plat bovenstuk

Ik wou, ik wou, ik wou… dat er nog een gieter was.
In het stoombad stel ik in mijn hoofd al een briefje op voor in de ideeënbus: ‘Beste zwembadbeheerder, de gieter om de stoomcabines schoon te spoelen is heel vaak in gebruik: mensen nemen hem mee in hun cabine en houden hem daar tot ze klaar zijn. Een tweede gieter aanschaffen zou heel welkom zijn.’

Ik stap uit het stoomhok en daar staat ‘ie al: een tweede gieter. Een groene. Pront naast de enige blauwe gieter die er altijd al was.
Zo werkt dat dus naar het schijnt: je vraagt ‘het universum’ iets, en je krijgt wat je wilt.
Hoe ik dat met alle andere wensen in mijn leven ook voor elkaar moet zien te krijgen, heb ik nog niet uitgepuzzeld, maar in het zwembad kwamen mijn wensen behoorlijk uit:
– die tweede gieter dus
– de schoolslag-baan was te druk bezet en prompt werd het bordje ‘crawl’ vervangen door ‘schoolslag’. Meteen plek zat. (ik kan ook gewoon eindelijk eens leren crawl zwemmen natuurlijk)
– in de sauna was er plek om lekker languit te liggen
– er was niemand en in de douches zodat ik ongegeneerd een paar keer mijn bikini-bovenstuk plat kon drukken om al het water uit de mousse vorm te krijgen. (nee, dat dient niet voor de vulling, ik heb genoeg van mezelf. Voor de vorm daarentegen kan ik na drie zwangerschappen, een kleine drie jaar borstvoeding en 51 jaar aan onverbiddelijke zwaartekracht wel wat hulp gebruiken.)
Het fijne is: als al het water uit die bikini is, hou ik nog wat handdoek over waar ik de rest van mijn lijf mee kan afdrogen. Anders druipt dat ding al net zo hard als die moussekes en valt er niets meer af te drogen.

Kortom, het zat me allemaal heel erg mee. Ik weet niet wat ik gedaan heb om zoveel cadeautjes van ‘het universum’ te krijgen. Wellicht gewoon ‘meegetrild met de juiste vibraties’, haha.
(ik zet er maar even ‘haha’ bij voordat jullie allemaal gaan denken dat ik dit echt geloof)

Ik denk dat ik nog even ga zwemmen. Benieuwd wat het universum vandaag voor me in petto heeft. Aan mijn getril zal het niet liggen. Ik wou, ik wou, ik wou… dat ik een plat bovenstuk had.

daar doen we dus een doekje over

Vanochtend bedacht ik dat ik best een steentje kan bijdragen aan het hoofddoekendebat. Een beetje vers bloed kan immers nooit kwaad. En dat was nu precies waar het mij om ging: bloed.

Dat bedacht ik op de fiets. Een schitterend, fel winterzonnetje scheen op mijn gezicht, maar de vrieskou beet me in de neus, zowat het enige onbedekte plekje huid waar de zon bij kon. Daar begon ik over na te denken: heerlijk dat zonnetje, goed voor mijn vitamine-D-voorraad, maar veel zou dat waarschijnlijk niet zijn, nu de zon zo ver van de aarde staat. Ik ging met mijn gedachten naar mijn zoon in Zweden waar iedereen in deze tijd van het jaar gewoon extra vitamine D blijkt te slikken. En ik dacht aan de raadpleging gisterenavond waar een allochtone vrouw met een enorm laag vitamine-D-niveau bleek te zitten en aan het adresje waar ik na die avondraadpleging nog even langs fietste: een andere allochtone vrouw met een heel lage vitamine-D-spiegel die haar recept daarvoor nooit was komen ophalen. Ik stopte het in de brievenbus en reed naar huis.

Op de fiets kwamen die gedachten allemaal samen en kwam mijn Eureka-moment: ik heb het gevonden! Voortaan gaan de allochtone vrouwen zonder hoofddoek door het leven. Daaronder zie ik namelijk vaak de weelderigste bossen haar, golvende, lange donkere lokken in dikke vlechten opgerold en ingesnoerd. Zonde van al die pracht en weelde om dat zo te verstoppen. 

En wacht nog even met oordelen over deze flauwe, voor de hand liggende oplossing, want here comes the good part, het Eureka-idee, het moment waarop de zon en het fietsen al mijn creativiteit in volle glorie deden losbarsten: voortaan gaan de mannen de hoofddoek dragen!

Ja! Want naast al die gesluierde vrouwen met te weinig vitamine D, zie ik ook een hoop ijdeltuiterige mannen die zich zorgen maken over hun terugwijkende haargrens en uitdunnende haardos waar hun schedel doorheen komt glimmen. Daar doen we dus een doekje over, ook dat probleem opgelost.

Tja, ik ben geen filosoof en al zeker geen godsdienstwetenschapper. Gewoon een huisarts, pragmaticus tegen wil en dank.
(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medisch contact)

zelfbeeld

‘Are these people violent?’ vraagt de Dalai Lama aan de groep Westerlingen die hem het probleem van mensen met een laag zelfbeeld probeert uit te leggen. Hij doet oprecht zijn best om het te begrijpen.
‘Gaat dat over zwaar gestoorde mensen?’ De Dalai Lama snapt er niks van. Het probleem van ‘low self-esteem’ kent hij totaal niet. Een dagelijks probleem in de Westerse wereld, blijkt bij Tibetanen gewoon niet te bestaan. Haast verbouwereerd moet de Dalai Lama vaststellen: ‘Ik dacht een expert te zijn van de menselijke geest, maar dat een dergelijk probleem kon bestaan, dat was me volkomen ontgaan’.

Laag zelfwaarde gevoel. Soms heb ik er ook last van. Al hangt het van de situatie af en gaat het gemiddeld genomen goed. Als ik gewoon mijn gangetje kan gaan, lekker bezig met werk, gezin, schrijven, fietsen, dan vind ik mezelf dik oké. Dan kan ik goed met mezelf door één deur, en moet ik zelfs een beetje lachen met dat pittige eigengereide meisje dat ik eigenlijk nog steeds ben. Zie ze daar voor de rode brievenbus staan naast de mosgroene Golf – keicoole bak volgens mijn zoon met aanleg voor nostalgie en esthetiek – met haar korte koppie en haar eigenwijze zelfverzekerde lachje.
Dat meisje ging gewoon haar weg, en omdat ze dat zo heerlijk ongecompliceerd deed, werd haar geen strobreed in de weg gelegd.
Eigenlijk ben ik nog altijd zo. Alleen vergeet ik dat soms. Ik heb het terug moeten leren, om mezelf een beetje graag te zien. Ik denk dat we het allemaal verleren als we onze jeugdige onschuld verliezen en ons gaan schikken naar de verwachtingen van de mensen en de maatschappij om ons heen. Tot we onszelf een keer keihard tegenkomen en dan beseffen: we moeten onszelf terug graag leren zien. Oké zijn met onszelf. Goed genoeg zoals we zijn. Stoppen met pleasen – hoe hardnekkig die drang ook aanwezig blijft.
Sindsdien begroet ik dat grappige meisje elke ochtend met een blije glimlach. Ze hangt op de badkamerspiegel, dus ik kan haar niet missen.
Het helpt. Ik ben gelukkig met het leven dat ze gekozen heeft en hoe dat leven tot nu toe gelopen is. Ja, ik kan oprecht zeggen dat ik gelukkig ben.

Gek genoeg hangt het zelfbeeld af van de situatie. Hoe blij en dankbaar ik door mijn leven kan fietsen, op feesten komt die andere kant van mij boven: ik ben niet goed genoeg, ik kan niet mee, of op zijn oma’s: ‘wat zullen de mensen wel denken’? Ik verword dan tot een zielig klagerig ruimte-innemend persoon, en wie het slachtoffer uithangt vraagt om klappen. Zo gaat dat op de speelplaats, zo gaat het in de samenleving en zo gaat het met mij op feestjes. Die klappen krijg ik dan ook veelvuldig. In de vorm van vriendelijk bedoelde steekjes onder water, betuttelende adviezen of onverbloemde meewarigheid. En stekelige grapjes over mijn groot ego, haha, iedereen lachen – grapjes zijn natuurlijk alleen maar leuk als er een grond van waarheid in zit. Dat helpt je zelfbeeld echt vooruit. Zodoende flink bevestigd in dat ‘niet goed genoeg zijn, ik bak er niks van’ is mijn zelfbeeld geslonken tot een miezerige dweil op de keldervloer en duurt het weer een tijdje voor het daarvan rechtgekrabbeld is.
De speelplaats waar ego’s gedijen ten koste van het zwakste elementje.

Ik ben een rare, en zal dat altijd een beetje blijven. Pech om niet bij de meerderheid te horen, de meerderheid die houdt van feestjes, kletsen, hoe meer zielen hoe meer vreugd. En omdat de meerderheid zo is, is dat de norm in het sociale leven. We willen wanhopig aan de norm voldoen en even wanhopig willen we vooral trouw blijven aan onszelf. Allemaal in spagaat. We willen horen bij het leukste groepje van de speelplaats maar moeten daar zien te geraken met alle mogelijkheden en beperkingen die ons gegeven zijn.

Misschien is het tijd om die rarigheid van mij voluit te omarmen. Stoppen met aan de norm te willen voldoen want daarvan word ik een vervelend mens. En dat moet ik mezelf niet meer willen aandoen en ook een ander niet. Want die hebben echt last van mij als ik het toch probeer. Ja ik ben een rare. En alleen ik mag dat zeggen, jij niet. Zo werkt dat. Maar behalve raar ben ik ook een pittige, eigengereide, zelfstandige, bijzondere, moedige, doorzettende troela die vrolijk haar eigen pad bewandelt. En zich daar steeds minder voor excuseert. Het heeft namelijk geen enkele zin. Je bent wie je bent, en dat is goed genoeg. Met pleasen mogen we onderhand wel ophouden na ons vijftigste, de tijd van puberen is gedaan (had ik dat toen maar gedaan, ik denk altijd dat dat veel beter was geweest). Wie weet word ik wel net zo eigenwijs als mijn vader, dat belooft. Hou je vast aan de takken van de bomen.