Tweede lente

Het springlevend houden van mijn razende ambitie om de zomer eindeloos te verlengen, is geen sinecure als ik naar buiten kijk en de regen onophoudelijk zie vallen. Zeker niet als het met twee truien over elkaar nog frisjes is – nee, het is september, de verwarming gaat pas in oktober weer aan – en ik ondertussen ook nog eens snotter door de Covid waar ik eindelijk na twee jaar ook aan ten prooi gevallen ben. Het blijft wonderbaarlijk dat ik het nu pas heb na twee jaar front row, maar het is wat het is. Gelukkig blijft het bij wat snotteren en een licht hoestje. Mijn vier vaccins hebben hun werk goed gedaan.

Ook afgelopen weekend in de Marais zat mijn gefnuikte ambitie om de zomer te verlengen er niet echt in. Het regende, het regende nog wat en het bleef regenen.
Maar stel het universum een vraag, en je krijgt altijd antwoord.
Het stond het gewoon in de krant, in de column van Marc Van Ranst in De Morgen. Hij schreef dat de astronomische herfst was begonnen, met als gevolg daarvan het bereiken van de equinox: dag en nacht duurden vrijdag precies even lang, twaalf uur.
Om de herfst zijn rechtmatige eer te bewijzen citeert hij vervolgens Albert Camus: ‘L’automne est un deuxième printemps où chaque feuille est une fleur.’

Voilá , een tweede lente – en liefst dan ook aansluitend een tweede zomer – dat zie ik helemaal zitten. Ik ben vóór.
De regen hield onverwacht toch een paar uur op, we maakten een prachtige wandeling naar La Trousse Bière in Zudausques om er potjesvlees en friet te gaan eten met een diep donkere Chimay bleue erbij, en toen we later vanaf de kade met het bootje terug naar onze B&B voeren, straalde boven ons zo’n heldere sterrenhemel dat we zelfs geen licht nodig hadden om het juiste steigertje terug te vinden.
Elke ster aan die nachtelijke hemel, kon rustig wedijveren met de mooiste zomerbloem. Dus als we alle bladeren tellen en alle sterren meerekenen, dan is het alweer zomer voor we er erg in hebben.

Bij thuiskomst was er nog iemand die de zomer probeerde te verlengen: in de mailbox vonden we een ‘Warm Showers’ verzoekje van Anders Forselius, een Zweedse fietser, marathonloper, auteur en sportjournalist die vroeg om zijn tentje in onze tuin te mogen opzetten. Tuurlijk mocht dat. Meer nog: ik heb hem een plekje in mijn tuinkamer gegeven en daar was hij zo verguld mee dat hij zei: ‘Ik wil hier niet meer weg, ik wil mijn boek hier schrijven!’
Leuke mens, die Anders, en zo dankbaar als iets voor de panpizza, het biertje, het ontbijtje en de koffie die we hem presenteerden. Fanatiek beweeglijke mens die zich het goede leven ook bepaald niet ontzegt.

Toen het weekend om was en ik ook de laatste bladzijde van de weekendkrant omsloeg, viel mijn oog nog op een promoberichtje voor culinair genot in Hoogstraten: ‘Om het afscheid van de zomer te verzachten, is een weekendje weg in het groen de beste pijnstiller.’
I couldn’t agree more.

Een grijze dag voor de laatste kilometers

Goed geslapen maar de opstart is wat moeizaam. Misschien is dat wel normaal na de afgelopen fietsdagen, maar het kan ook liggen aan de zon die niet thuis geeft vandaag. Om 10u terug op weg. De lucht is grijs, ik heb mijn regenkleding grijpklaar en voor de zekerheid toch maar mijn zonnebril niet te ver weg gestoken, maar het zal niet nodig zijn vrees ik. Vandaag kies ik voor een route langs fietsknooppunten dankzij de kaart met ‘points-noeuds’ van de regio Vallée de la Lys & Monts de Flandre die ik gisteren gescoord heb in het Office du tourisme. Een stuk aangenamer fietsen dan de grote steenwegen die ik vorige keer met gevaar voor eigen leven getrotseerd heb. Al kort ik de slingerende knooppuntenbaantjes nog wel wat in door hier en daar een shortcut te nemen waar dat kan.
Het is fijn om terug eens met een kaart onder m’n neus te fietsen. De route zo overzichtelijk voor me zien, is toch weer wat anders dan die ellenlange knooppuntenstroken.

Voor de eerste twee kilometer hoef ik alvast niets te doen: die race ik met 35 km/u naar beneden.
De kleine baantjes van het fietsnetwerk zijn blijkbaar ook een lange afstands fietsroute. Nummer 364 als u het precies wil weten.
Veel Vlaamse en verbasterd Vlaamse straatnamen hier trouwens.

Om de goesting wat op te peppen, zet ik muziek op. Die hervat precies terug bij Gangsta’s Paradise, perfect om de moraal een boost te geven. En van Janis Joplin’s Piece of my heart is een mens ook meteen klaarwakker.
En wat dacht je dat dat steengoede ‘Feeling good’ van Nina Simone met een mens doet? Ongeacht de voorafgaandelijke staat van het moreel: you feel good!
‘Freedom is mine and I know how I feel’, zingt ze en daarmee beschrijft ze precies wat ik voel nu. Op de fiets zing ik keihard mee, en voor zover mogelijk dans ik gekke moves op mijn zadel. Het is vast geen gezicht en geen gehoor maar er is hier toch niemand.

Om 11.50u kondigt de regen zich aan. Ik check nog even of alles op en aan mijn fiets regenproof is, en steek buideltasje en telefoon in een plastic hoesje, maar voorlopig blijft het bij een paar amper waarneembare fijne druppeltjes.
Als ik de rand van de fietskaart bereikt heb, zet ik google maps terug aan voor het laatste stuk. In tegenstelling tot vorige keer toen ik naar Tilques fietste, kies ik nu voor een autoroute. Het fietstraject dat google maps mij destijds voorstelde was een hopeloos geploeter via karrensporen of brokkelpuin paden waar ik amper vooruit raakte met mijn zwaarbeladen fiets.

De route die ik nu voorgeschoteld krijg, begint al goed: bergaf op een weg waar je maximaal 50 per uur mag. Gelukkig, ik krijg geen boete want ik blijf met mijn 49 per uur netjes onder de limiet 😇😅
What goes up, must come down en vice versa natuurlijk. Maar niets dat met de energie van een paar betonkoeken en de beats van Portishead onmogelijk is.
Als Arno daarna danst like a goose, passeer ik net een Mariagrot waar ik een stevige kaars brand voor iedereen die me lief is.

In Clairmarais zijn de oortjes weer leeg, jammer, het was net zo leuk. Maar het is nog maar tien kilometer, we zijn er bijna.
Ik rij door Saint-Omer en hou mijn ogen goed open, op zoek naar een koffiebar of zoiets want het zal nog een dik uur duren voor Wim in Tilques arriveert. Ik zie zo niet direct iets dat me kan bekoren en fiets dan toch maar door naar Tilques met het idee het kasteel daar eens te bezoeken, ik meen me te herinneren dat er een restaurant of brasserie was. Dat valt tegen: het restaurant gaat pas om vijf uur open, en voor die tijd is er zelfs niet de mogelijkheid om iets te drinken. Ik mag wel even naar het toilet.

Ondertussen is het toch echt aan het miezeren gegaan en een uur in dit weer zitten wachten is weinig aanlokkelijk. Dus fiets ik maar terug naar Saint-Omer, waar ik me installeer in de ‘Hoppy Craft’ Shop en Bar en alvast begin aan dit blogje tot Wim er is. De laatste 54 kilometer zitten erop, in totaal dus 280 kilometer fietsplezier in de benen.
Hop, de fiets de fietsdrager op en weg zijn wullie, naar Tilques, waar we auto-met-fiets parkeren aan de kade. Daar komt Muriël, onze gastvrouw van B&B ‘La fermette de Marie Grouette’ ons ophalen met haar bootje en het weekend kan beginnen! Eerst een douche, een kop thee met de lekkere koekjes die Muriël op bed heeft klaargelegd en de laatste hand leggen aan dit blogje.
Voilà, ook dat zit er nu op. Op naar het mosseldiner bij onze vrienden hier om de hoek. Met onze eigen pedalo die hier voor de deur van de B&B het hele weekend ter onzer beschikking ligt. Straten bestaan hier namelijk niet: alles moet via het water.
Nu maar hopen dat het water dat van boven komt snel stopt. Genoeg is genoeg 🙂


Malmö


Niet echt geweldig geslapen, het was wat te warm, om 6.20u was ’t vat af, maar na het geweldige luxe ontbijt dat Erna voor me bereid had (dat beloofde gebakken eitje, brood, kaas, yoghurt, confituur, vers fruit, chocolade, appelcake, banana bread) was ik er weer helemaal klaar voor. Stipt om acht uur was ik alweer op pad.

Dag twee. Doel: Ploegsteert. Of verder, dat mag ook. (Onderweg belandde ik zelfs in Malmö, maar dat was niet echt de bedoeling.)
Felle lage zon – gelukkig in de rug – maar bar koud: 6˚C in de zon. De warme laagjes, handschoenen en oorwarmers komen goed van pas.
Bij het ontbijt heb ik thee gedronken, maar al snel ben ik nu toe aan een koffie. Die drink ik op een bankje met uitzicht op een prachtige molen en velden gehuld in ochtendnevelen zover het oog reikt.
Dat geeft weer een goed shotje energie.
Genietend tot in elke vezel van mijn lijf fiets ik over de schitterende landwegeltjes in de omgeving van Vinderhoute, Lievegem. Wat is het hier mooi! De straatnamen zijn pure poëzie. Geef toe: via de ‘Ganzevijverwegel’ naar ‘Peperkoek’ rijden, hoe schoon is dat?
Dit prachtige natuurgebied, de oude Kalevallei, is iets om te onthouden.
Maar opschieten doet het niet: de paden en landwegeltjes kronkelen zo mooi in deze zonovergoten natuur dat ik om de haverklap stop voor een foto.
Norah Jones zingt zachtjes in mijn oren ‘The summer days are gone too soon ‘ en dat was precies wat ik gisteren probeerde uit te leggen. Maar hier en nu krijg ik alweer een prachtige nazomerdag cadeau.

Al dit fietsen, de zon, de schoonheid van natuur en water en de prachtige muziek in mijn oren, heeft altijd een aangenaam neveneffect op mij: mijn hart loopt over van liefde. Zo dankbaar ben ik voor de vrijheid die ik zo ruimhartig krijg van het thuisfront en waarvan ik zo gulzig mag genieten.

Als de batterij van de oortjes leeg is – net midden in Gangsta’s paradise, WHY?😭 – hang ik ze aan de powerbank en schakel over op het vrolijke gefluit van de vogeltjes. Al even mooi.
En zo is het ineens middag en fiets ik zonnig Kortrijk binnen. Pardoes beland ik daar in Malmö. Gelukkig is dit geen geval van hopeloos verloren gefietst en zo’n 1000 kilometer uit de richting, maar is het gewoon de naam van een hippe koffiebar. Ik eet een lekker soepje, laad de fietsbatterij wat op ondertussen, drink een cappuccino, tik mijn blogje voor de dag, neem een plaspauze en zet dan weer geheel opgeladen mijn weg voort. Voor wie het nog niet door mocht hebben: Kortrijk is hip en Malmö is uberhip met zijn fika en smørrebröd.

Het is ondertussen 13u. Lange fietsbroek ondertussen verwisseld voor een korte, het is er warm genoeg voor en veel beter voor mijn knieën.
Benieuwd tot waar ik vandaag ga geraken en waar ik zal slapen. Want bij het plannen van deze tocht bleek Ploetsteert in een groot niemandsland te liggen: geen Welcome To My Garden, slechts één vrienden-op-de-fiets-adres (en dat koppel doorkruiste net Montenegro dus kon mij niet ontvangen), geen Warm Showers (ik kreeg zelfs de kaart niet geladen). Qua back-up plan heb ik twee zaken voorzien: 1. tent en slaapzak in mijn bagage, en 2. een lijstje met B&B’s rond Ploegsteert, want die waren er wel. Hoofdzakelijk op de jacht gericht, voor zover ik kon zien, maar dat is niet waar ik naar op zoek ben.

Opvallend veel werkzaamheden aan de jaagpaden langs kanalen en vaarten. Dat is goed en vervelend tegelijk. Er wordt gewerkt aan vele mooie fietswegen maar ondertussen heb ik de ene omleiding na de andere

Vanaf Rekkem steekt er een venijnig windje de kop op. Maar zolang het droog blijft en de zon schijnt, hoor je mij niet klagen. Nee hoor, het enige dat je hoort is het zoemen van mijn fietsmotortje en mij spinnen van geluk.
Tussen knooppunt 9 en 6 spot ik een superleuk caféterrasje langs het water, ‘Au Rivage’, in Komen-Waasten. De verleiding is groot om me daar even te zetten met een biertje in dit prachtige weer maar ik moet door. Ik wil zeker de Franse grens voorbij.

Toch houd ik halt als ik ‘het wolvennest’ passeer. Het was één van de B&B’s die ik op mijn back-up lijstje had staan, dus ik bel toch maar even aan nu het zowaar pal op mijn route ligt. Maar niemand thuis en als ik het GSM nummer bel op het infobord, krijg ik een mevrouw aan de lijn die de B&B al vijf jaar geleden van de hand heeft gedaan. Op de website zelf staat er zelfs helemaal geen telefoonnummer. Dan maar even geprofiteerd van de loungezeteltjes daar om een boterham te eten en een soepje te drinken en weer de fiets op.

Al snel ben ik in Frankrijk, en vind ik het eigenlijk wel welletjes geweest voor vandaag. De zon schijnt nog maar ik heb geen zin om nog lang te wachten om een slaapplek te gaan zoeken. Als ik een fietsenzaak zie met de naam ‘bikes de Flandres’, stap ik binnen om te vragen naar tips. Ondanks de naam van de zaak, valt er geen woord Vlaams te bespeuren maar tips krijg ik wel. Twee leuke campings in de buurt.
Daar fiets ik naartoe. Op de weerapp zie ik dat het vannacht niet kouder wordt dan 11˚C. Dat valt nog mee. Toch klinkt het weinig aanlokkelijk om in mijn tentje te kruipen vannacht. Als ik de kerktoren van Bailleul zie, wijzig ik mijn plan. Het Office de Tourisme blijkt zowaar nog open om 17.30u en niet alleen scoor ik daar de felbegeerde fietsknooppunten kaart, maar de behulpzame mevrouw aan de balie regelt ook een hotelkamer voor me in het ‘Belle Hotel’. Top!

En daar zit ik nu dus op het kraakwitte smetteloze bed dit blogje te tikken met een biertje naast me. Een Anosteké. Nooit van gehoord, maar het smaakt na 101 kilometer op de trappers.
En nu ga ik minstens een uur liggen weken in bad. Tot morgen!

Vrienden op de fiets

Toen het einde van deze schitterende zomer zich aankondigde met vallend blad, crisisberichten en afkoelende avonden, stak bij mij een sluimerende weemoed de kop op. Ik wou nog niet. Ik wou nog zomeren en lachen en drinken en babbelen. Ik wou nog warmte, salades en zonovergoten dagen. Fietsen en ijsjes, zwemmen en wandelen. Nog, nog, nog. Rob de Nijs bleef maar door mijn hoofd schallen.
Sindsdien is het mijn belangrijkste betrachting geworden om de zomer te verlengen. Vandaag ben ik – met dank aan de welgezinde weergoden – glansrijk in dat opzet geslaagd. Wat een prachtige dag was het!

Om halfelf zat ik op de fiets. Anderhalf uur later dan ik eigenlijk had gewild, maar inpakken voor vier nachten eind september vergt toch wat meer organisatie dan eenzelfde plan hartje zomer. Je moet voorzien zijn op warmte en kou, op regen en wind en dan moet je nog een slaapplek geregeld krijgen, en een tentje en slaapzak meenemen voor als dat niet lukt. Hetgeen morgen mogelijk het geval zal zijn, maar daarover later meer.
Om halfelf had ik dat dus allemaal ingepakt, een goed fietsontbijtje achter de kiezen (een champignon-kip restje van gisterenavond), de mailbox nog even uitgekuist, een koffietje gedronken met husbandy en een dikke knuffel gekregen ten afscheid.
Het kost wat moeite en organisatie, je moet er wat voor doen, maar eenmaal onderweg krijg je er zoveel plezier voor terug.
De zon scheen en in mijn oortjes klonk de ‘Grensverleggers‘ podcast van AS Adventure, met fotograaf Frederik Buyckx. Hoe goed kan een tocht starten?
Enige smet op het blazoen: ik moet het zwerfvuil in de Visbeekstraat passeren. Dat had ik nog willen opruimen voor ik vertrok, maar het was er niet meer van gekomen. Zal voor een andere keer zijn. Tenzij het zichzelf opruimt, hetgeen hoogst onwaarschijnljk is.

Tegen de middag is de zon zo sterk dat fleece en fluo al lang aan de kant gezwierd zijn. Een T-shirt is meer dan genoeg.
’s Middags aan het MAS, met uitzicht over de jachthaven – altijd zomer daar – neem ik een korte lunchpauze met het laatste restje van het champignon-kip hapje. Koffietje en koekje van de Zwaluwhoeve toe, en dan weer de fiets op. Vooruit met de geit, want we zijn nog niet eens halverwege.

Het is heerlijk fietsen zo in het zonnetje, en buiten hier en daar wat verkeerd rijden, schiet het lekker op.
Om vier uur nog eens een kort pauzetje met thee en een cracker met kaas, en dan hop weer de fiets op voor het laatste stuk. Gezwind naar het veer, want ik heb geen idee tot hoe laat dat vaart.
Ik arriveer er om 17.30. De zon schijnt en het veer vaart. Gestress voor niks dus want eenmaal aan de overkant zie ik op de infoborden dat het veer vaart van maar liefst 4.30u tot 23.15u! Dat had ik natuurlijk ook vooraf even kunnen opzoeken, maar daar had ik geen zin in.

Zo’n overzetbootje is altijd weer vakantie.
Na het water volgt een K..-stuk langs de R4, de ring rond Gent. Met zicht op het laatste blokje van de batterij wil ik zo snel mogelijk naar mijn logeeradres fietsen, dus ik zet Google maps op maar die kiest altijd vreselijke routes. Achteraf blijkt dat ik even makkelijk alles langs het water had kunnen rijden.
Op 123 kilometer valt de batterij plat, net op het moment dat ik een brug op moet. Thuis ligt een dure reservebatterij, maar die heb ik deze keer niet meegenomen. Te log en te zwaar en naar ik hoopte niet nodig. Maar kijk, een mens misrekent zich al eens. En ach, het is nog maar vijf minuten fietsen, net geen twee kilometer, dat moet nog lukken, ook zonder steuntje in de rug.

Voilà, gelukt. Om 18.30 kom ik aan bij Erna in Vinderhoute, Lievegem. Erna is mijn vrienden-op-de-fiets host voor vanavond. En wat een ontvangst krijg ik daar! Een fris opgemaakt bedje, een warme douche en een heerlijke maaltijd van lasagne en overheerlijke salade met groenten uit eigen tuin. Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, heeft ze nog appelcake gebakken voor het dessert. Om duimen en vingers bij af te likken.
Net voor ze naar haar dochter in Gent vertrekt, vraagt ze nog hoe ik mijn eitje morgenochtend voor het ontbijt graag heb. Ook die eitjes zijn van eigen kweek: vanuit mijn slaapkamerraam zie ik de kipjes vrolijk rondscharrelen op het erf.
Gekookt, gebakken, sunny side up?

Een vrouw kan nooit genoeg schoenen hebben?

Twee fouten stonden er in mijn vorige blog. Op de eerste wees mijn schoonbroer me: ‘Het waren de Dolomieten en niet de Pyreneeën’, en de tweede ontdekte ik zelf toen ik terugscrolde in mijn foto’s. Het was niet André Pelgrims die elk jaar met een kind uit eten ging om dat ene liefhebbende agendapunt te maken, nee, het was Wouter Torfs, zag ik op de foto die ik van het kranteninterview bewaard had.

Het drukt me nog maar eens met de neus op mijn feilbare geheugen. Nu al. En dat in een familie waar aan beide kanten de dementie welig tiert. Of toch getierd heeft.
Gelukkig doet mijn zoon Alzheimer onderzoek, anders loopt het niet goed met mij af 😜
Anyway, die twee fouten doen me terugdenken aan iets wat ik ooit gelezen had. Vanuit evolutionair oogpunt gezien onthoud je veel beter wát je gelezen of gehoord hebt, dan wáár je dat gelezen of gehoord hebt. Voor je lijfsbehoud schijnen namelijk de feiten zelf veel belangrijker te zijn dan waar je die feiten vandaan hebt.

Dat gezegd zijnde, zorg ik in ieder geval dat ik actief blijf bewegen tegen de Alzheimer en kan ik altijd terugvallen op het fenomenale geheugen van mijn telefoon. Ik fotografeer namelijk meer teksten dan beelden, en kan zo altijd terugvinden waar of van wie ik dit of dat ook weer gelezen had.
Al bemoeit Murphy zich er net iets te vaak mee: precies die passage die ik zoek, blijkt dan onvindbaar. Niet gefotografeerd of verloren in de massa?

Bij deze zijn de fouten dan ook gecorrigeerd – sorry Andy! – en kan ik het over belangrijker zaken hebben. Zoals daar zijn de geplande grote Marie-Kondo-schoenen-opkuis bijvoorbeeld.
Gisteren heb ik al mijn schoenen, laarzen, sneakers, sandalen, slippers en wat een mens verder nog allemaal onder haar voeten bindt bij elkaar gezet op een lange rij in de woonkamer, want zo moet dat volgens Marie. Vervolgens heb ik ze geteld en op gevoelige plaat vastgelegd. 45 Paar schoenen zijn het nu, dat valt tegen. Want bij de vorige opruimronde (ik dacht dat dat een jaar of drie geleden was maar dat bleek al van 2017 geleden te zijn) waren het er 53. Ik heb er toen best veel weg gedaan, en dacht dat ik er niet zoveel bij gekocht had. Ik schrok wel een beetje.
Al zie ik op de foto bij de blog van toen ook wel heel veel dezelfde schoenen, daar scoor ik dan toch een plusje mee.

Nu is 45 paar nog altijd heel veel, dat geef ik ruiterlijk toe, maar ter mijner verdediging moet ik er toch enkele paren uitlichten voor wat nadere uitleg. Want wat zit daar zoal tussen? Onder die 45 paren bevinden zich schoenen die u waarschijnlijk niet zou meetellen als u uw innerlijke Imelda Marcos in ogenschouw neemt maar volgens Madame Kondo telt álles. Dus ook die geelgerande blauwe rubberlaarsjes van de verregende kampeervakantie aan zee met mijn lief toen ik 18 of 19 was. Het was clearly niet zo’n zomer als we nu gehad hebben. En hoe verregend ook, ik heb er alleen maar goede herinneringen aan. Op die leeftijd is regenweer het perfecte excuus om de hele dag in bed te liggen. En zeg nu zelf: wat is er leuker als je achttien en smoorverliefd bent?
Er zitten tussen die berg schoenen ook andere exemplaren die net als die laarsjes meer dan dertig jaar oud moeten zijn: een paar gratis roze slippertjes van op een of ander symposium. Doen het nog steeds.
Ook oud: mijn trouwschoenen. Onlangs nog eens gedragen zelfs! Heel bijzondere exemplaren, waar je een dikke haaknaald voor nodig hebt om alle lusjes te sluiten rond de knoopjes.
Verder een hoop puur functionele schoenen: rubberlaarzen, stapschoenen, crocs, pantoffels (gaan nog hard van pas komen deze bange crisiswinter), waterschoentjes en loopschoenen die niet meer lopen vanwege een hardnekkige achillespeestendinitis die zopas zijn eerste verjaardag heeft gevierd en een post/propter ontwikkelde voorliefde voor wandelen en fietsen.
Ook present: slippertjes van een stuiver en een cent uit graaibakken.
Je ziet, ik ben zuinig op mijn spullen. Schoenen gaan bij mij lang mee.

Traag maar zeker ga ik vooruit (terwijl ik achteruit ga), zo kan je het ook zien: van 53 naar naar 45. Benieuwd hoeveel er na de opruimronde van zullen overblijven – mijn dochter is een strenge opruimcoach!

Een vrouw kan nooit genoeg schoenen hebben? Allow me to disagree. More and more of less and less. Varen onder die vlag maakt een mens volgens mij gelukkiger dan zich in te graven in een groeiende berg spullen.

Altijd een leuk neveneffect van opruimen: herontdekkingen. Deze keer waren het de oranje Birkenstock slippers waar ik mentaal al afscheid van had genomen en die al half op weg waren naar de kringloopwinkel, maar waarvan het felle kleurtje ineens mijn hele slonzige homewear zomerkloffie opfleurde. Zo zie je maar weer: zo gauw ben je nog niet afgeschreven. Niet als slipper en niet als mens.

Uw moeder gaat u bellen!

Ik wou dat wij zo’n gezin waren, flitst het door mijn hoofd als ik het interview met kunstenaar Arne Quinze en zijn zoon Rhijn in de weekendkrant van afgelopen zaterdag lees: ‘Hij wordt bijna 30, en toch bellen we nog elke dag. Rhijn en ik reizen vaak met twee…’ en ‘Leven is een werkwoord. Je moet er iets voor doen. […] Veel mensen laten het onbedachtzaam voorbijglijden. Een goed gevuld leven is mijn rijkdom en mijn kinderen zijn de basis.’

Wjj zijn geen bellers. Nooit geweest ook. En dat mis ik nu we weer een nieuw evenwicht zoeken in een nieuwe levensfase. Kinderen die steeds meer hun eigen levens leiden, en steeds minder momenten waarop je vanzelfsprekend hoort wat er gaande is in die levens.
Ze komen minder thuis, en dat op zich is helemaal niet erg, ze moeten vooral doen waar ze zelf gelukkig van worden. Maar hoe blijf ik nu op de hoogte van het reilen en zeilen? Want ik wil wel weten hoe het met hen gaat en wat hen bezig houdt.

Het gekke is dat de communicatielijntjes beter onderhouden werden toen we ver van elkaar waren. Toen de oudste in Zweden woonde bijvoorbeeld, was elke zondagavond vaste Skype-avond. Nu hij in Leuven woont, babbelen we eigenlijk minder dan toen hij duizend kilometer ver was.

Terwijl ik dit allemaal zat te overdenken afgelopen weekend, zat ik gelukzalig over aanrollende golven uit te kijken naar de ondergaande zon met die weekendkrant op schoot. Een beetje weemoedig werd ik ervan. Van die mooie zomer die alweer voorbij was, en van het onbestemde verlangen zo’n gezin te willen zijn…

En toen – Eureka! (ontspannend mijmerend komen de meest lucide invallen zomaar gratis vanuit de lucht in je schoot gevallen) – bedacht ik dat wij helemaal niet zo’n gezin hoeven te zíj́n om het niet alsnog te kunnen wórden! Het is nooit te laat om versleten patronen los te laten en nieuwe gewoontes te omarmen. Iemand moet de eerste zijn. Als je het anders wil, moet je iets anders gaan doen. Zo ingewikkeld was mijn wens nu ook weer niet 😉

Dus pakte ik mijn telefoon en begon rond te bellen.
Met manlief werd dat een gemoedelijk babbeltje.
Telefoontje twee klonk zo: ‘Dag moeder, wat kan ik voor u doen?’ Hij is het duidelijk niet gewend dat ik zomaar eens bel voor de gezelligheid. We zullen het allemaal nog wat moeten leren.
En bij het derde telefoontje kreeg ik de voicemail. Ook goed, een teken dat hij lekker bezig is en leuke dingen doet waarschijnlijk.
We zien elkaar toch vrijdag om met zijn allen een verjaardag te vieren. Aan de oevers van de Schelde, bij een goed glas en lekkere hapjes, zal er een zee van tijd zijn om uitgebreid bij te praten.

En als we dan toch nieuwe rituelen aan het implementeren zijn, dan doe ik rondkijkend en luisterend nog een hoop ideeën op. Good practices die andere vaders en moeders verzonnen om de verbinding met hun kroost warm te houden:
Communicatiespecialist André Pelgrims die in een Touché podcast vertelt dat hij jaarlijks uit eten gaat met ieder kind apart. Hij heeft dan slechts één agendapunt: zeggen hoe graag hij hen ziet.
Of mijn schoonbroer die elke zomer een paar dagen gaat wandelen in de Pyreneeën met één van zijn kinderen.

Dus, lieve kindertjes van mijn hart, hou jullie vast aan de takken van de bomen, want ja hoor, wij worden ook zo’n gezin. Uw moeder gaat u bellen!
Maar wees gerust, niet elke dag. Zo’n vaart zal het niet lopen. Zo gek ben ik nou ook weer niet. En er is altijd nog die rode knop, hè 😜

En als u mij nu wil excuseren, ik heb nog een hele lijst B-taakjes te doen vandaag: Boeken terugdoen naar de Bib, Blogje afwerken (bij deze), eitje Bakken om het Back-to-school-leed van mijn dochter te verzachten (reactie: ‘Mama is precies blij dat ze eens thuis is op de eerste schooldag!’), Boodschapjes doen om daarmee een Banana Bread te Bakken, naar de Brillenman, Billie uitlaten, Boek lezen (weet nog niet of dat het Handboek Positieve Gezondheid wordt dat ik nog moet lezen voor de cursus die ik daarover volg, of dat het toch De fundamenten van Ramsey Nasr wordt), en daarbij hopelijk een Biertje nuttigen op een Bootje.
En Bellen Bellen Bellen dus.

PS: Ik wil ook heel graag nog eens met jullie op tocht. Wat vinden jullie van Kungsleden?

Zwemmen in de zee

Dat een mens zo zen kan worden van de zee, ik was het even vergeten. Water is altijd magie, maar de zee doet daar altijd nog een schepje bovenop.
Ik had nog niet in zee gezwommen deze zomer, en zonder een zwemtje in zee is de zomer geen zomer geweest. Hoe heet en droog hij ook was. Dus moest ik naar zee. Dringend.
Dochter en nichtje zijn naar het jaarlijkse tante-weekendje in Brugge, dus ik zag mijn kans schoon en trok erop uit met het busje. Alleen.

Vóór me op het strand zijn twee volwassen mannen al meer dan een uur zeer geconcentreerd schelpjes aan het rapen. Daar lijkt het toch op. Eerst hebben ze een tijd zitten graven en elk schepje zand door een speelgoedzeefje gehaald, maar nu lopen ze diep gebukt over de schelpenstrook op de scheidslijn tussen mul en hard zand. Het ene na het ander schelpje rapen ze op, maar slechts heel af en toe voldoet er een schelpje aan hun – mij totaal onbekende – criteria, en mag het schelpje mee in de zak.
Ik heb geen idee wat ze zoeken. Het maakt ook helemaal niets uit.
Ik zit hier alleen maar volmaakt gelukig te wezen na mijn zwempartijtje in zee.
Het water was wild en woest, met stevige golven, maar het was ook lekker warm, zo eind augustus. Lang heb ik niet gezwommen, daar was het te onstuimig voor. Maar ik heb genoten, en nu zit ik hier na te genieten op mijn strandstoeltje in het mulle zand. Lekker aan het lezen, koel biertje bij de hand. Maar meestal dwaalt mijn blik weg van de bladzijden, over de weidse zee en naar de nog steeds schelpjes rapende mannen.
Schoon toch. Die zee en die mannen die blij worden van schelpjes rapen.

Ik zit hier goed. Ik ben gelukkig.
En dat hoeft geen kracht te worden bijgezet met een foto op instagram of facebook. Maar een blogje kan ik niet laten, want geluk jaagt altijd mijn creatieve waakvlammetje aan.
Want, … laat u niet misleiden door de afgelopen gelukzalige posts. De waarheid is dat die posts weliswaar volstrekt eerlijk en waarachtig zijn … máár…
1. dat ik meestal enkel schrijf als ik surf op een golfje van geluk
2. dat ik me vaak ’s ochtends – net als half de halve mensheid zeker (met uitzondering van mijn bewonderenswaardige echtgenoot) bij de lurven moet grijpen om m’n bed uit te komen en aan de dag te beginnen. (maar daar schrijf ik dus zelden over, want gaandeweg de dag raak ik toch wel op dreef)
3. dat het leven voor mij en het grootste deel van de mensheid meestal is zoals columniste en schrijfster Aya Sabi beschreef in De Morgen eergisteren: ‘Dan zijn er ook nog de virtuele posts waarbij het lijkt alsof we ons leven zo op orde hebben, terwijl we maar gewoon met z’n allen wat aanmodderen en ons op het einde van de dag wassen om de volgende dag opnieuw aan te modderen. Ik ook, en excuus als mijn Instagram je een ander verhaal vertelt’.

Dus bij deze excuses voor mijn momentele gelukzaligheid, maar gedurende dat dagelijkse aanmodderen ben ik wel op dit momentje van geluk gestuit en nu zit ik tot in de toppen van mijn in het zand wroetende tenen te genieten.

Ik stap op de mannen af. ‘Wat zoeken jullie?’
‘Mijn trouwring,’ zegt de man met de pet en het zwarte T-shirt.
‘Echt?’, schrik ik. ‘Dan snap ik wel dat je al zo lang volhoudt.’
‘Nee hoor,’ lacht hij dan, ‘da’s niet waar, we hadden gewoon tegen elkaar gezegd: als die mevrouw ons komt vragen wat we zoeken, dan zegt ge maar dat we mijn trouwring zoeken, haha! Nee, wij zoeken haaientanden. Daar is het strand van Cadzand bekend voor, ik kwam dat hier in mijn jeugd altijd al zoeken op het strand.’
‘En al iets tanden gevonden?’
‘Nee, niks,’ zegt zijn kompaan in het witte T-shirt met de zonnebril. ‘Maar het is een doel gelijk een ander, he?’
Dan grabbelt zwart T-shirt eens in zijn broekzak en haalt er een handvol witte ronde dingetjes uit. ‘Kijk eens,’ zegt hij, ‘zeeboontjes!’ Hij toont me de kleine ronde omhulseltjes met de prachtige stervormige tekeningetjes op.

Als ik wat later mijn tweede biertje ga halen – in die stoere kaki Stanley mug valt dat niet op, het kon evengoed een mok thee of chocomelk zijn, en het houdt mijn bier lekker koud, en trouwens, ’t is vakantie voor iets he – kom ik de twee weer tegen.
Ik bekijk ze iets beter. Op het witte T-shirt staat een Jack & Jones logo en op het zwarte dat van Jack Daniels. Whiskey met een ‘e’ teveel dus eigenlijk, maar dat zeg ik niet hardop.
Ze komen uit Leopoldsburg, vertellen ze. Wat is de wereld toch weer klein.
‘Defensie?’ vraag ik.
‘Nee, enkel mijn militaire dienst heb ik daar gedaan,’ vertelt zwart T-shirt, ‘maar ik was beter gebleven. Schoonste tijd van mijn leven!’
‘Zeg, wanneer komt dat boek uit? Wij komen daar toch niet in voor  he!’ wil hij weten.
‘Natuurlijk komen jullie erin voor,’ lach ik, ‘en het is geen boek hoor, gewoon een blogje.’
‘En waar kunnen we dat lezen?’
‘martineschrage.com. Zonder ‘e’ en zonder ‘n”.
De mannen vertrekken, ik blijf lezen.
Het wordt later, het wordt fris.  Maar het is hier nog zo heerlijk aan zee. In de bus heb ik genoeg warme kleren. Ik zit ondertussen op mijn strandstoel ingeduffeld in mijn hennep houthakkershemd, een merino wollen truitje en een lekkere donsjas. In zee zwemt nog een moedige vrouw. Ik wil er ook wel nog eens in, maar heb geen zin meer in natte spullen nu alles net goed droog is. 

Vóór me zit een gezinnetje van drie dat zich ook goed genesteld heeft: na een partijtje petanque zitten ze nu aan een flesje bier te lurken (zoontje een blikje limonade) en hebben ze net een zak chips open getrokken. Dat heb ik niet bij. En ik mis het ook niet.
Ik bel mijn mannen. Het gaat er goed mee (toch degenen die ik kan bereiken, maar ik heb er alle vertrouwen in dat het degenen op wiens voicemail ik stuit, ook prima gaat). Fijn zo.
Gesterkt door bier en chips gaat het gezinnetje voor me nog een rondje petanquen. 
Ik duik terug in mijn boek tot het te donker wordt om de letters nog van elkaar te onderscheiden.



Te goed voor slecht nieuws

In de wijde omtrek is hier geen levende ziel te bekennen. Voorwaarde één om volmaakt tot rust te komen is daarmee genoegzaam vervuld.
Toch gonst en zindert het om me heen van leven. Ruisend en fluisterend riet, schrijvertjes die ijverig hun gedichtjes op het water schaatsen, een vis die met een plons een rimpeling in het ven veroorzaakt, biddende roofvogels in het zwerk boven mijn hoofd, kwetterende musjes en tsjilpende tjiftjafs. Hier en daar een insect dat niet al teveel hinder bezorgt.
Het is hier goed.
De krant vol onheilstijdingen leg ik al snel weg.
Het is hier te goed voor slecht nieuws.

Als mijn boek uit is, en mijn glas leeg is, ben ik toe aan een dutje. Het koeltasje waarmee ik het meegebrachte biertje fris heb gehouden doet nu perfect dienst als hoofdkussentje.
Het dutje doet deugd. Er ontstaan zinnen in mijn hoofd die neergeschreven willen worden. Het wordt een genietblogje op dit genietdagje.
Ik pak mijn boek weer op en lees verder.

Nee, ik ben niet op vakantie. Ik heb geen trein, geen auto en geen vliegtuig hoeven nemen om hier een paar heerlijke uren voluit te genieten. Vlakbij valt zoveel te genieten.
Zo zalig als de dag was, zo verrukkelijk was ook de avond. Het is namelijk net de leukste week van het jaar: de laatste week van augustus is altijd de week van MOOOV Wijkt Af. Gratis films in openlucht. Elk jaar pik ik er wel een paar mee. Vanavond speelde ‘To Olivia’, over schrijver Roald Dahl. Een prachtige film op een prachtige locatie op een prachtige avond.

Alsof dat allemaal nog niet genoeg zegeningen waren voor een doordeweekse dag, toverde de loodgieter ook nog mijn oorbel terug uit de sifon waar ik hem in had laten vallen. Ja, het was een wondermooie dag.

PS: MOOOV wijkt af gaat nog even door. Donderdag speelt ‘Gli anni più belli‘ en vrijdag ‘Délicieux‘. Gaat dat zien!

Een gelukkige moederdag indeed

Het begon al erg goed: een lief kaartje in de badkamer bij het opstaan.
Thee en een meditatietje buiten. Aardbeitjes en een verse croissant.
Wolken! En navenante afname van de temperatuur na de hitte van de afgelopen dagen!
Op de fiets naar een vennetje, waar ik me installeer met Julian Barnes’ ‘Elizabeth Finch’, en een paar uur heerlijk zit te lezen.
Man en hond komen me vergezellen en we maken samen een wandelingetje. Waarna ik met een biertje bij de hand mijn boek uit lees.

’s Avonds een mooie bos bloemen en lekker eten met kinderen en schoondochter. (Met kind en schoonkind dat er niet bij kon zijn, hebben we gisteren al een genoeglijke namiddag doorgebracht.)

Een gelukkige moederdag aan alle moeders out there.
Ik denk dat mijn eigen moedertje en schoonmoeder van daarboven hebben toekeken en zagen dat het goed was. Daar kon ik het alleen maar volmondig mee eens zijn.

Ja, ik wil. (een poetskar)

Er is iets aan de hand in zwerfvuilland. Ik ben er nog niet helemaal achter wat het is, maar dát er iets is, is onmiskenbaar. Er ligt veel minder zwerfvuil.
Sinds ik terug ben van vakantie ben ik nog niet één keer zwerfvuil gaan rapen. Natuurlijk ligt dat deels aan de heerlijke zomer waarin er zoveel leuks te doen is dat aanlokkelijker is dan zwerfvuil rapen. Maar het ligt vooral aan het simpele feit dat er veel minder zwerfvuil ligt. Dus irriteert het me minder en juist die irritatie is vaak de aansporing tot een opruimtoertje.

Minder zwerfvuil kan slechts belangrijke twee oorzaken hebben. Óf er wordt minder weggegooid, óf er zijn meer zwerfvuilvrijwilligers actief. En aangezien ik weinig fiducie heb in de eerste menssoort, ga ik voor optie twee. Er zijn meer goedzakken die andermans troep opruimen. Waarvoor dank! Wat is het fijn om te zien dat zwerfvuil geen hopeloze zaak is.
Ooit komt alles goed, nietwaar?

Maar het is niet omdat het al behoorlijk goed is, dat het niet nog beter kan. Dus natuurlijk ga ik weer zwerfvuil ruimen als mijn agenda niet meer bol staat van leuke dingen.
In dat kader heb ik een verzoek.
En dat luidt als volgt: ik wil ook zo’n poetskar als Danny! Danny is namelijk supervrijwilliger, en daarom werd hij door de stad in de bloemetjes gezet met een nieuwe poetskar. Lees het zelf maar in dit artikel op vrt.nws.
Ik weet niet hoeveel zakken Danny al heeft opgehaald, en ik kan vast bijlange na niet aan hem tippen, maar ondertussen heb ik wel geleerd dat er 200 zwerfvuilvrijwilligers zijn en dat we met zijn allen jaarlijks bijna 2600 zakken vol met zwerfafval vullen. Een fraai resultaat. Hoeveel zakken daarvan van mij zijn, heb ik natuurlijk niet bijgehouden. Zelfs voor een dochter van een boekhouder zijn er grenzen aan de cijfers en de lijstjes van wat een mens wil bijhouden.

Maar het interessantste wat ik leer uit dit artikel staat in de laatste alinea: ‘In oktober worden de zwerfvuilvrijwilligers allemaal in de bloemetjes gezet met taart en koffie. De schepen verklapt dat er dan nog een drietal karren zal verloot worden onder geïnteresseerde vrijwilligers.’
Mag ik hierbij mijn interesse kenbaar maken?