Julie Cafmeyer: ‘Ik wil een doula!’

‘Geboorte en dood laten zich zelden regisseren naar ons droomscenario’

‘Als ik ooit een kind krijg, wil ik ook een doula’, schrijft Julie Cafmeyer (DM 12/3). Ik snap de hedendaagse roep om doula’s niet. Enfin, ik snap hem wel, maar ik wil maar zeggen: ze bestaan al lang. En ze heten gewoon vroedvrouwen. (Of -man).

Met veel warmte denk ik terug aan Madeleine, mijn vroedvrouw uit Overpelt die me twee kinderen op de wereld hielp zetten. Een derde werd later opgevangen door een andere vroedvrouw, daarover straks meer.

Ik droomde van een thuisbevalling. Deels omdat ik net als Julie bang was dat ik – eenmaal in een ziekenhuis beland – zou smeken om een ruggenprik. En voor die ruggenprik was ik eigenlijk nog banger dan voor het bevallen zelf.

Gelukkig heb ik als huisarts één groot voordeel: niemand verklaarde me voor zot omdat ik thuis wilde bevallen. Toch niet openlijk. Want om thuis te willen bevallen moet je sterk in je schoenen staan, het wordt langs alle kanten afgekeurd en je krijgt bakken kritiek over je heen.

Maar ik had dus Madeleine. Madeleine die me lachend ‘vrommes’ noemde (Achels voor ‘vrouwmens’) toen ik in bad lag te roepen, tieren en grommen van de oerpijn (Julie, vergeet het ‘pijn incasseren zonder drama’ – het drama hoort erbij) en die handdoeken over me heen gooide toen ik op handen en voeten door de gang van de badkamer naar de slaapkamer kroop omdat mijn lijf op het laatste nippertje besliste dat het uit bad wilde. Samen met mijn man stond ze me vriendelijk uit te lachen en haalde zo de spanning uit de lucht.
 Madeleine die de rust bewaarde toen ik bang werd dat het allemaal te lang duurde. Madeleine die in de dagen na de bevalling elke dag kwam kijken hoe het met ons ging, en me elke dag een heerlijke buikmassage gaf. Die me door de moeilijke eerste dagen van de borstvoeding sleurde. ‘Borstvoeding zit in het hoofd,’ onderwees ze me, ‘het staat of valt met vertrouwen’.
 

Ik weet heel goed dat bevallen een riskante onderneming is. Maar de natuurlijke pijn en het aanvoelen van je lichaam helpen om de bevalling vlotter te laten verlopen. En als het niet vlot loopt, dan aarzelt zo’n vroedvrouw geen moment om je naar het ziekenhuis te sommeren. Want een bevalling die niet vlot, mag per definitie geen thuisbevalling zijn.
 Dit is geen fanatiek pro-thuisbevallingen verhaal. 

Fanatisme is zelden wijs. Dit is gewoon mijn verhaal. Ik wou niet naar een ziekenhuis, tenzij dat perse nodig was. Ik weet dat ik zou blokkeren in een bevallingskamer in zo’n onnatuurlijke liggende houding (uiteindelijk gebeurde elk van mijn drie thuisbevallingen in een andere houding, gewoon omdat díe houding op dat moment zich vanzelf leek aan te dienen), met allerlei mensen eromheen die ik niet goed ken. Gelukkig hebben gynaecologen en verlosafdelingen zich enorm aangepast om vrouwen in arbeid tegemoet te komen. Wil je een warm bad? Dat kan al bijna overal. Wil je op de baarkruk?

Maar feit is dat we bevallen zo gemedicaliseerd hebben, dat we nu weer een tussenpersoon nodig hebben die gaat bemiddelen tussen wat de vrouw wil en wat de gynaecoloog nodig acht of gewoon is.

Nog even over die derde bevalling. Ik was ondertussen verhuisd en besliste om voor die derde keer maar gewoon in het ziekenhuis te bevallen. Tot ik daar nachtmerries over kreeg en uiteindelijk toch weer voor een thuisbevalling koos. Mijn gynaecoloog was een wijze grijze man die me mijn gang liet gaan en zijn preek voor zich hield. Daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor.

Nogmaals, dit is geen pleidooi voor thuisbevallingen. Thank god for hospitals, gynaecologen, epidurales en kunstbevallingen als die nodig zijn. Het heeft de perinatale sterftecijfers van moeders en babies drastisch doen dalen.

Ik lees in de roep om doela’s vooral de behoefte aan een vertrouwenspersoon die de grote kloof helpt overbruggen tussen onze droom en de klinische bevallingscultuur. De behoefte aan vertrouwen tout court. Vertrouwen in jezelf, in je lichaam en in een wijze steunende vertrouwenspersoon die met haar/zijn schat aan ervaring dat vertrouwen belichaamt. Zodat je je kunt overgeven. Want als er iets is dat helpt om een bevalling te laten vooruitgaan dan is het dat: overgave.

Dus Julie, je mag blijven dromen, en daar heb je geen nieuwe hulptroepen bij nodig. Met de Madeleines en andere vroedvrouwen in deze wereld zijn die hulptroepen er altijd al geweest. Maar heb ook de moed om je droomscenario los te laten als de omstandigheden erom vragen. We hebben allemaal een beeld van de ideale geboorte en van het ideale sterven. Maar het begin en het einde van het leven laten zich zelden regisseren naar ons droomscenario.

PS: De ontstaansgeschiedenis van dit stuk? Dat ging zo.
In De Morgen van 12 maart schreef columniste Julie Cafmeyer dus een column met de titel 'Als ik ooit een kind krijg, wil ik ook een doula'.
Mijn vingers jeukten om te reageren op dit stuk en in een razende vaart tikte ik met groot plezier een lange brief terug, die ik vervolgens naar de redactie mailde.
Groot was mijn vreugde toen ik een paar uur later dit antwoord kreeg: 'Beste mevrouw Schrage, Dank voor de fijne bijdrage. Zou u een ingekorte versie kunnen insturen, van 4500 tekens spaties inbegrepen. Met vriendelijke groeten, Ward Daenen'
Tuurlijk, no sweat.
Ik tik en tik en schrap en schaaf en stuur een aangepaste versie in.
En alweer volgt een snel antwoord: 'Dank voor de bijdrage, die ik voor volgende week inplan. Mvg, Ward Daenen, De Morgen.'
Vervolgend begon het grote wachten. Het dagelijks reikhalzend uitkijken naar het moment dat de krant in de brievenbus viel. Het vooruitzicht om een groot stuk van mij in de krant te zien staan vond ik zo spannend. Haast rillend van de voorpret bladerde ik vol verwachting elke de dag snel de krant door. Van voor naar achter en voor de zekerheid nog een keer terug.
Zo ging dat de hele week. Dag na dag. Langzaam maakte de voorpret plaats voor teleurstelling. Maar ik hield hoop. En bleef bladeren.
Mijn stuk stond er niet in. Niet op maandag, niet op dinsdag, niet op woensdag, de hele week gewoon niet.
Ik heb de heer Daenen nog twee keer gemaild: 'Dag mijnheer Daenen,
Heel de week heb ik reikhalzend uitgekeken naar de krant om te zien of mijn bijdrage erin stond… helaas… Moet ik de hoop laten varen? Met vriendelijke groet, Martine Schrage'
Hij heeft nooit geantwoord.
Dat was de ontstaansgeschiedenis van dit opiniestuk dat nu dus maar gewoon een blog is geworden.
Toch zonde van al dat schrijfplezier om het gewoon in de prullenbak te gooien?

En wil je weten wat nu echt grappig is?
Net voor ik deze blog publiceer, zoek ik nog even een link naar de column van Julie Cafmeyer... en wat tref ik aan op het wereldwijde web? Mijn eigen stuk!! Het blijkt in de digitale krant gepubliceerd.
Ook niet slecht natuurlijk. Al had een printversie me meer verheugd.
Sorry mijnheer Daemen. 
Geplaatst in: Blog

2 gedachten over “Julie Cafmeyer: ‘Ik wil een doula!’

  1. Biliana Ivanova schreef:

    Ik ben heel blij dat ik uw blogbericht heb mogen lezen. Heel interessant voor mij, omdat ik zelf ook een kinderwens heb (wel nog een paar jaar wachten). Ik heb het gevoel dat het vaak heel onrealistisch is wat vrouwen erover vertellen want dan begin ik zelf ook veel te hoge verwachtingen te krijgen. Ik heb liever een verhaal/ mening/ column dat realistisch is maar niet te afschrikkend. We onderschatten misschien heel veel wat de functie van vroedvrouwen is. Ten slotte onderschatten we soms onszelf, hoe krachtig we zijn als mens om een baby in onze baarmoeder te laten groeien en een 3 kg baby op de wereld te zetten.

    • Martine schreef:

      Ja, klopt helemaal: goeie begeleiding, durven loslaten, en dan ervaren wat een oerkrachten daar aan het werk zijn! Jij gaat dat ook heel goed doen, daar ben ik zeker van.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.