft opslokken. Maar zo leeg als Covid ons zuigt, zo voedzaam vult kunst dat tekort weer aan. Het kon me niet meer deren dat het veel te warm was, dat de wandeling tussen C-mine en Labiomista langs een vreselijke steenweg liep en bepaald niet het ontspannende tochtje werd dat ik voor ogen had, dat ik ongesteld werd en mijn inlegkruisje helemaal opfrommelde in mijn slip omdat het door de warmte en het zweten niet meer bleef plakken.
Kunst had me weer gered.

De cynische paradox hier is dat de aanpak van de Covid-crisis stilaan de kunstensector dood wurgt.
Hopelijk weten kunstenaars ook deze uitersten te verzoenen, ik heb vertrouwen in hun kracht en creativiteit.

Gelukkig is er de natuur

De man die vandaag 15000 stappen heeft gezet om te checken of alle pony’s het wel stelden, die pony’s zelf die zo schattig enkel nog met hun hoofd boven het hoge gras uitstaken en de man die me nog joviaal een Gageleer superior dark uitschonk ondanks dat de bar al tien minuten gesloten was, hebben me vandaag uitzonderlijk gelukkig gestemd.
Ik bracht een paar uurtjes door in natuurgebied de Liereman en het biertje na de wandeling smaakte als een engeltje dat op mijn tong piste. Nu weet ik niet hoe engeltjespis smaakt gelukkig, maar een Gageleertje kan er altijd in.

Gelukkig is er de natuur! Ik ben de slogan de laatste tijd al een paar keer tegengekomen, en elke keer als ik hem lees, besef ik: dat is een waarheid als een koe. Ik was altijd al graag buiten, maar na de lockdown en de gekke Covid-zomer waarin we de Oostkantons ontdekten heb ik de natuur nog veel meer leren appreciëren. Méér dan appreciëren zelfs: ik ervaar nu hoe levensnoodzakelijk die is.
Na zo’n heerlijke wandeling en innig dankbaar voor een – voor zover ik weet tenminste – gezond lichaam dat me zonder morren stap na stap laat zetten, smaakt die Gageleer echt hemels. Omdat de bar van het bezoekerscentrum gesloten is, is het terras ondertussen leeg. Ook dat is zalig.

De vrijwilligers zijn naar huis, de pony’s grazen ondertussen volhardend door. Op hen rust een zware taak: dat metershoge gras opruimen zodat de gageleer ertussen niet in de verdrukking komt. Als we het dan toch over essentiële beroepen hebben, dan krijgen die pony’s en de man die elke dag komt checken of het goed met ze gaat wat mij betreft een eervolle vermelding. Cheers.

Barrière

De vrouw achter het loket heeft roodbehuilde ogen. Achter haar mondmasker snikt ze heimelijk nog wat na. Ik zie dat ze haar halsspieren aanspant om haar ademhaling onder controle te krijgen.
Ik kom mijn nieuwe identiteitskaart ophalen. Mijn vragende blik beantwoordt ze hulpeloos met een nauweljks waarneembaar schouderophalen. Het plexiglas en de mondmaskers tussen ons in zitten toenadering en menselijkheid in de weg.
Ze steekt mijn nieuwe kaart in het toestelletje en vraagt me achtereenvolgens de codes in te toetsen die ik met de post toegestuurd heb gekregen. Ik typ, zij tuurt op haar computer. Alles bij elkaar duurt het nog geen drie minuten. Dan zijn we klaar.

Ik kom net van een nachtdienst, het gemeentehuis ligt daar pal tegenover. Ik ben naadloos van de ene rol naar de andere gewandeld.
Vannacht toen ik naar de wachtpost fietste was de nacht prachtig. Ik had de avond  doorgebracht op de bank, Breaking Bad bingend met mijn zoon. Tot halverwege het laatste seizoen zijn we deze zomer geraakt, de rest zal voor de kerstvakantie zijn. Hij vertrekt terug naar zijn geliefde Zweden voor de start van het nieuwe academiejaar. Terwijl ik me klaarmaak voor mijn nachtdienst, pakt hij zijn laatste spullen in en gaat slapen. Ik stap op de fiets en rij de zachte nacht in. Buiten is het muisstil. De wereld voelt weer even als in de eerste dagen van de lockdown. Mijn zintuigen maken een sprongetje van plezier bij deze feestelijke herkenning. Helder verlicht de maan de nachtelijke hemel. Daaronder schuift hangt als een kaduuk vangnet een wolkendek vol gaten. Er gaat geen enkele dreiging van uit.
Bijna bij de wachtpost aangekomen valt mijn oog op de lichtreclame in de etalage van een vage zaak: ‘Let’s see how far we can go’.
Grinnikend bedenk ik dat dat een mooie slogan is om de nacht in te gaan.
De eerste uren van de nacht blijft het rustig. Ik kan niet slapen, de kamertjes zijn akelig benauwd en bedrukt. In die kelderachtige ruimtes ontbreekt elk spoortje natuurlijk licht en zuurstof. Ik stort me dan maar op het maken van een afspeellijst met de muziek die de broertjes Tim en Fred Williams op hun YouTube kanaal ‘TwinsthenewTrend’ draaien. Zalige muziek. Zoals altijd word ik er helemaal vrolijk van. Voor ik het weet zijn we twee en een half uur verder. Natuurlijk kan ik daarna helemaal niet meer slapen.
Ik help een man verder die teveel slaappillen heeft genomen omdat hij kapot is van zijn echtscheiding, een vrouw die in alle vroegte uitgleed in de douche en haar schouder uit de kom heeft en knuffel mijn zoon nog eens ten afscheid als hij een tussenstop bij de wachtpost maakt voor hij op de trein stapt. Tot Skypes, lieve schat! Tot met kerst!
Niet veel later stuurt hij al een eerste berichtje vanop de trein: ‘Zeg, dat is echt super chill hier in eerste klas. Krantje, koffietje en kei goeie stoelen!’ Voor hem geen vliegtuigen meer.
Dan zit de wachtdienst erop en kan ik een half uurtje later naar mijn afspraak in het gemeentehuis. Waar ik nu voor deze vrouw zit met de roodbehuilde ogen.
De hele nacht heb ik mensen geholpen maar voor haar kan ik niks doen.

Zacht zeg ik ‘sterkte vandaag’ en maak een knuffelgebaar. Kon ik maar even een hand op haar arm leggen of haar even over haar rug wrijven.
Let’s see how far we can go.
Met mondmaskers en plexiglazen tussen ons?
Niet ver, zo blijkt. 

Simplify op hakken

Al heb ik ze alweer een hele zomer lang niet gedragen, die stoere hippe hakkensandalen, toch lukt het me maar niet om er afscheid van te nemen. Keer op keer overleven ze de grote najaarsschoonmaak van mijn kleren- en schoenenkast. Hetzelfde gebeurt elk jaar opnieuw met de robuuste AF Vandevorst laarzen die ik zowel in rood als in zwart bezit. De eerste afgedragen, de laatste nog zo goed als nieuw.
Ik ben aan het opruimen voor de toekomst. Voor mijn simpeler leven in de Eifel.
Ik heb daar geen hakken voor nodig. Wandelschoenen, dát heeft een mens daar nodig. Van wandel-, fiets-, regen-, slaap- en huiskleding ben ik ruimschoots voorzien, en dat zal ik ginder goed kunnen gebruiken. Want het leven zal daar zo simpel zijn dat het uit niet meer bestaat dan wandelen, schrijven, lezen, eten, vrijen en slapen.
Dus ruim ik op. Ik heb veel te veel spullen en tegen dat de Eifeldroom ooit uitkomt – het zal nog niet voor de eerste vijf jaar zijn schat ik zo – moeten onze bezittingen drastisch teruggebracht worden tot een overzichtelijk hoopje bare essentials.
Dat is een oefening op zich. Ik zal mijn Marie Kondo opruim-vakliteratuur er nog eens bij moeten halen, want de theorie van het rillinkje van plezier dat je moet voelen voor je iets mag houden, is wat naar de achtergrond gezakt.
Net als diëten elke dag opnieuw beginnen is, en mediteren ook, zo gaat het ook met dat opruimen: eens in de zoveel tijd ga ik met de grove borstel door mijn spullen, breng zakken vol naar de kringloopwinkel, koop een hele tijd niets meer, en dan sluipt het er weer langzaam in: dat leuke shortje, dat T-shirt dat perfect past op het jeansrokje en oh ja, ook wat blote topjes nodig want wat hebben we het warm gehad deze zomer.
Voor je het weet zit je weer in het straatje van nóg nóg nóg.
Maar ik wil minderen. Pas als de kast zo goed als leeg is, herinner ik me weer hoe blij ik word van opgeruimde kasten. Precies in dit spanningsveld beweeg ik me al mijn hele leven: ik prop het te vol en verlang dan weer naar leegte.
De Eifeldroom ligt zoals gezegd zeker nog een jaar of vijf à tien in de toekomst, maar hij geeft me nu al zoveel energie. Een mooi doel om naartoe te leven. En van opruimen word ik vrolijk. Ondertussen kom ik op adem in kleine stukjes Eifel die ik inbouw in de dagelijkse drukte: op vrije dagen pak ik de fiets en wandel in verstrooide Kempense lapjes patchworknatuur. Op een vlondertje aan een stil vennetje in Winkelsbroek drink ik vandaag een kopje koffie en schrijf een blogje. Zo laad ik mijn batterijen op en kan ik blijven dromen.
En die paar hakken, laarzen en Paul Smith jurk waar ik maar geen afscheid van kan nemen? Ach, die mogen mee. ‘Dat pakt niet veel plaats in’, zoals mijn man als excuus gebruikt bij werkelijk alles wat eigenlijk de deur uit moet, en wie weet, misschien sta ik daar ooit nog in te blinken bij een boekpresentatie. Je weet maar nooit waar zo’n simpel leven toe kan leiden.

fat bottomed girls

De namiddag ging geruisloos over in de avond en ik ben in de weekendkrant niet verder geraakt dan pagina zes. Ik strandde bij de column van Marc Coenen. Hij begon met Psalm 51 en flaneerde via zomerhit ‘Jerusalema’ naar de geestige TikTok dansjes daarop om te eindigen bij de broertjes Tim en Fred Williams die in hun YouTube kanaal luisteren naar nummers die ze toegestuurd krijgen van fans en dan hun reactie filmen terwijl ze die nummers voor het eerst horen.
En daar ging het mis. Ik checkte dat kanaal en man – ik krijg al de neiging om er overal een ‘bro’ tussen te gooien, de broertjes zijn zo besmettelijk – daar ging de rest van de middag. Van het ene geweldige Queens-nummer ging het naar Phil Collins’ megahit ‘In the air tonight’ naar de fantastische Nina Simone met ‘Feeling Good‘. Ik bleef maar luisteren en genieten.
De broertjes zijn aanstekelijk, maar het was vooral zalig om al die geweldige muziek nog eens te horen. Man man man, wat knapt een mens daarvan op.
Luister en geniet.
Zorg dat je aan al dat meeknikken op het ritme morgen geen stijve nek overhoudt, en die krant, die komt later wel.
Fat bottomed girls, you make the rocking world go round!

vriendschapsverzoek

Oh dierbaar België, uw Vlaamsche Ardennen zijn schoon, maar uw Oostkantons zijn nog veel schoner. Ik heb er een weekje gewandeld en ben er als een blok voor gevallen.
Wandelen en fietsen in de Vlaamse Ardennen in onze eerste vakantieweek was heerlijk, maar het lapjesdeken van prachtige stukken natuur werd er steeds onderbroken door Vlaanderen op zijn lelijkst: steenwegen, lintbebouwing, elke Vlaming met een baksteen in zijn maag die er zijn eigen droomhuis mag neerpoten, hoe hard dat ook vloekt met het stulpje van de buurman. Een rommelige indruk.
In de Eifelstreek waar we gewandeld hebben, was er van steenwegen en lintbebouwing geen sprake. Alles oogde even proper en verzorgd. Kilometers hebben we gestapt in een loden hitte tussen de velden en de heuvels.
En zo hebben we deze vakantie ons eigen landje toch weer iets beter leren kennen, al was het buitenland nooit ver: taalgrenzen voelen als landgrenzen, en eens je daarover wipt, voel je je echt in het buitenland. Het Grote Routepad dat we voor een stuk volgden in de Oostkantons, leidde ons zelfs heel eventjes Duitsland in. Toch een beetje buitenland dan deze zomer.

De impulsieve week Oostkantons kwam er om twee redenen:
1. het camperbusje dat we in Nederland gehuurd hadden, kon niet doorgaan wegens de geadviseerde twee weken quarantaine na het minste bezoekje in Nederland. Die luxe kan ik me niet permitteren, het werk wacht.
2. Schrijver Marnix Peeters had me nieuwsgierig gemaakt naar zijn thuisbasis waarvan hij in zijn heerlijke columns in De Morgen nooit nalaat de verrukkelijkheden te roemen. Hij heeft er trouwens ook een reeks over gemaakt voor Iedereen Beroemd.
Op Facebook ben ik al jaren bevriend met Marnix – hij accepteerde ooit laconiek een vrijpostig vriendschapsverzoek van mij – en door zijn columns heb ik het gevoel dat ik de man ken. Dus trok ik mijn stoute schoenen aan en stuurde hem een berichtje wat neerkwam op de vraag: ‘mogen wij eens langskomen nu we toch in de buurt zijn?’
(Ik had mijn verzoek natuurlijk veel uitgebreider geformuleerd en bepleit, onder andere met dit argument: het eerste boek dat ik van je las was De dag dat ze Andy zijn arm afzaagden en mijn schoonbroer heet Andy! (en zaagt af en toe een arm af want hij is orthopedist’.) Ik had er zelf smakelijk om moeten lachen bij het teruglezen van mijn bericht – waarin dankzij de dwaze spellingscorrector helaas nog taalfouten geslopen waren, hetgeen mij bijzonder spijtte aangezien het communicatie met een echte schrijver betrof. Maar gelukkig mocht dat de pret niet drukken want net zoals hij jaren geleden zonder verpinken mijn vriendschapsverzoek accepteerde, kwam ook op deze vraag een allerhartelijkst antwoord: ‘Martine, wat mij betreft: graag!’

Met armen vol zonnebloemen en flessen bier stonden we de volgende dag op de stoep. En wat een fijne ontmoeting was me dat. Een paar uur lang hebben we met hem en zijn vrouw gebabbeld en gedronken en verhalen uitgewisseld alsof we elkaar al jaren kenden. Met glans doorstond een digitale Facebookvriendschap de toets van het ware leven.
Later die avond, terug in ons hotel in Burg Reuland, heb ik lang na zitten genieten op het terras bij de bar. Een bar zonder muziek, hier moet ik zijn!

Terug in Vlaanderen na vijf dagen Oostkantons en de ontmoeting met deze twee geweldige mensen die zo radicaal hebben durven kiezen voor rust en eenvoud, voel ik me als Bent Van Looy na zijn eerste dakoptreden in de lockdown: ‘er waren meer dan drie mensen aanwezig en ik was meteen totaal overprikkeld’.

Oh dierbaar België, uw Vlaamse Ardennen zijn schoon, maar uw Oostkantons hebben mijn hart gestolen. Schoonheid en stilte, café’s zonder muziek, indrukwekkende natuur en aangename gesprekken met buitengewone mensen terwijl het bier rijkelijk vloeit. Ik denk dat ik blijf.