Halfvol

Het wordt tijd om te beslissen wat voor iemand ik wil zijn: ben ik iemand voor wie het glas halfleeg of halfvol is?
Wat vond ik dat een prachtige vraag! Ze viel in mijn inbox en kwam van één van de cursisten toen we bijna halverwege de mindfulnesstraining waren, en als er oorwurmen bestaan in de vorm van vragen, dan nestelde deze zich daar heel diep voor de rest van de dag.
Een vraag als een gecomprimeerde leidraad voor het leven. Unzip it en een explosie aan levenswijsheid raakt je vol in de buik. 

Want wat zegt deze vraag over deze cursist? Dat ze de belangrijkste horde van mindfulness al genomen heeft: het besef dat je kunt stoppen en kijken. Dat iets niet waar of onwaar is, niet goed of slecht, niet mooi of lelijk, maar dat je afstand kan nemen, en ernaar kijken zonder er iets over te hoeven besluiten. Dat je de tijd kan nemen om de vraag te laten zijn. En erbij te blijven. Dat er geen oplossing hoeft te zijn. 

De vraag blijft door mijn hoofd zingen. Wat zegt deze vraag over mij? Natuurlijk wil ik iemand zijn voor wie het glas halfvol is. Op zijn minst! Alleen al het stellen van deze vraag, doet me anders kijken naar het moment waar ik in zit. Wat voor iemand ben ik? Ik ben iemand die naar een halfleeg glas zit te kijken en dan kan denken:  ‘Tiens, misschien is het glas wel halfvol, ik mag dat gewoon zelf beslissen’. Kijk maar: de zon schijnt, ik heb lekker gefietst, het is een zalige zondagochtend, ik heb de tijd aan mezelf, ik zit op het terras, lees wat krant, drink een koffie, een blogje plopt op, ik typ het uit… Ik ga nog moeten oppassen dat het glas niet overloopt.

Vanavond ben ik van wacht, de nacht zal rommelig en onderbroken zijn. Er zal vast een moment komen dat ik vermoeid zucht om een halfleeg glas. Maar dan zal ik beseffen dat ik de keuze heb: wat voor iemand wil ik zijn? Ben ik de persoon die een glas als halfvol of als halfleeg beschouwt?

to don’t list

Ze zou me voor de krijgsraad sleuren, de generaal die de ToDon’tList heeft uitgevonden. Ze heeft hem niet echt zelf uitgevonden, en ik ken haar naam niet, maar het verhaal daarover op de eerste pagina van het notablokje dat ik in de zevende boekenhemel van Theoria in Kortrijk kocht, gaat zo: ‘Op een keer werd een psycholoog uitgenodigd in het Pentagon om aan een groep generaals een workshop time- en middelenmanagement te geven. Bij de start van de workshop vroeg hij elk van hen om in 25 woorden op te schrijven welke strategie ze gebruikten voor time- en resourcesmanagement.
Daar liepen alle generaals meteen op stuk, behalve eentje: de enige vrouwelijke generaal in het gezelschap. Deze vrouw had gevochten in Irak en had alle rangen doorlopen op haar weg naar de top. Zij kwam met het volgende op de proppen: ‘Eerst maak ik een lijst met prioriteiten: één, twee, drie, enzovoort. Daarna streep ik alles onder de drie weg.’
Wat deze generaal eigenlijk deed, was haar to-do’s omzetten naar to-don’ts. Ze pikte er slechts drie to-do’s uit om af te werken. Alles onder die lijn werd simpelweg niet gedaan. Dat gaf haar meer tijd om die drie taken goed te doen.’

Het verhaal en het idee spraken me aan, dus kocht ik het ToDon’t boekje.
Maar het lukt me niet. Ik krijg het niet over mijn hart om alles onder het derde item af te scheuren. Dat lijstje is veel te kort voor alles wat ik op een dag moet doen. Correctie: voor alles wat ik op een dag wíl doen. Ik weet het, het ligt aan mij. De hele dag door ploppen er dingetjes op in mijn hoofd, zo van: o ja, dat moet ook nog gebeuren, niet vergeten, en daar moet ik nog aan denken, en dat moet ik nog doen en oh ja…

Dus werden het rommelige lijstjes waar ik kris-kras dingen bij- en tussen schreef, want de lijstjes hadden maar negen afvink-vakjes en daar kwam ik bijlange na niet mee toe. De lijstjes werden zo’n zootje dat ik maar weer over ging op het gebruik van gewone notablokjes. Het bleef dus wel een papieren aangelegenheid want fysieke to-do-lijstjes vind ik veel prettiger dan digitale. Wegstrepen met een pen geeft zoveel meer bevrediging dan deleten met een knopje.
Dus bleef het boekje liggen. 

Tot ik het onlangs customizede tot het perfecte to-do-lijstje voor mij: de negen vierkante afvink-hokjes waren niet alleen ruimschoots onvoldoende, ze stonden ook te ver uit elkaar. Dus wat doe ik tegenwoordig? Tussen elke twee vierkantjes, teken ik er één bij. In plaats van een 9-punten lijstje dat ik onder punt drie zou moeten afscheuren, heb ik zo een 17-punten-lijstjes. Daar past mijn dag al een stuk beter in. 

Toch krijg ik heus wel dingen gedaan en pas ik zelfs de drie-prioriteiten-strategie licht verdund toe: meestal kies ik voor de komende dag één klusje dat écht gedaan moet worden. Ik noem het de k-klus (ja van het drieletterwoord voor vagina), en omdat het een echte k-klus is, kom ik er aan het einde van de werkdag meestal achter dat ik die ene vervelende klus alweer voor me uit geschoven heb. 
Al ken ik alle trucen van de foor om ze wél gedaan te krijgen: de DERK-methode (Doe Eerst De Rotklus), de kikker-methode (Eat a Frog for breakfast*) en de Pomodoro-techniek (met de kookwekker). Alle dada’s van de productivity-freaks dus. Of de lifehackers. Of ander hip volk dat zich tokkelend op hun laptops alsof hun leven ervan afhangt in koffiebars verschanst en zich onledig houdt met het slurpen van lattes, terwijl de rest van de mensheid het echte werk wel zal doen.

De latte is op. Ik klap mijn laptop dicht en blijf mijn lijstjes overladen. Ik zal het wel nooit tot generaal schoppen. 

ToDont.co van BisPublishers

*Begin je dag met een levende kikker als ontbijt; deze metafoor voor de rotklus komt blijkbaar van Mark Twain: Eat a Live Frog Every Morning, and Nothing Worse Will Happen to You the Rest of the Day. … Mark Twain once said that if the first thing you do each morning is to eat a live frog, you can go through the day with the satisfaction of knowing that that is probably the worst thing that is going to happen to you all day long.
Bron: https://quoteinvestigator.com/2013/04/03/eat-frog/

niks speciaals

Het was maar Bretagne. Het was maar 700 kilometer ver, amper een dagreis. Het was maar een huisruil (dat wou ik al heel lang uitproberen en deze onzekere zomer bood daarvoor een uitgelezen kans: kunnen en willen alle kinderen nog wel mee? Herexamens? Nestvlieders die naar het buitenland trekken? Toch liever met lief of vrienden dan met papa en mama op vakantie?) en dus was het ook maar een vakantie-adres van nul euro. Met krakkemikkige wifi, krakende vloeren en milieubewuste ‘droge wc’s’. Wel had het huis de meest sensuele houten trap die ik ooit gevoeld heb onder mijn blote vakantievoeten.
Het was niet de andere kant van de wereld, eerder onze achtertuin.
Het was niet spectaculair, niet instawaardig, er viel niks indrukwekkends te posten op Facebook. Er was nul druk. Er hoefde eigenlijk helemaal niets.
Niets. 

Precies daardoor, waren de dagen in Bretagne van een onbestemd soort mistigheid die me blij stemt. Weer om niets te doen, zacht en windstil genoeg om buiten te zitten en uren aan een stuk te lezen. Soms eropuit te trekken en dan in de tuin bekomen van de veel te toeristische Mont St Michel en een indigestie van te dure mosselen daar. Een welhaast continu wit wolkentapijtje zorgde dat de zon niet echt doorkwam en de temperaturen zacht bleven zonder in overdrive te gaan. We hadden genoeg hittegolf gehad in de afgelopen maanden. Ideale omstandigheden om de 750 geniale bladzijden die Hanya Yanagihara geschreven heeft uit te lezen. De lees-opwarmertjes deze vakantie waren ‘Mijn jaar van rust en kalmte’ van Otessa Moshfeg en ‘Problemski hotel’ van Dimitri Verhulst. De geest stretchen en warmlopen voor het grote werk, die roman dus van Yanagihara: ’Een klein leven’. Een dikke pil waar ik buiten een vakantie niet eens aan moet beginnen. Maar nu was het genieten. Zo door kunnen lezen, een glas tintelende rosé erbij, wat valt er meer te verlangen?

Het was maar Bretagne.
Maar wat hebben we ervan genoeten. Van de groene kusten, het diepe aquamarijn van de zee rond de kliffen, de eindeloze wandelingen. De ijsjes van zoute caramel. De assiettes fruits de mer. Van Top Gun. Alweer. (Een jaarlijkse familietraditie: elk jaar herbekijken we die film met zijn allen, lippen we elk woord van de dialogen mee en draaien het volume op maximum als de F-16 motoren vuur spuwen op de tonen van ‘Highway to the danger zone’.)
Van samen marshmallows roosteren boven het kampvuurtje. Van koffie en baguettes. Van het ochtendlijke fietstochtje naar het Depôt de pain in Tréverien voor die baguettes.
Van de stille ochtenden op het beschutte zijterrasje waar ik uren zat met boek en koffie.
Van de eigenwijze kat Lili die bij het ruilhuis hoorde, van John de exotische vis, van de Romeo’s zoals mijn dochter de drie goudvissen gedoopt had en van Spencer, de hamster die zich zelden bij daglicht liet zien.
Van alle kinderen nog erbij te hebben – met aanhang zelfs dit jaar – en te zien tot wat een fijne mensen ze allemaal zijn uitgegroeid. Van het plezier dat die kinderen onder elkaar maakten. (Wees gerust, ze hebben ook uren liggen bingewatchen, het zijn hele gewone kinderen.)

Wat zou het mijn vader verheugd hebben als hij wist dat zijn dochter zo genoot van de streek waar hijzelf zijn kinderen in onze jeugd altijd mee naartoe nam.
Het was maar Bretagne. Het was niets speciaals. Maar wat was het bijzonder.

PS: Na 33 jaar leer ik nog steeds dingen bij over Top Gun: ‘Dat zijn F 14’s en geen F 16’s’, zegt mijn man bestraffend…. Weet ik veel…