Bedtijd!

Om halfzeven rolde ik vanochtend mijn bed uit en een uur later ben ik compleet klaar voor de dag: gedouched en haren gewassen, voeten verzorgd, thee gedronken, twintig minuten gemediteerd, wat planking- en pilatesoefeningetjes gedaan en mijn dagboek bijgeschreven. Goed bezig, niet? Ja, ik zit in een opwaartse flow en dat is geheel en al te danken aan de nieuwe mantra die ik mezelf sinds het vorige crisisje heb opgelegd.

Het tij móest wel keren, nadat ik vorige week wéér maar eens na een veel te volle werkdag zappend en snoepend op de bank gecrasht was, compleet overprikkeld na elfendertig covid-telefoontjes. Pas om twee uur ’s nachts lukte het me om mezelf de bank uit te hijsen en naar bed te slepen. Vervolgens had ik drie dagen nodig om hier weer van te bekomen. Een vicieuze cirkel.
Dit nooit weer, bezwoer ik mezelf, waarna ik me bij het krieken van de ochtend plechtig voornam diezelfde avond wél op tijd naar bed te gaan. Opdat ik dat goede voornemen ook echt zou uitvoeren, mediteerde ik op een nieuwe mantra: ‘Vanavond ga ik op tijd naar bed’. Bij elke ademhaling herhaalde ik deze zin, en ook de hele rest van de dag bleef ik mezelf eraan herinneren. ‘Vanavond ga ik op tijd naar bed’.
Het lukte nog ook.
En de avond daarop ook.
En die daarop ook.

Wat een wonderlijk effect! Als vanzelf begon ik weer gezonder te eten (vooral minder), kon ik het snoepen beter laten, mediteerde ik vaker en hernam mijn ochtendoefeningetjes. Wandelen en fietsen was ik altijd al blijven doen, maar conditie alleen is niet genoeg, ook spierkracht vraagt onderhoud.

Ik heb altijd gedacht dat mediteren het alfa en omega was voor een goed leven: als je maar genoeg mediteerde, kwam alles vanzelf goed. Boy, was I wrong. Slapen blijkt het ultieme wondermiddel.

Dat ik daar nooit bij stil had gestaan, komt omdat ik het zo vanzelfsprekend vond. Ik ben altijd een goeie slaper geweest, en maakte me er niet druk over dat ik geregeld te laat in bed kroop of soms een halve nacht doorhaalde.
Maar nu ik deze mantra doorheen de dag geregeld in mezelf herhaal en ook in de praktijk breng, verandert alles ten goede. Het is net alsof met genoeg slaap ook alle andere elementen van mentale gezondheid een boost krijgen: energie, beter eten, beter bewegen, vaker mediteren. Van het één komt het ander en dat versterkt elkaar in een opwaartse spiraal. Uitgerust blijkt het een stuk minder lastig om gezonde keuzes te maken. Het kost minder wilskracht, drijft veel minder op een gevoel van ‘moeten’, om de dingen te doen die ik graag wil doen of laten omdat ze goed voor me zijn.

Mindfulness het alfa en omega van een goed leven? Welnee, het is nog veel simpeler dan dat: slapen blijkt voor mij het geheime ingrediënt in de cocktail van een gezond en gelukkig leven. En zoals zo vaak is ook dit een geval van één plus één is drie: slaap en meditatie hebben een gunstige invloed op elkaar.
Leven is vallen en opstaan. Ik kan dat allebei heel goed. Ik was weer gevallen en ben weer opgestaan. Ik zal nog oneindig vaak vallen en oneindig vaker opstaan. Geen enkel probleem.
Want vanavond ga ik op tijd naar bed. 

Kunst als medicijn

In mijn slechtste momenten ben ik een jaloerse misantroop. In mijn beste momenten een oneindig luisterende, empatische, steunende hulpverlener die soms tegen de stroom in tot het einde knokt voor haar patiënten.
De meeste dingen in het leven doe ik het liefst alleen, de lockdown was mijn favoriete seizoen – en versta mij goed, dan heb ik het níet over iedereen die daar zwaar onder geleden heeft of aan gestorven is! – en toch koos ik voor een drukke job waarin mijn kluizenaarsziel geregeld het noorden verliest.

Gelukkig zijn er kunstenaars om deze uitersten te verzoenen. Koen Van Mechelen is er zo één. In zijn Labiomista-speeltuin in Zwartberg, volg ik de kronkelroute doorheen de voormalige zoo tot mijn oog op een tekst valt die zegt dat in de paradox de essentie van de mens schuilt. Of iets in die trant. Ik zal terug naar Labiomista moeten want ik heb er geen foto van gemaakt zie ik nu ik dit stukje schrijf. Een goede reden om terug te gaan.

Afgelopen woensdag had ik een dosis kunst nodig om te bekomen van het Covid-werk dat onze praktijk overspoelt. We hadden combi-tickets voor de expo ‘Wonderful things’ van Tim Walker in C-mine in Genk en Labiomista in Zwartberg. Zonder een greintje fut of animo – het gevolg van veel te veel Covid-werk – trokken we erheen in de indian summer die het land teistert.
Maar al snel bleek dat de tickets die ik maanden geleden geboekt had in tempore non suspecto precies waren wat ik nodig had.
Tim Walkers’ fantasie veegt de onrust in mijn hoofd schoon met de beelden die hij uit zijn camera tovert.
Meer nog dan zijn beelden beroeren zijn woorden me: hoe hij poogt de magie te verklaren die hij met zijn camera op papier tovert, zo werkt voor mij een pen (of een toetsenbord natuurlijk): ‘De camera is een gemoedstoestand. Als je je chaotisch voelt zal het beeld die chaos weergeven. Als je je naargeestig voelt, dan zal het beeld dat ook zijn. Romantiek, mysterieus, ondeugd… de foto is een uiting van je innelijk. Je moet de camera je volledige waarheid gunnen, anders werkt het niet.’
Of nog: ‘Volgens mij is de essentie van fotografie dat je er mensen mee beroert. Dat is waarom we ervan houden – omdat het ons raakt.’
Vervang in deze zinnen camera door ‘pen’ en fotografie door ‘schrijven’ en wonder boven wonder verschijnt daar de magie op papier.

Als vanzelf gebeurt er wat er altijd gebeurt als kunstenaars mijn creativiteit wekken uit de ingedutte sluimerstand die een teveel aan werk veroorzaakt heeft: ik zet me op het eerste beste bankje dat ik in de exporuimte aantref neer en begin te schrijven.
Om van de Covid-drukte in de praktijk te bekomen had ik geen snoep/TV/allenigheid nodig. Kunst was woensdag het medicijn. Kunst.
Als ik vervolgens beelden zie van auto’s met bedden op het dak, tenten opgezet in een bibliotheek, van het iconische zen-beeld van ‘de grote golf van Kanagawa’ en een geheel in het roze geverfde poedelnaakte Beth Ditto, voel ik me helemaal thuis in de wereld van Tim Walker.
Hij laat zijn fantasie de vrije loop, misschien moet ik de mijne ook maar eens serieus gaan nemen.
Dat lukt maar moeizaam zolang mijn werk me blijft opslokken. Maar zo leeg als Covid ons zuigt, zo voedzaam vult kunst dat tekort weer aan. Het kon me niet meer deren dat het veel te warm was, dat de wandeling tussen C-mine en Labiomista langs een vreselijke steenweg liep en bepaald niet het ontspannende tochtje werd dat ik voor ogen had, dat ik ongesteld werd en mijn inlegkruisje helemaal opfrommelde in mijn slip omdat het door de warmte en het zweten niet meer bleef plakken.
Kunst had me weer gered.

De cynische paradox hier is dat de aanpak van de Covid-crisis stilaan de kunstensector dood wurgt.
Hopelijk weten kunstenaars ook deze uitersten te verzoenen, ik heb vertrouwen in hun kracht en creativiteit.

Gelukkig is er de natuur

De man die vandaag 15000 stappen heeft gezet om te checken of alle pony’s het wel stelden, die pony’s zelf die zo schattig enkel nog met hun hoofd boven het hoge gras uitstaken en de man die me nog joviaal een Gageleer superior dark uitschonk ondanks dat de bar al tien minuten gesloten was, hebben me vandaag uitzonderlijk gelukkig gestemd.
Ik bracht een paar uurtjes door in natuurgebied de Liereman en het biertje na de wandeling smaakte als een engeltje dat op mijn tong piste. Nu weet ik niet hoe engeltjespis smaakt gelukkig, maar een Gageleertje kan er altijd in.

Gelukkig is er de natuur! Ik ben de slogan de laatste tijd al een paar keer tegengekomen, en elke keer als ik hem lees, besef ik: dat is een waarheid als een koe. Ik was altijd al graag buiten, maar na de lockdown en de gekke Covid-zomer waarin we de Oostkantons ontdekten heb ik de natuur nog veel meer leren appreciëren. Méér dan appreciëren zelfs: ik ervaar nu hoe levensnoodzakelijk die is.
Na zo’n heerlijke wandeling en innig dankbaar voor een – voor zover ik weet tenminste – gezond lichaam dat me zonder morren stap na stap laat zetten, smaakt die Gageleer echt hemels. Omdat de bar van het bezoekerscentrum gesloten is, is het terras ondertussen leeg. Ook dat is zalig.

De vrijwilligers zijn naar huis, de pony’s grazen ondertussen volhardend door. Op hen rust een zware taak: dat metershoge gras opruimen zodat de gageleer ertussen niet in de verdrukking komt. Als we het dan toch over essentiële beroepen hebben, dan krijgen die pony’s en de man die elke dag komt checken of het goed met ze gaat wat mij betreft een eervolle vermelding. Cheers.

Barrière

De vrouw achter het loket heeft roodbehuilde ogen. Achter haar mondmasker snikt ze heimelijk nog wat na. Ik zie dat ze haar halsspieren aanspant om haar ademhaling onder controle te krijgen.
Ik kom mijn nieuwe identiteitskaart ophalen. Mijn vragende blik beantwoordt ze hulpeloos met een nauweljks waarneembaar schouderophalen. Het plexiglas en de mondmaskers tussen ons in zitten toenadering en menselijkheid in de weg.
Ze steekt mijn nieuwe kaart in het toestelletje en vraagt me achtereenvolgens de codes in te toetsen die ik met de post toegestuurd heb gekregen. Ik typ, zij tuurt op haar computer. Alles bij elkaar duurt het nog geen drie minuten. Dan zijn we klaar.

Ik kom net van een nachtdienst, het gemeentehuis ligt daar pal tegenover. Ik ben naadloos van de ene rol naar de andere gewandeld.
Vannacht toen ik naar de wachtpost fietste was de nacht prachtig. Ik had de avond  doorgebracht op de bank, Breaking Bad bingend met mijn zoon. Tot halverwege het laatste seizoen zijn we deze zomer geraakt, de rest zal voor de kerstvakantie zijn. Hij vertrekt terug naar zijn geliefde Zweden voor de start van het nieuwe academiejaar. Terwijl ik me klaarmaak voor mijn nachtdienst, pakt hij zijn laatste spullen in en gaat slapen. Ik stap op de fiets en rij de zachte nacht in. Buiten is het muisstil. De wereld voelt weer even als in de eerste dagen van de lockdown. Mijn zintuigen maken een sprongetje van plezier bij deze feestelijke herkenning. Helder verlicht de maan de nachtelijke hemel. Daaronder schuift hangt als een kaduuk vangnet een wolkendek vol gaten. Er gaat geen enkele dreiging van uit.
Bijna bij de wachtpost aangekomen valt mijn oog op de lichtreclame in de etalage van een vage zaak: ‘Let’s see how far we can go’.
Grinnikend bedenk ik dat dat een mooie slogan is om de nacht in te gaan.
De eerste uren van de nacht blijft het rustig. Ik kan niet slapen, de kamertjes zijn akelig benauwd en bedrukt. In die kelderachtige ruimtes ontbreekt elk spoortje natuurlijk licht en zuurstof. Ik stort me dan maar op het maken van een afspeellijst met de muziek die de broertjes Tim en Fred Williams op hun YouTube kanaal ‘TwinsthenewTrend’ draaien. Zalige muziek. Zoals altijd word ik er helemaal vrolijk van. Voor ik het weet zijn we twee en een half uur verder. Natuurlijk kan ik daarna helemaal niet meer slapen.
Ik help een man verder die teveel slaappillen heeft genomen omdat hij kapot is van zijn echtscheiding, een vrouw die in alle vroegte uitgleed in de douche en haar schouder uit de kom heeft en knuffel mijn zoon nog eens ten afscheid als hij een tussenstop bij de wachtpost maakt voor hij op de trein stapt. Tot Skypes, lieve schat! Tot met kerst!
Niet veel later stuurt hij al een eerste berichtje vanop de trein: ‘Zeg, dat is echt super chill hier in eerste klas. Krantje, koffietje en kei goeie stoelen!’ Voor hem geen vliegtuigen meer.
Dan zit de wachtdienst erop en kan ik een half uurtje later naar mijn afspraak in het gemeentehuis. Waar ik nu voor deze vrouw zit met de roodbehuilde ogen.
De hele nacht heb ik mensen geholpen maar voor haar kan ik niks doen.

Zacht zeg ik ‘sterkte vandaag’ en maak een knuffelgebaar. Kon ik maar even een hand op haar arm leggen of haar even over haar rug wrijven.
Let’s see how far we can go.
Met mondmaskers en plexiglazen tussen ons?
Niet ver, zo blijkt.