een koe voor opa

Precies een jaar geleden waakten we aan opa’s sterfbed. Ik zeg opa, maar het is papa natuurlijk. Dat gebeurt er als je kinderen krijgt: de generaties schuiven een trapje op en je gaat je eigen vader opa noemen. Het perspectief van de kinderen krijgt de hoofdrol.
Van de week fietste ik op mijn rondje huisbezoeken nog langs de palliatieve afdeling waar hij de laatste week van zijn leven doorbracht. En wij met hem.

Wat is een goed sterfbed?
Die palliatieve afdeling was onbetwistbaar onze redding, hoe vreemd dat misschien klinkt. Na de goed bedoelde maar ontoereikende zorg op de afdeling van het algemene ziekenhuis – palliatie is een vak apart en vooral ook een heel andere setting dan een algemene afdeling kan bieden – was dit een kantelpunt in hoe wij die laatste dagen en weken beleefden. Ineens konden we ons vol overgave wijden aan waken en rouwen.
En lachen en praten en zorgen en slapen en zwemmen. Dagen vol zon, familie, bezoek. Een bedrijvige zwerm rond de meestentijds slapende man die na een korte verzetsperiode – ‘hoe kan dit nou zomaar? Nou ga ik dus gewoon dood.’ – zich overgaf aan wat onvermijdelijk komen zou.
De zomer was al bijna even warm als nu. Het ziekenhuis ligt vlakbij het zwembad en omdat kinderen niet te lang in ziekenhuizen moeten toeven, ging het grut geregeld samen zwemmen. Uitbundig stonden ze dan aan het kruispunt naar opa’s ziekenhuisraam op de vijfde verdieping te zwaaien. Vijf geweldige kleinkinderen op een rijtje, hij was er apetrots op.
En misschien waren zij wel de grootste reden dat hij nog niet klaar was om te gaan. Het deed hem altijd zoveel plezier om hen te zien en om er getuige van te zijn hoe hun leventjes zich ontwikkelden. Hoe ze stuk voor stuk unieke persoontjes waren die hun levenspad ieder op de eigen wijze bewandelden.

Een kleine week vóór de overplaatsing naar de palliatieve afdeling was ik getuige van het door de specialist uiterst deskundig en geduldig gevoerde gesprek over het levenseinde. Opa luisterde aandachtig, begreep het en antwoordde ‘dat dat nu nog niet aan de orde was’.
In die dagen lukte het hem nog om voor de korte bezoekjes van de specialist de schijn op te houden en even helder en wakker te blijven. ‘Hoe gaat het, mijnheer Schrage?’ vroeg de specialist dan.
‘Nou, gezien de omstandigheden mag ik niet klagen’, antwoordde opa.
Specialist blij met zo’n kort bezoekje dat hem geen oponthoud bezorgde in zijn drukke dag. Wel vervelend dat de dochter van die voorbeeldige patiënt een stuk minder voorbeeldig was en wél problemen signaleerde waar hij wat mee moest.

Later in die week, toen ik hem zo zag afzien, refereerde ik weer even aan het levenseinde-gesprek en de mogelijkheid tot euthanasie. ‘Ja, misschien vraag ik daar wel om, maar nu nog niet, dan moet het eerst erger worden,’ was zijn antwoord.
Hij stond nog zo vol in het leven op zijn zesentachtigste, dat hij zichtbaar een worsteling leverde om zich eruit los te laten rukken voor hij die typische tunnelvisie van een stervende kreeg. Hij trok zich terug in een cocon van slaap en extreme vermoeidheid, en liet steeds meer alles langs zich heen gaan zonder er nog aandacht voor op te kunnen brengen.

Ik poogde soms nog iets helder te krijgen: ‘Jij had Marlies gevraagd om jouw financiën te regelen, moet ze daar nog iets voor weten?’
‘O heb ik dat gevraagd?’ antwoordde hij zonder zijn ogen te openen, ‘Weet ik niks van.’
‘Maar moet ze nog iets weten?’
‘Nou ik geloof het niet. We laten de dingen maar gebeuren zoals ze zijn.’ Hij had de aardse dingen al losgelaten, liet het gelaten passeren.
Hij vergiste zich in zijn eigen leeftijd en zei tegen de specialist dat hij 78 was. Hij kon zijn linker- en rechter gehoorapparaat niet meer uit elkaar houden. Hij zag beestjes over de muren kropen en geloofde mij wel dat die er niet echt waren, maar voortkwamen uit zijn achteruitgang. ‘O dus jij zegt dat die beestjes hallucinaties zijn?’
En uiteindelijk sliep hij zowat continu, dronk nog af en toe maar eten lukte al lang niet meer met die kapot bestraalde hals en keel. 

Toen hij even wakker werd om te klagen over pijn in zijn verlamde oog, bleek dat knalrood te zien. Er had nog niemand naar gekeken. Ook niet of zijn darmen nog wel werkten nu hij morfinepleisters had. En heel pro-actief lag er een foldertje ‘valpreventie’ op zijn bedtafeltje. Terwijl hij met dat verlamde oog niet meer lezen kon en hij te zwak was om op zijn benen te staan maar soms wel verward zijn bed uit kwam om toch zelf naar toilet te willen gaan. Wat een opluchting toen hij overgeplaatst werd.

Erger?
Nog maar kort geleden hadden mijn twee zussen en ik het over dit lijden. Wie heeft het meest geleden? Opa, met zijn heldere geest maar een lichaam dat het opgaf terwijl hij zo graag nog wat op deze aardbol was gebleven? Of oma, wiens geest al lang de geest gegeven had en die slechts nog een functionerend lichaampje was op het einde van haar dementie? Dat ze veel geleden heeft, is onbetwistbaar een feit. Er waren pure rotperiodes en ellendig verdriet in de vroege fase van haar dementie. Wat als je je doodongelukkig voelt en zo’n gevoel totaal niet kan plaatsen? Je grip op de wereld om je heen voelt ontsnappen alsof je tennisballen moet terugslaan met de zijkant van je racket?

Wat is een goed sterfbed?
Wij stonden erbij en keken ernaar en vinden dat opa dat zeer goed gedaan heeft.
We waren blij dat we er zoveel konden zijn. Zelfs in die gekke laatste week dat ik de praktijk alleen draaide, maar zo blij was dat ik nu ook in deze stad werkte waar ik al zo lang woon, en alles op de fiets kon doen. Daardoor kon ik tussen alle drukte door toch drie of zelfs vier keer per dag bij hem langsgaan. Niet heel lang, wel heel intens. Dan werd hij even wakker uit zijn sluimertoestand en merkte onverwacht helder op: ‘Hé, ben je er nou alweer? Jij was er vanmorgen toch ook al?’ 

Ja, het was zwaar, we werden allemaal moe. Er komt een moment dat je bijna niet hardop durft te denken wat je voelt: ‘Dit moet niet lang meer duren, hoelang houden we dit samen nog vol? Hoelang houdt hìj dit nog vol?’ Zwaar voor hem, zwaar voor ons.
En net als je dat denkt, dan kantelt het tij.
En dan komt dat sterven toch nog te snel. Altijd te snel. Ook als je 86 bent. 

Lieve gekke opa met zijn verrekijkers en zijn kompassen. Weten dat kleinzoon Jerome al uren door die verrekijker heeft zitten turen zou hem veel plezier doen. Opa met zijn stapschoenen die elke dag zes kilometer moesten wandelen en zijn verzameling klassieke muziek die ’s ochtends luid door zijn koptelefoon klonk. Om de buren niet te storen. Met zijn computer waar we zoveel grappige en lieve mailtjes ontdekten. Met zijn voorliefde voor koeien en de geur van koeienpoep. ‘Ah, ruik eens!’ snoof hij dan krachtig de lucht op, als hij langs een wei of stal wandelde.

fullsizeoutput_885.jpeg

Dus heb ik gewoon weer een koeienkaartje gekocht voor zijn verjaardag, net als anders. Alleen is het nu voor de eerste verjaardag van zijn sterfdatum. 

Ja, ik was er vanmorgen ook. En ik ben blij dat ik er van begin tot eind bij was, het was zo waardevol. Maar oh wat mis ik je nog vaak.
Dag papa! 

Geplaatst in: Blog

3 gedachten over “een koe voor opa

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.