motormama

martine5
Doorweekt tot op mijn ondergoed stap ik van de rode Honda CBR 250 na mijn eerste motorrijles. De vochtabsorberende gel van het Allways inlegkruisje in mijn slip stulpt er aan alle kanten uit. Maar de regen kan me niet deren. Dit eerste – en meteen ook laatste – motorrijlesje was puur genot. De rijinstructeur geeft me zijn zegen, ik kan het. En van de wet mocht ik sowieso al met een motor de weg op, dat zat inbegrepen in het autorijbewijs dat ik op mijn achttiende haalde. Pure waanzin natuurlijk, maar zo was het wel.

Het zal wel een vroegtijdige midlife stuip geweest zijn, maar ik moest en zou motorrijden. Ik droomde er al jaren van en nooit zal ik het moment vergeten waarop dat verlangen fysiek voelbaar werd. Een pijnscheut trof me midscheeps toen ik vriendin Ruthje op 11 augustus 1999 de nacht in zag rijden met haar stoere bende motorvrienden. Op naar Noord-Frankrijk waar de totale zonsverduistering het best zichtbaar zou zijn. Oh, kon ik maar met haar mee. Achterop een motor verdwijnen in de nacht.

Zo ergens na de komst van mijn tweede kind, voegde ik de daad bij het woord. We kochten een motor. Een rode BMW K75s. Die ‘S’ was er teveel aan – de sportversie – je zat zo krom op dat ding. Die 75 was er trouwens ook teveel aan. Het gevaarte was compleet boven mijn macht. Mijn man zette me af bij de garage waar we de motor tweedehands gekocht hadden, ik zou ermee naar huis rijden. De verkoper gaf me eerst nog een rijlesje op de parking, hield zijn hoofd scheef toen ik naar huis vertrok, en ik gaf het paard de sporen. De spannendste rit van mijn leven. De zon stond fel en laag in de rug, ik zag niets in de spiegels maar gelukkig was de weg naar huis zo ongeveer altijd rechtdoor.

Thuisgekomen moest ik met barstende koppijn op de bank gaan liggen. Even later belde de motorverkoper: ‘Even horen of uw vrouw goed thuis is gekomen, meneer?’

Ik hield vol en bleef rijden. Het bleef spannend. Tot ik een keer in de Ardennen op de smalle kronkelweggetjes ineens niet meer durfde te draaien. Ravijnen links van me, bergflanken rechts, terwijl de schemer begon in te vallen. Ook toen ben ik heelhuids thuis geraakt, maar heb het motorrijden verder aan mijn man overgelaten. Ik zat voortaan liever achterop.

moto-op-het-strand

Zo herinner ik me een hemels moment in Denemarken aansluitend aan een sesshin. Mijn man was me aan het einde van die zenretraite af komen halen en we wiegden en suisden door de groene bochten van de Deense boerenbuiten. Ik hield mijn armen stevig om zijn buik en deinde mee terwijl het ronken van de motor de perfecte soundtrack vormde bij de ondergaande zon. ‘Dit is gevaarlijk,’ schoot het door mijn hoofd, ‘dit moet je helemaal niet doen als je drie kinderen hebt.’
‘Maar oh, wat is dit zalig,’ kon ik alleen maar denken, ‘en ach, als ik nu doodga, dan sterf ik tenminste in puur geluk.’

Nu is de motor weg. We reden er nog amper op, tijd is een schaars goed. De kinderen werden groot en dat was de belangrijkste reden om hem weg te doen: ik moet er niet aan denken dat mijn zonen op een motor kruipen. Roekeloze testosteronbommetjes zouden het kunnen worden in het zadel van zo’n beest. Daar wil ik ze voor behoeden. Zolang ik kan.
moto-piemanson
Toch wil ik ooit Highway Number One doen, lekker achterop de motor bij Wim. Een mens moet blijven dromen. En waar kan dat beter dan achterop een motor?

Geplaatst in: Blog

2 gedachten over “motormama

Reacties zijn gesloten.