Turnhout Binche aller retour

In de trein naar Binche las ik een boek. Binche is ver weg. Twee en een half uur om precies te zijn. En je hoeft er niet eens voor over te stappen.
Wat ik in Binche te zoeken had? Niets. Hooguit opzoeken hoe laat de eerstvolgende trein weer terug naar Turnhout vertrok en vanaf welk perron.
De reis was het doel. Op de trein zitten en lezen. En niet weg kunnen. Want Thomas Manns Toverberg staat al maanden op het menu en ik geraak er maar niet door. Stop er dan gewoon mee, zou je zeggen, maar zo werkt dat bij mij niet. Dat boek moet uit.
Je kunt op de trein dan misschien geen kant uit, maar vluchten in je hoofd kan nog altijd. Zo mijmerde ik een wijl over waarom dat boek dan zonodig uit moest.
De conclusie van dat denkwerk luidde: ik hoop op een schitterende verrassing op het einde van dat boek. Ergens heb ik dat namelijk eens gehoord of gelezen, van die sublieme verrassing op het einde..
Blader dan meteen naar het einde en lees de laatste dertig bladzijden, zou je kunnen zeggen. Maar zo werkt dat bij mij niet.
Eerst afzien, dan belonen.

Dat afzien viel wel mee. Ik heb al ontdekt dat als je een trein rond de middag neemt, dat je dan op zo’n mooie luxe dubbeldekker zit en dat daar verder amper een kat op zit. Die trein staat al zo’n 20-25 minuten vóór vertrek klaar in het station. Niks koukleumen op tochtige perrons, gewoon lekker installeren op de zachte bankjes van het bovendek. Koffietje dabei, krantje, wie maakt me wat?

En zo denderde ik van Turnhout naar Binche en weer terug. In ieder geval raakte ik daar op die trein toch wel lichtelijk in de flow van het boek.
Ik zit nu op pagina 422. Nog 526 pagina’s te gaan. Pfff… ik zal nog vaak naar Binche moeten.
Of voor een andere aanpak kiezen. Die van Matthijs van Nieuwkerk bijvoorbeeld in zijn column in de weekendkrant van gisteren. Hij hanteert de Wet van Martin Bril: ‘Lees altijd de eerste duizend woorden. Baat het niet, dan gaat het niet.’
Die hulp kwam rijkelijk te laat.
Maar mijn gratis NMBS ritten zijn op.


Monnikenwerk

Vriendin Marie stuurt me als reactie op mijn laatste #TrashTuesday-zwerfvuil blog een foto van haar straat: ook daar heeft de stormwind in combinatie met klaarstaande PMD-zakken lelijk huisgehouden. Het is er een janboel. ‘pfff…. monnikenarbeid…’ stuur ik terug.
Terwijl ik de woorden typ, valt me een herinnering binnen. Een verhaal dat ik ooit in zen-middens hoorde vertellen over een man die have en goed was kwijtgeraakt en in al zijn ontreddering was begonnen met vegen. Elke dag bezemde hij zijn straat schoon. Dagen, weken, maanden, jaren aan een stuk. Geen dag sloeg hij over. Je zou denken dat de straat onderhand schoon genoeg was, maar daar ging het hem niet om. Het was hem enkel om het vegen te doen. Hij werd er rustig van en langzaam trok de mist in zijn hoofd op. Hij kreeg inzicht in zijn leven en wat hem te doen stond.

Ineens bedenk ik me dat zwerfvuil rapen misschien mijn monnikenarbeid is. Dat het me gaat helpen om mijn toekomst bij elkaar te puzzelen. Zonder te puzzelen. Gewoon vegend en rapend zien waar het toe leidt.
Martine Schrage, 52 jaar, zwerfvuilraper van beroep.
‘The never ending story maar daarom niet minder belangrijk,’ stuurt Marie terug.
Ach, zolang ik nog niet weet hoe ik eigenlijk verder wil, oefen ik me in niet-weten. Ook een kunst.
Zie je wel dat er een monnik in mij zit?

#TrashTuesday

Behalve de overweldigende pracht van de stralende winterzon op een dik en spierwit sneeuwtapijt, was er nóg een fijne bijkomstigheid aan de winterprik van alweer een paar weken geleden: er viel geen kruimel zwerfvuil te bespeuren. Even onverwacht vrijaf voor al die noeste zwerfvuilrapers in het land. Ook de ophaaldienst zal het even rustig hebben gehad. De wereld was zo mooi zonder al die ontsierende troep. De ogenschijnlijk totale afwezigheid van zwerfvuil gunde mijn immer spiedende blik even rust. Bevrijd van de dwingende roep van rondslingerend vuil, konden mijn ogen vrij ronddwalen over groen en wit zo ver als het oog kon reiken.

Daarna was het leven even zo hectisch dat vuil rapen wel het laatste was waar ik aan dacht, maar gisteren vloog ik er terug in. Andere zwerfvuilrapers waren me duidelijk al voor geweest want er was al heel veel weg van de rommel die me al een paar weken pijn deed aan de ogen. Toch had ik op minder dan twee kilometer alweer twee zakken vol. Eén zak mocht ik meegeven aan een vriendelijke man van De Troef die hem in zijn fietskarretje laadde, de andere liet ik achter op het station. Ik maakte een foto van de locatie en stuurde die door naar de ophaaldienst zodat ook deze zak zijn weg zou vinden naar de verbrandingsoven.

Onderweg kwam ik nog twee collega-zwerfvuilrapers tegen en ook de gemeente was flink in de weer: alle groenperkjes werden kortgeschoren en dat bracht een hoop verstopte blikjes en andere rommel aan het licht. Ongelooflijk wat er allemaal onder die korte struikjes ligt!
De raarste vondsten deze keer waren een lading batterijen en een scheermesje. Je vraagt je af wat een mens onderweg met een scheermesje moet.
Hoe meer zwerfvuil je raapt, hoe meer je je gaat afvragen over het raadsel mens.

Dat was gisteren. Vandaag kwam ik door dezelfde straat, en bij de aanblik daarvan zinkt de moed al in mijn schoenen. Ik kan weer van voren af aan beginnen. Door de combinatie van stormwind en PMD-ophaling liggen de straten die ik gisteren opgeruimd heb alweer vol zwerfvuil.
En ik was al slechtgezind. Want ruzie met de bank. Ze willen wél mijn zakelijke rekening hebben, maar níet de moeite doen om te zorgen dat het cash geld dat ik met mijn werk verdien ook op die rekening geraakt (er zijn nu eenmaal nog altijd mensen die niet met kaart of apps allerhande kunnen betalen, een huisarts zal dus altijd nog wat cash inkomsten hebben). Verontwaardigd trek ik mijn loopschoenen aan en jog de frustratie eruit naar een andere bank die wél nog service biedt.
Halverwege de terugweg is de enige zwerfvuilzak die ik meegenomen had alweer vol. Gelukkig hoef ik hem niet naar huis te zeulen: onderweg zijn werkmannen puin in een container aan het storten, en mijn volle vuilzak mag erbij.
Zwerfvuil en banken, het slijk der aarde.