Viersterrendienst

Ik heb er net een 12-uursdienst op zitten en fiets met een blij gevoel naar huis. Dat euforische momentje waarop je de deuren van de wachtpost uitloopt, de ochtendlucht proeft, je longen vol zuurstof zuigt, op de fiets stapt en plots een overweldigend gevoel van vrijheid ervaart terwijl een zacht briesje door je haren strijkt.

Het was een lange dienst op de huisartsenwachtpost. Samen met chauffeur Wendy had ik visitedienst en we hebben weer goed werk verricht. Leuke dingen meegemaakt (weerzien met een oude vriendin in het dorp van mijn jeugd), heftige dingen (agressieve man in de politiecel moeten bezoeken, hij was gelukkig uitgeraasd) en the usual stuff (koorts, pijn, ongerustheid). Huisartsenwerk.

Niets dan voordelen aan deze langere diensten. Goed gewerkt en lekker geslapen. Het opgemaakte bedje stond al klaar en er lagen schone handdoeken gereed (nee, ik heb geen gebruik gemaakt van de douche en de handdoeken). En assistente Titia kwam me nog even vragen hoe laat ik gewekt wilde worden voor ik onder de lakens kroop. Alleen het glaasje versgeperste jus ontbrak eraan, en ik moest op mijn tong bijten om niet te zeggen dat ik het eitje bij mijn ontbijt het liefst ‘sunny side up’ wilde hebben.

Hier in Vlaanderen zijn de diensten heel anders dan die ik vroeger in Tilburg deed: als ik daar de zaterdagavond dienst had, begon die al om kwart voor vijf, zodat ik het gevoel had dat mijn weekend zaterdagmiddag al om was. Rond een uur of drie nog snel onder de douche en mijn tas inpakken, en dan met hangende schoudertjes naar de post, waar de mensen gegarandeerd alweer met de benen buiten hingen en ik tot bijna middernacht in hoog tempo consulten draaide met het gevoel aan de lopende band te staan. Vervolgens ruim na middernacht uitgeknepen thuiskomen waar ik zo moe was dat ik niet vóór twee uur in mijn bed raakte. Decompressie heeft tijd nodig. Maar dat was dan weer niet bevorderlijk om de zondag aan te vatten: met een katergevoel stond ik op en zo was ook half mijn zondag al ingepikt.

Nee, dan dit: zolang de menselijke maat nog een beetje mag meespelen, blijkt een 12-uursdienst dus minder ingrijpend dan een 7-uursdienst. Is dat niet vreemd? Die menselijke maat miste ik in Tilburg heel erg. Zoals dat vreemde verbod op een uiltje knappen tijdens een nachtdienst. Zijn dokters dan geen mensen die na een hele dag plus nacht werken behoefte hebben aan rust? Geregeld ben ik op de terugrit naar huis aan de kant gaan staan om even de ogen te sluiten. Soms was ik een gevaar op de weg, dat kan ik niet ontkennen.

Alle gekheid op een stokje: ontbijt is niet inbegrepen. Heerlijk wel dat ik op deze manier gewoon nog een heel weekend heb: mijn dienst gaat pas zaterdagavond om 20 uur in en omdat ik een paar uurtjes heb liggen pitten, hoef ik de zondag ook niet brak op de bank door te brengen. Ik heb gewerkt én ik heb lekker weekend kunnen houden. Dat weekend had nog een extra bonus in petto: het was alweer zo’n schitterende zomerdag, we zouden het bijna normaal gaan vinden.

Op deze manier nachtdienst doen? I could get used to it. Of: als het dan toch moet, dan maar liever zo.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Het verre familielid

Hij was zo aardig, zo vasthoudend, zo overtuigend. Ik kende hem al jaren als een vriendelijke eenzaat. Zelfs de koningin had hij geschreven over zijn doodswens. Ze schreef niet terug en hij bleef met zijn doodswens voortleven.

Af en toe zag ik hem op het spreekuur. Dan meldde hij tussen neus en lippen door dat hij nog steeds dood wilde, en dan antwoordde ik zoals altijd vriendelijk maar kordaat dat ik begrip had voor zijn wens, maar dat ik hem niet kon helpen omdat hij niet aan de criteria voldeed. We hadden ons eigen vaste scenario ontwikkeld, en elk contact werd met dit rituele dialoogje afgesloten. Waarna we in goede verstandhouding weer afscheid namen.

En toen kreeg hij kanker. Nog inoperabel ook en de specialist kon zich vinden in zijn besluit om zich niet te laten behandelen gezien het stadium van de tumor.

Triomfantelijk meldde hij zich weer op mijn spreekuur.

‘En nu, dokter?’ Hij vond het een lot uit de loterij en ik gunde hem dat lot graag.

Zo gezegd, zo gedaan. We handelden in alle sereniteit de nodige formaliteiten af en zouden op een vrijdag overgaan tot de euthanasie.

‘Maar ik wil er niemand bij’, bezwoer hij me, ‘ik wil sterven zoals ik heb geleefd: alleen.’

Zo aardig, zo vasthoudend, zo overtuigend dat ik met hem mee ging in dat verzoek. Hij regelde een ver familielid dat half en half op de hoogte werd gebracht: wél dat hij terminaal ziek was en het niet meer al te lang zou maken en of het verre familielid dan bereid was alles na zijn dood verder af te handelen. Dat wilde het verre familielid wel, maar níet dat het een dood op bestelling was, en dat de datum al gepland stond.

Het werd vrijdag. Naam en telefoonnummer van het verre familielid lagen klaar op de salontafel, naast alle belangrijke paperassen, netjes gerangschikt. Mijnheer lag in bed, in vredige afwachting van zijn spuit.

Ik wenste hem een goede reis, spoot de spuiten leeg en zachtjes ging hij heen. Waarna ik een paar keer diep ademhaalde, hem een aaitje over zijn wang gaf, en de telefoon nam om het verre familielid te bellen. Er werd niet opgenomen. Sterker nog: het nummer klopte niet. Daar zat ik nu met een lijk. Maar zoals dat gaat met leven en dood: uiteindelijk kwam alles goed, en heb ik op de harde manier een stevige les geleerd.

Vele jaren later vroeg een patiënte om euthanasie. We praten over de uitvoering en het door haar aangedragen scenario. ‘Wie wil je erbij hebben?’, vraag ik.

‘Niemand. Helemaal niemand. Ik wil alleen gaan,’ zegt ze beslist.

Alleen? Over mijn lijk.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Wondermedicijn

Bart, de arts-assistent gynaecologie, snottert zich van handdoekautomaat naar handdoekautomaat terwijl hij me rondleidt over de afdeling waar ik de volgende vier maanden zo’n beetje zal wonen. Ik ben vierentwintig, zit in mijn zesde jaar geneeskunde en doe mijn stages gynaecologie-verloskunde-pediatrie in het Sint-Jozef ziekenhuis in Turnhout (B).

Maar ik ben moe. Nog moe van de afgelopen drie maanden in Geel waar ik chirurgiestage deed, moe van de lange dagen en de onderbroken nachten, moe van de vele wachtdiensten en moe van de winter. Vele dagen gaan voorbij zonder dat ik daglicht zie of buitenlucht proef. Ik slijt mijn dagen in ziekenhuisgangen en -kamers. En het zal alleen maar erger worden: in Turnhout heb ik één wacht op twee. Per 48 uur heb ik er twaalf voor mezelf. Als het er al zoveel zijn.

Daarmee ben ik een makkelijke prooi voor virussen en ander ongerief. Dus sjok ik snotterend achter assistent Bart aan en ruk al even gretig papier uit de dipensers om mijn neus toeterend in leeg te snuiten. Bart houdt er – alle gesnotter en gesnuif ten spijt – flink de pas in. Hij is van het imponerende soort: zijn alwetendheid verlamt mij als bleu coassistentje behoorlijk en dan is hij nog razend knap ook.

De afstand tussen ons is onoverbrugbaar, zo lijkt het. Tot ons wederzijds gesnotter eindelijk het ijs breekt: na de tiende zakdoek kunnen we niet langer de schijn ophouden en doen alsof dit allemaal normaal is. We kunnen er niet níets over zeggen. Ik capituleer als eerste en merk op: ‘zodra ik straks thuis ben, ga ik meteen mijn wondermedicijn nemen’.

‘Ja, ik ook’, zegt Bart.

Nu word ik nieuwsgierig, maar ik durf niet bekennen aan zo’n man van de harde wetenschap dat ik een homeopathisch middel gebruik. Mijn moeder voert me al mijn leven lang Echinaforce-druppeltjes bij elke verkoudheid.

‘Oh ja? Wat neem jij dan?’, vraag ik.

‘Echinaforce van Dokter Vogel’, antwoordt hij stellig.

Waarna we beiden in de lach schieten en weer een zakdoek vol snuiten.

Ach, zoals gezegd, we waren nog jong en wisten nog niet veel.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Zware overtreding

‘Feiten gebeurd op 12 september 2000 om 18.36 uur te Mol-Rauw. Betrokkene kwam gereden uit de richting Postel met het voertuig Volvo 460 met nummerplaat KVA106. Gekomen aan de verkeerslichten aan het kruispunt met de Kiezelweg, gebruikte betrokkene de voorsorteringsstrook om linksaf te slaan en draaide linksaf richting Lommel en negeerde hierbij de rode verkeerslichten.

De bestuurders welke zich op de voorsorteringsstrook om rechtdoor te rijden bevonden, stonden op het moment van de overtreding reeds stil voor de rode lichten.’

Even samenvatten wat hier staat in dat ambtelijke taalgebruik van het proces-verbaal uit 2000 dat me 5600 Belgische Franken armer maakte: ja, ik sloeg linksaf door een rood licht terwijl de persoon voor mij stilstond.

Ik had een excuus. Dat probeerde ik de procureur des Konings ook te vertellen in mijn antwoord op PV nummer TU.94.57.200662/00. Bij vraag 13, ‘Verklaring in verband met de verkeersinbreuk’, noteerde ik:

a. Erkent u de overtreding? Ja

b. Heeft u eventueel opmerkingen? Ja

Indien ja, gelieve deze op de achterzijde van dit formulier te schrijven.

Ik draai het blad om en lees verder.

‘Ik had nachtdienst gehad in de nacht van 11 op 12 september 2000. Dat betekent dus: maandag gewerkt, avond- en nachtdienst aansluitend en dinsdag weer hele dag gewerkt. Tja, en dan zeven maanden zwanger zijnde, heb ik een domme inschattingsfout gemaakt: ik dacht dat de wagen voor mij aan het vertrekken was en plots trapte die bruusk op de rem. Ik was al aan de manoeuvre begonnen en kon niet meer corrigeren. Ik neem aan dat u hieraan geen enkele boodschap heeft, maar wou dit toch even kwijt. Vriendelijke groet, Martine Schrage.’

Een pen als toverstokje? De politie paaien met een stukje? What was I thinking?

Zwanger en nachtdiensten, het kan gevaarlijk wezen.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Je moet mij vertrouwen

Er was eens een wijze zenmeester. Bij wijze van ochtendgymnastiek rende hij elke ochtend een rondje om zijn eigen ego. Elke ochtend moest hij halverwege bekaf opgeven en het hele stuk weer terug rennen. Er was geen rondkomen aan.

Deze quote ging niet over hem, maar zo’n zenmeester heb ik gekend. Ik ging bij hem in de leer op het moment dat mijn leven wat over de rand liep en ik niet zo goed wist waar te beginnen met hozen. Al meteen in het eerste gesprek stelde hij me gerust: als ik nou maar braaf twee keer per dag bleef mediteren, zou alles vanzelf helemaal goed komen. Werkdruk, snoepdrang en andere ongemakken zouden verdwijnen als sneeuw voor de zon. Dat drukte hij mij zo stellig op het hart dat ik hem klakkeloos geloofde en met een glimlach een fortuin betaalde voor elk gekoesterd coachingsuur.

Waar houdt een groot ego op en begint de narcist? Op het moment dat iemand zijn eigen wijsheid 200 euro per uur waard acht?

Ik sneerde weleens terug: ‘Jij manipuleert mij!’ als hij mij onder druk zette om een sesshin te volgen of mij haast tot huilen bracht net voor ik een hele zaal met dokters moest toespreken.

Dan snoerde hij mij de mond met de dooddoener: ‘Je praat weer vanuit je onderbewuste.’

Mijn onderbewuste bleek in die tijd wijzer dan ikzelf.

Hij verweet me een gebrek aan gevoeligheid voor sociale codes. Ik was de spreekwoordelijke olifant in de porseleinkast. Auw, die deed pijn.

Gelukkig bleef ik wel mediteren, zodat ik er mijn eigen lessen uit kon trekken. Al waren dat vaak andere lessen bij dan hij bedoeld had. Pas na bijna twee jaar kwam ik tot het besef dat ik écht gemanipuleerd werd, dat er een ranzig randje van geestelijk misbruik in onze leraar-leerlingrelatie geslopen was. Snel wegwezen was de boodschap. Dat deed ik dan ook. Door scha en schande weer wat ouder en wijzer geworden.

Ik heb geen enkele spijt van deze periode. Ik heb er ontzettend veel van geleerd. Ook leerde ik dat iedereen – ja, ook ik, die altijd dacht zo sterk te zijn – vatbaar is voor misbruik. Ik voel nu haarfijn aan als iemand dat pad op gaat en narcisten ruik ik op een kilometer afstand.

Nog een plus: ik heb veel meer begrip voor vrouwen – het zijn nog altijd zelden mannen – die misbruik hebben meegemaakt. Veel patiënten hebben dergelijke verhalen. Dan luister ik. ‘Er zijn’ in plaats van ‘het willen oplossen’. Ik heb veel meer vertrouwen in de eigen kracht van mensen. De kracht en de bereidheid om te blijven kijken, om alles onder ogen te zien, terwijl je jezelf geruststelt: ‘Het is oké. Wat het ook is, ik kan het hebben.’ Zo groeit vertrouwen.

Met die bereidheid om te blijven kijken, geef je het toeval de kans: de kans om iets te ontdekken, op iets te stuiten dat je niet gezien of verwacht had. Zoals ik ontdekte dat ik gemanipuleerd werd. En daaruit de kracht putte om heel hard weg te rennen van deze zenmeester. Om er een veel zachtere te ontmoeten. Wiens rode draad steeds is: vertrouwen kan niet zonder mildheid.

Edel Maex, psychiater en mindfulnessleraar, zegt letterlijk dit: ‘Vertrouwen is niet afdwingbaar. Als iemand je zegt: “Je moet mij vertrouwen!” zet dan al je stekels op en loop zo hard weg als je kunt.’

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Vlaamse les

Wachten op je doktersafspraak doe je hier in de wachtzaal, de spreekkamer heet het kabinet en het spreekuur noemen we de raadpleging.

Een consult is hier een consultatie, de voorgeschiedenis heet antecedenten en als iemand zich beroerd voelt, noteert de dokter ‘algemeen onwel’. Je kunt ook ‘algemeen wel’ zijn, dan heb je de dokter niet nodig. Tenzij je in een zorgcentrum verblijft (bejaardentehuis) en dan komt de dokter je toch elke maand bezoeken. Ook als je dus algemeen wel bent en er geen specifieke hulpvraag is.

De patiënt betaalt ‘opleg’ in plaats van remgeld en wij doen huisbezoeken in plaats van visites.

Als we dienst hebben, zijn we ‘van wacht’. We hebben ‘wachtposten’ waar jullie huisartsenposten hebben en als de patiënt ziek thuis blijft, heeft hij een ‘briefke voor het werk’ nodig van ‘mijnheer doktoor’. Een arbeidsongeschiktheidsattest dus in net Algemeen Nederlands.

Die heerlijke kleurrijke taal van het Vlaamse huisartsenjargon, de Nederlanders lusten er wel pap van. Nog veel kleurrijker zijn de ziektes die we hier hebben.

Laatst op een feest met Belgische dokters, hadden mijn Vlaams-Nederlandse collega en ik de grootste lol. We verkneukelden ons over de de locale non-diagnoses die hier floreren.
Verlegenheidsdiagnoses heb je natuurlijk overal, maar hier zijn ze toch wel heel creatief. We hebben Cryptotetanie en Mycoplasma-luchtweginfecties.

Het is dan ook uitermate belangrijk om ‘bloed te trekken’ als je een Mycoplasma vermoedt, zodat je met een kuur Biclar kan starten, want enkel dat helpt. Ja, dat heeft de firma van Biclar goed voor elkaar. We lachen ons een kriek. In onze respectievelijke huisartsenpraktijken in Nederland, ging het nooit over dat beest.

Tien kilometer verderop, de grens over, bestaat ook Cryptotetanie niet. Maar hier hebben we er zelfs een test voor die het onomstotelijk kan bewijzen: als je spieren bij de cryptotetanietest – die uitgevoerd wordt bij de specialist fysische geneeskunde – sneller verkrampen dan normaal, ben je de pineut. Want die Cryptotetanie-diagnose sleur je de rest van je leven mee, net zoals dat gaat met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en Fibromyalgie. Die hier overigens ook welig tieren.

Hier is ook veel Hemochromatose, net als in Tilburg een veel grotere incidentie is van Familiale Hypercholesterolaemie. Dat dan weer wel.

Het is zo verhelderend en relativerend om met een beetje afstand te kijken naar de gektes die we allemaal kennen en zo normaal lijken. De eigen cultuurtjes, gewoontes en dus ook ziektes. Rare jongens, die Belgen.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Downside up

Dirk krijgt zijn cappuccino geserveerd met een welgemeend ‘ik ben blij dat je er bent’. Het meisje aan de koffiebar luistert aandachtig naar zijn verhalen over de reis die Dirk onlangs in Zuidoost-Amerika gemaakt heeft: ik hoor Louisiana en Mississippi waaien, de details kan ik niet verstaan.

Zonet meldde een van de medewerkers van de koffiebar zich ziek. Toen het meisje dat telefoontje afsloot, kreeg de zieke ook een vriendelijke wens mee: ‘Zorg goed voor jezelf en word maar snel weer beter.’

Het meisje gaat rustig door met haar werk, en als Dirk weggaat, zingt ze hem zelfs na: ‘Dirk, als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.’

Ik ben ook blij dat ik er ben. Met haar vrolijke begroeting heeft ze Dirk én mij blij gemaakt.
Ik lees verder in het krantenartikel waarover ik gebogen zit. Een sprankeltje lichter dan voorheen.

Van dit in de gauwte neergekrabbelde conversatietje was ik een paar jaar geleden getuige in koffiebar Prins Heerlijk in Tilburg, die mensen met een beperking tewerk stelt. Vervolgens bleef het krabbeltje liggen en het gesprekje in mijn hoofd spoken. Het had me ontroerd, ik wilde erover schrijven, en toch kwam dat er maar niet van. Ik kon er de vinger niet op leggen waaróm het me geraakt had. Tot nu dus.

De sleutel werd me aangereikt door de kortfilm Downside up die ik onlangs zag, van regisseur Peter Ghesquière. De film heeft al een hele weg langs festivals afgelegd en op elk daarvan een prijs of prijsje gewonnen. Net als de werknemers in Prins Heerlijk hebben alle acteurs in deze film een beperking. Hun downsyndroom is de norm in de wereld waarin ze leven. Tot er plots een baby geboren wordt met een ernstige afwijking: hij is ‘normaal’. De baby groeit uit tot een normaal mens, met alle problemen van dien. Hij wordt doodongelukkig omdat hij als enige zo afwijkend is. Hoe het verder gaat met hem, dat kan je aankomend weekend zelf ontdekken. De Vlaamse zender Canvas zendt de kortfilm uit op zaterdag 2 december om 22.15 uur.

Door de film begreep ik waarom ik zo ontroerd was door het gesprekje in de koffiebar: de soms zo grappige en onbeholpen vriendelijkheid van de werknemers in de koffiebar deed iets met mij en met Dirk. De Prinsjes maken de mensen om hen heen zachter: ineens mag alles een versnelling lager. Als een klant zijn koffie komt afrekenen bij de jongen met downsyndroom achter de bar, is het langzame tellen en zoeken naar wisselgeld geen trigger om geïrriteerd en opgefokt te gaan doen, maar juist een moment van slowing down.

Mensen met een beperking zijn belangrijk in onze maatschappij. Want wat ze met mij doen, doen ze met iedereen: ze maken ons een beetje zachter. Ze wijzen ons – totaal onbedoeld en onberekenend, zonder eigenbelang of verborgen agenda – op onze eigen beperkingen. Het is feedback van de meest oprechte soort.

En dat is hard nodig in deze gladgeshopte Facebook-maatschappij. De mensen die eruit dreigen te vallen, mógen er niet uit vallen. Wij hebben hen net zo hard nodig als zij ons.

Ze horen midden in onze samenleving. Midden in ons hart.

Niet voor niets is het thema in de scoutsgroep van mijn dochter dit jaar ‘allemaal abnormaal’.

Want zeg nu eerlijk, hoe normaal ben je zelf?

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

In blijde verwachting

Ik vulde de overlijdenspapieren in, kruiste het vakje ‘natuurlijk overlijden’ aan, nodigde geen gemeentelijk lijkschouwer aan het sterfbed die vervolgens geen telefoontje pleegde met de officier van justitie. Ik condoleerde de familie van de zojuist aan een overdosis barbituraten overleden man en daarmee was de euthanasiekous af.

Aan het water zit ik te bekomen van mijn veertiende euthanasie. De eerste in België. Het valt niet tegen. Het is half november, de zon schijnt, en ik zit op het terras van brasserie Beaux bateaux met een rosé voor me. De boten wiegen zachtjes, de ingeklapte parasols flapperen heftig in de felle wind, maar ik zit beschut achter glas en heb een dikke jas aan. De rosé heeft mij ook een beetje aan het wiegen gebracht.

De glazen afrastering van het terras beschermt me tegen de wind en in dat verder onzichtbare glas weerspiegelt zich het ronde raam van het restaurant. Alsof er in het glas voor me een uitsnijding is waardoor ik de wereld in kijk. Na een euthanasie ben ik inderdaad altijd een beetje van de wereld. Nee, dat is niet precies genoeg uitgedrukt: is sta een beetje buiten de wereld, buiten de alledaagse eeuwig voortrazende drukte van de dag. De dood drukt altijd even op de pauzeknop.

Bekomen van euthanasie. Het blijft een indrukwekkende belevenis. De moed van het oude baasje om het genoeg te vinden en de kinderen om hem heen. Hij zei nog dat de samen verorberde kip curry van vanmiddag erg lekker was. Erg lekker. Jammer alleen dat hij vannacht geen lepel had gevonden toen hij de koekjespudding had willen proeven. Aan de lopende band maakt hij grapjes, ik heb hem in geen tijden zo opgewekt gezien.

‘Ik ben in blijde verwachting’, zei hij gisteren nog, toen ik peilde hoe hij zich voelde in het licht van de naderende euthanasie. En vandaag was er zelfs ongeduld, toen ik vroeg of hij er toch echt mee wilde doorgaan: ‘Hoe vaak ga je me dat nu nog vragen?’

Maar waar ik het eigenlijk over wil hebben, is de grote afstand tussen België en Nederland. Zo dichtbij en zo verschillend. Wat hier gebruikelijk is, daarvoor had ik me in Nederland voor de euthanasiecommissie mogen komen verantwoorden.
Hier voeren we de euthanasie uit met enkel barbituraten. Niemand die daarna nog een spierverslapper gebruikt, en ook in de richtlijnen wordt het slechts zijdelings vermeld. Het mag, als je dat wil, maar niemand die het dus doet blijkbaar. Over het vooraf langzaam inspuiten van lidocaïne wordt met geen woord gerept – doet het hier geen pijn dan? – en ook over het meenemen van een reserveset doen de richtlijnen er in alle landstalen het zwijgen toe.

Aan SCEN-consultaties doen we hier ook niet, de tweede arts die zich komt vergewissen van de situatie, is gewoon mijn collega uit de praktijk.

Ik blijf me verwonderen. En toch, toch voelt het helemaal juist. Maken we het in Nederland niet veel te moeilijk? Ik was blij dat ik eerst een tijd heb kunnen bekomen van de heftige toestanden toen ik bij Levenseindekliniek euthanasiearts was en soms enorme bergen weerstand moest overwinnen voor een mens met een zeer invoelbare euthanasiewens mocht inslapen. Dat was het andere uiterste.

Het voelt ook nu helemaal juist. En wederom stond voor mij vast: euthanasie hoort thuis bij de eigen huisarts.

Enfin, het was een goede zachte snelle dood op deze zonnige vrijdagmiddag en straks begint de avondraadpleging. Het leven drukt weer op de aanknop.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Dokter Schrage is blind!

Dolle pret was het, die twee jaar dat ik militair huisarts speelde in de – even diep ademhalen – Generaal Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot. We maakten van alles mee en hadden de grootste lol. Zieke mensen zag ik amper, maar ik leerde alles over soa’s, zag er voor het eerst platjes kruipen, en kreeg jonge gezonde kerels op het spreekuur met vragen als: ‘Dokter, nou had mijn vriendin vanochtend keelpijn. Kan ik dat nu ook krijgen?’

Verder zag ik een triest publiek van uitgerangeerde vijftigplussers die hun leven hadden gegeven voor defensie en nu op een zijspoor werden gezet. Te oud. Heftige depressies heb ik er gezien. Het raakte me diep.

Maar ook een ijselijk gillende doktersassistente die boven op haar stoel klom omdat er een spin uit een doos kroop.

We hadden koffiepauzes van een halfuur en een zeldzame spectaculaire redding: een jonge kerel wiens broekspijp tussen de draaiende toren van een tank raakte en die zo een heup ontwrichtte. Akelig.

Gelukkig werkte ik ook twee dagdelen in een gewone huisartsenpraktijk in het dorp. Kwestie van genoeg gevarieerde pathologie te zien. Toen was ik verkocht; ik bleef uiteindelijk twintig jaar in de Nederlandse huisartsenzorg werken.

Wat er natuurlijk ook bij hoorde als militair, was de ‘PU’ – alles maar dan ook werkelijk alles wordt afgekort bij defensie – de Persoonlijke Uitrusting dus. Een militair zonder fatsoenlijke uitrusting is als een vogel voor de kat, nietwaar?

Bij die uitgebreide PU, hoorde ook een speciale bril. Om onder je gasmasker te dragen, want een gewone bril past daar vaak niet onder, en aan lenzen heb je niet veel in het veld.

Dus werd er ook voor mij zo’n militaire bril besteld. Mét camouflageprint op het dunne montuur, wat dacht je?

Alle militairen die zo’n bril nodig hebben, kunnen hem afhalen op het secretariaat van het gezondheidscentrum op de kazerne, daar komen dagelijks pakketjes van die bestelde brillen aan. Zo ook mijn bril. Een dikke plus vijf, mét astigmatismecorrectie.

De doktersassistente maakte het pakketje open en viste routinematig het briefje uit de envelop om te kijken welke naam bij deze bril hoorde. Toen zakte haar mond open. ‘Dokter Schrage is blind!’ riep ze uit over de hele gang.

Nou dat viel nog wel mee gelukkig, ik zag genoeg om snel weg te wezen voor ik mijn vak zou verleren. De koningin bedankte me in de eervolle ontslagbrief nog ‘voor de goede diensten haar den lande bewezen’.

Geen dank, het is graag gedaan.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Nachtdienst in Vlaanderen

De eerste keer dat ik dienst heb op de wachtpost van de Vlaamse stad waar ik nu werk, schrik ik me rot.

Mijn dienst begint om acht uur ’s avonds, een kwartiertje voor tijd kom ik binnen. De wachtzaal zit afgeladen vol. Mensen komen hier gewoon naartoe zonder afspraak, dus zien ze meteen hoe de vlag erbij hangt. Wie vervolgens beslist om te blijven, zit gelaten de wachttijd uit. Met of zonder jengelend kind op schoot. Meestal met.

Ik spuug eens in mijn handen – bij wijze van spreken dan – en vlieg erin. In hoog tempo zien de andere consultarts en ik het ene banaal zieke kind na het andere. Ook wat andere zaken, maar toch vooral kinderen. Om halftwee ’s nachts – snel staand aan het aanrecht een boterham naar binnen gewerkt – is de wachtkamer eindelijk leeg en slaak ik een zucht van verlichting. Snel zoek ik mijn bedje op. Elke arts heeft hier een eigen slaapkamertje; op de gang is een gemeenschappelijke douche.

Om halfvier gaat mijn telefoon. De secretaresse meldt: ‘Dokter, er is nog een kindje met oorpijn in de wachtkamer. Komt u kijken?’
Ik haal moeder en kind uit de wachtkamer. ‘Vertel eens, wat is er aan de hand?’ Moeder vertvertelt dat haar zoontje van 3 zojuist huilend wakker is geworden van oorpijn. Overdag was er nog niets aan de hand geweest. Ze heeft hem een paracetamol gegeven en nu zit het kind rustig op schoot en kijkt wakker rond. De pijn is over. Ik onderzoek het jongetje en vind niets anders dan een rood trommelvlies links.

Moeder maakt vrolijk grapjes en kietelt haar kind. Niks geen overbezorgde moeder, lijkt me. Het jongetje is haar tweede kind, ze weet wat ze moet doen bij oorpijn. Waarom komt ze dan ’s nachts naar de post?

‘Wat doet u voor werk?’ vraag ik.

‘Ik ben verpleegkundige op de kinderafdeling van een ziekenhuis hier in de buurt’, antwoordt ze.

Ik val bijna van mijn stoel.

Te perplex om door te vragen, achtervolgt me sindsdien de vraag waarom hier zoveel mensen met hun, sinds een paar uur of hooguit halve dag, zieke kind naar de huisarts komen. Ik denk dat de achterliggende gedachte is: een goede ouder gaat met zijn zieke kind naar de dokter. De enige andere reden die ik kan verzinnen, is het briefje dat nodig is voor de crèche of voor de ouder om thuis te mogen blijven. Zonder briefjes en attesten valt België gegarandeerd uit elkaar.
Het is allang niet meer zo dat iedere ouder per se een antibioticumkuur wenst, er is duidelijk evolutie geweest in vergelijking met mijn start hier vijfentwintig jaar geleden. Maar dat er nog werk aan de winkel is, dat is me wel duidelijk na deze nachtdienst.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)