notitieboekje

Lap, daar zijn ze, de waterlanders. Ik ben op zenretraite en verwonder me er al dagenlang over dat het sterven van mijn vader afgelopen zomer nog niet aan bod is gekomen in de maalstroom van gedachten die aan me voorbijtrekt al die uren dat ik op dat kussen zit. Net die ene keer dat ik geen zakdoek bij me heb, komt ineens dit beeld naar boven: papa die wakker wordt in de vroege ochtend, zijn ogen open doet en terwijl hij over mijn haren strijkt, zegt: ‘Ach, ben je daar nou alweer?’ 
Hij ligt dan al een paar dagen op de palliatieve afdeling van het ziekenhuis en ik ga elk vrij moment bij hem langs. Vroeg in de ochtend nog vóór het spreekuur begint op de praktijk, ’s middags zodra dat erop zit, ergens tussen vier en zes als ik niet teveel huisbezoeken heb en nog een keer ’s avonds na de avondraadpleging. Zo verward als hij vaak is, zo helder weet hij nu dus wie ik ben en dat hij me gisterenavond ook nog laat heeft gezien. Soms denkt hij dan dat het twee uur ’s nachts is, maar dat is nooit het geval geweest. We hebben nooit een nacht hoeven waken. Alsof hij tot het laatste moment rekening met ons heeft gehouden.
Ik huil niet alleen om die aai over mijn bol, ik huil ook omdat ik mijn trouwste fan kwijt ben: altijd had hij als eerste mijn stukjes gelezen en op zijn 86e was hij zo goed bij de tijd dat hij mijn blogjes altijd met een like bekroonde. Die fan mis ik. Zijn goedkeuring mis ik, die is onvervangbaar.
Ik huil ook omdat ik ineens moet denken aan hoe dat nu moet met feesten. We hadden samen zo’n mooie modus vivendi gevonden. Een compromis om toch naar feesten te gaan zonder ze helemaal uit te hoeven zitten. Hij werd moe van de gesprekken die hij door zijn doofheid amper kon volgen, en ik van de koetjes en de kalfjes. En dus reden wij samen in een aparte auto, en reden wij heel vrolijk halverwege het feest samen weer terug. Het was een win-win oplossing voor ons allebei en we waren in onze nopjes met deze vondst.

De beelden blijven komen, de tranen ook. Hoe hij zich bizar vitaal zelf nog recht ‘schommelde’ om uit bed te komen tot de dag voor zijn overlijden. Waar kwam die kracht in godsnaam nog vandaan? ‘Ik wil op een echt toilet zitten, niet op zo’n gekke pan.’ Hoe hij vertwijfeld en vol onbegrip vaststelde ‘nou ga ik dus gewoon dood, dat is toch niet te vatten?’ Nee, dat was niet te vatten maar het gebeurde toch. Hoe hij geen enkele behoefte had aan nog wat diepe gesprekken, alleen tussen twee dutjes door mij op het hart drukte: ‘Zullen jullie braaf blijven?’ Hoe hij de ochtend van zijn sterven voor het eerst niet meer even wakker werd om iets te zeggen.

Hoe hij eruit zag toen hij dood was. En toen ik hem een paar dagen later zag. Zo echt papa nog. Maar niet meer hier. Daarom was het zo nodig dat ik hem nog even kon zien, al moest mijn secretaresse daarvoor hemel en aarde bewegen en liep het spreekuur hopeloos in het honderd toen ik een uur te laat weer begon.
Al die grote en kleine momenten passeren mijn geestesoog terwijl ik roerloos op mijn meditatiekussen blijf zitten. Verbaasd merk ik dat ik niet eens de tel van mijn ademhalingen kwijt raak.

Huilen in een meditatieruimte is een eenzame aangelegenheid temidden van veel volk. Niemand ziet het, niemand troost je, niemand legt even een arm om je schouder. Maar zo kan je wel uithuilen en het verdriet diep voelen. Gek genoeg troost dat wel.

Als de bel het einde van deze zitmeditatie aankondigt, wandelen we naar buiten. In mijn jaszak zit opa’s verkreukelde notitieboekje. Het is alsof ik zijn vingerafdrukken nog voel op de scheurrand. Wat zou hij in die laatste dagen en weken allemaal nog gedacht en neergekribbeld hebben?
Daar zijn de tranen alweer.

IMG_1016IMG_1190

Geplaatst in: Blog