randgeval

Hoe komt het toch dat een mens, eenmaal de vijftig voorbij, er als een halve debiel uitziet als hij een fietshelm op zijn hoofd zet?
Een deel van deze randgevallen zou er al een stuk beter uitzien als hij de helm niet zo ver achterover op zijn kop zou zetten, maar dat alleen lost het probleem niet op.
Echtparen met gelijke fietsen en dito fleecevesten – of o gruwel, uniseks joggingpakken! – zijn ook niet bevorderlijk voor het imago van de grijze gehelmde fietser.

Ik heb drie fietshelmen, en nog rijd ik meestal rond zonder. Áls ik al een helm draag, let ik er goed op dat ik hem niet te ver achterover zet en dat hij niet scheef staat, maar waarschijnlijk zie ik er even debiel uit als al die anderen. Een paar overjaarse hipsters uitgezonderd, die overal mee wegkomen, staan wij, oudere fietsers, voor de keuze: veiligheid of toch nog een restje waardigheid.

Met fluo heb ik me ondertussen al verzoend. Met het felgele jasje dat ik afgelopen zomer scoorde, voel ik me goed én een stuk veiliger want zichtbaarder. Maar met een helm voel ik me nog steeds niet goed. Ik vind het onaangenaam: gek genoeg voelt wind om m’n blote hoofd veel minder koud dan wind die door de gaten van een helm waait. Ik vind de druk van een helm – hoe vederlicht ook – op mijn hoofd onaangenaam. Én ik vind het gedoe. Want waar laat je het ding als je al rondsjouwt met handtas, dokterstas, sjaal en handschoenen. Als ik nóg meer spullen in en uit die fietstassen moet halen bij elk huisbezoek, gaat de lol er wel vanaf. Dus misschien ben ik gewoon een beetje lui. En is die fietshelm net dat handelingetje teveel. Aan mijn haar ligt het alvast niet, ik ben niet bang voor een platgedrukt kapsel of zo. Sterker nog, er is een dikke dot gel nodig om het een beetje in het gareel te krijgen. Mijn ‘betonkop’ noemt het schattige pubertje dat hier in huis rondhuppelt mijn kapsel liefkozend, terwijl ze met haar vlakke hand op mijn hoofd timmert.
Daarmee timmert ze trouwens ook graag op het hoofd van mijn man. Misschien is het gewoon een hobby van haar. Of komt het doordat hij kaal is.
Maar ik dwaal af. Terug naar fietshelmen en haar, want zelfs met die betonkop van mij rest er nog een klein haar-bezwaartje. Als ik net gedoucht heb en met nat haar op de fiets kruip, droogt het met van die gekke ribbels erin. Dat ziet er echt raar uit. Heb ik trouwens enkel met de gestreepte helm, hoe de andere twee functioneren als droogkap, heb ik nog niet uitgeprobeerd.

Dus ja, misschien ben ik vooral lui. Of ijdel. Of overmoedig. Of praktisch. Maar vooral: niet veilig. Dus eigenlijk gewoon dom. Ik hoef me geen illusies te maken: al is een flinke smak mij tot op heden bespaard gebleven, de fietsende mens is kwetsbaar. Vooral in tijden van fietssuggestiestrookjes en moordstrookjes. (Daarover moet ik dringend eens bloggen!)

Welbeschouwd kleven er aan de helm dus alleen maar nadelen. Op dat ene allesoverheersende voordeel na dat met een grote haal alle nadelen van tafel veegt: de kans dat je na een klap door kan gaan met leven. En dat je dat met een redelijk hoofd mag doen. Die kans laten liggen, dat is pas debiel.
Ik zal mijn leven dus moeten beteren. De keus is simpel: nu een beetje debiel eruit zien of het risico lopen dat ik die keuze niet eens meer héb.
Al is het vooruitzicht om ingelijfd te worden bij het leger der grijze fietsende debielen misschien wel een groter schrikbeeld dan de dreiging die uitgaat van het moordstrookje.
Zie ik er ook uit als een mongool als ik mijn fietshelm draag?
Eerlijkheid wordt niet op prijs gesteld.

het predikheren

Elke keer is de laatst bezochte bib de mooiste. De verrukkelijkste ooit gezien. Ik heb er zestig fietskilometers en drie en een half uur voor over gehad, grotendeels tegen de wind in, langs de magnifieke Netevallei (ik wist niet dat Vlaanderen zo mooi kon zijn, steeds weer sta ik versteld van dit soort prachtige ontdekkingen zo dichtbij huis), en o god wat was het dat allemaal waard om de laatste bib-aanwinst te bezoeken.
Het Predikheren in Mechelen.

Bijna miste ik hem nog na al die inspanning, want, aangekomen in Mechelen, meldt Google Maps me: ‘mogelijk gesloten als u er aankomt’. Dat was gelukkig buiten de vrijwilligers gerekend. Want de koffiebar mocht dan inderdaad gesloten zijn, de vrijwilligers hielden de bib gelukkig open op zondag ná het officiële sluitingsuur van 13u.

Gelukkig heb ik zelf koffie bij.
In tegenstelling tot de agressief-assertieve Nederlander in een rolstoel die de chef van de Barbib toesnauwt dat het een schande is dat hij niks te drinken kan krijgen op deze zondagnamiddag. Ik zie de vrouw naast hem ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte. De chef antwoordt de nare man vriendelijk: ‘Mijnheer wij zijn zeven op zeven open, alleen op zondagmiddag sluiten we. Wij hebben ook een gezin en ik hoop dat u daar begrip voor heeft.’ Zijn kalmte en geduld zijn bewonderenswaardig. De assertieve Nederlander is netjes op zijn nummer gezet en zit nog een tijd na te mopperen. Ik kan er met mijn verstand niet bij hoe iemand nog iets te mopperen kan hebben temidden van deze tuin van Eden. In de voormalige kloostertuin is een heerlijk binnenterras aangelegd waar ik even kan bekomen van de fietstocht voor ik deze boekentempel durf betreden. Een jazzy muziekje brengt me alvast in de juiste stemming.
Hoewel… dat is helemaal niet nodig. Voor bibliotheken ben ik altijd in de stemming. En van deze ga ik helemaal dromen…. die balken! Al dat hout! De collectie!
Ik was al wég van de bib in Hasselt, van de LocHal in Tilburg, van die in Amsterdam aan de Oosterdokskade. Maar Het Predikheren spant de kroon. Bij gebrek aan passende superlatieven, zal ik het er maar op houden dat als de nieuwe bib in Turnhout ook maar een fractie van de sfeer en de charme van Het Predikheren heeft, dat ik dan de gelukkigste inwoner van Turnhout ben.

Misschien ben ik een beetje endorfine-high van het fietsen, misschien lag het aan het prachtige zonnetje vandaag in deze natte herfst, maar echt, het is de mooiste bib die ik in mijn leven al heb gezien.
Van zo’n bib krijgt een mens schrijfgoesting. Hier hangt inspiratie en energie in de lucht. Net als musea verlicht een fijne bib een mensenhart. Het mijne toch.

Ik wandel langs de leestafels – sfeervolle ledverlichting, stopcontacten op elke werkplek – en mijn blik blijft haken achter ‘De gids. lijfblad voor lezers en schrijvers’. Nooit van gehoord. Ik blader er wat in, lees een verhaal van Daan Herma van Voss en sla alweer aan het dromen… ik wou dat ik zo kon schrijven!

Voor ik helemaal wegzweef, ga ik alle trappen weer naar beneden en zet me terug in de kloostertuin met mijn zelf gebrouwen koffietje. Ik diep deel vijf van ‘De zeven zussen’-reeks uit mijn tas en lees verder waar ik gisterenavond in slaap gevallen ben. Wat een verslavende reeks. Lucinda Riley, de auteur, raakt nog niet aan de hielen van Heerma van Voss, haar boeken zijn literaire fastfood volgestouwd met het ene cliché na het andere, maar haar verhalen zijn meeslepend en er is niks mis mee om je af en toe te laten meesleuren in een wereld waar alle droomjurken roomwit zijn, waar jonge vrouwen steeds op hun onderlip bijten en waar ze bij bosjes vallen voor altijd weer een lange donkere man met woest aantrekkelijke ogen.

Je moet niet verder willen springen dan je stok lang is. In mij zit geen Lucinda Riley noch een Heerma van Voss verborgen maar van dit uitstapje ben ik helemaal opgeladen en voldaan vat ik de terugtocht aan. Al die inspiratie heeft toch maar mooi weer een blogje opgeleverd.

Heerlijk, zo’n geit in huis

Gisteren had ik een zonneklaar ‘geval van geit’ aan de hand. De geit was in dit geval een achterwachtdienst.
Van achterwacht zijn betekent dat ik moet komen opdraven om wachtdienst te gaan draaien als een collega niet komt opdagen voor zijn shift. Ik was dus ‘vrij tenzij…’

De achterwachtdienst begon om acht uur. Als ik tegen tien uur niet gebeld zou zijn, kwam ik er met de schrik vanaf en kon een heerlijk vrij weekend beginnen. Maar bij pech was ik eraan voor de moeite en kon ik tot acht uur ’s avonds gaan zwoegen op de wachtpost.
Het kleurde mijn zaterdag in een vreemd sfeertje, moet ik u zeggen. Fris gewassen en gestreken stond ik om acht uur klaar voor het geval dát. Het was een beetje zoals de paraplu die je meesjouwt als verzekering tegen de regen. Ik stond klaar om te gaan werken in de hoop dat het klaarstaan alleen al me genoeg goodwill van de goden zou verschaffen om absolutie te krijgen en vrijgesteld te worden van wachtdienst.

De ochtend trok zich traag op gang en de tijd kroop met een slakkengang vooruit. Toen eindelijk de klok tien uur sloeg, was dit de stand van zaken:
1. ik had een zeer nuttige ochtend doorgebracht en een hoop administratieve, mail- en andere was- en opvouwklussen afgewerkt, want ik was toch de eerste uren aan huis en telefoon gekluisterd en maakte er dan ook maar het beste van. Dat gaf al een hoop voldoening en energie.
2. de regen die al uren uit de lucht viel, stopte acuut om tien uur en de zon begon te schijnen. Ik verzin dit niet.
3. de telefoon had zich niet laten horen en doodgemoedereerd wandelde de geit naar buiten, mijn humeur daarbij tot een welhaast eufore piek opstuwend.

Nu moet ik u misschien dringend uitleggen wat zo’n geit-geval is. Onze Noorderburen kennen dat goed sinds cabaretier Claudia de Breij haar boek ‘Neem een geit’ schreef maar in Vlaanderen is het nog een onbekend verschijnsel, al zal iedereen het gevoel herkennen na mijn uitleg. Het geit-verhaal in Claudia’s boek wordt haar verteld door Hanneke Groenteman en gaat zo:
‘Een arme, oude Joodse man woont in een heel klein hutje met vijf kinderen en een zwangere vrouw. Ze kunnen hun kont niet keren, het is veel te vol. Die man is ten einde raad, gaat naar de rabbijn en zegt: rabbi, ik heb een huisje, vijf kinderen, mijn vrouw is zwanger, ik word helemaal gek in dat kleine hutje, wat moet ik doen? De rabbijn zegt: neem een geit in huis. Die man denkt: een geit? Maar hij doet alles wat de rabbijn zegt en koopt dus die geit. In dat volle hutje, met die zwangere vrouw en die vijf kinderen, komt een poepende, piesende geit. Hij wordt helemaal gek natuurlijk en gaat een week later naar de rabbijn terug. Hij zegt: rabbi, die zwangere vrouw, die vijf kinderen, die geit, wat moet ik doen?
Zegt de rabbijn: doe die geit weg.’
Na dit verhaal zit Claudia Hanneke wazig aan te kijken en legt Hanneke verder uit: ‘Dan heeft hij ruimte, snap je? Dus wij hebben heel vaak in de familie dat iemand zegt: die heeft een geit. Iemand heeft bijvoorbeeld een afspraak en die ander belt af. Of je gaat er zelf niet naartoe, en merkt dan dat je ervan geniet dat je niet hoeft. Dan was het een geit.

De les is eigenlijk: doe die geit weg. Want een geit nemen, dat heb je vaak gedaan. Je hebt het alleen niet doorgehad. Als je te druk bent, gestrest, slecht slaapt, niet aan jezelf toekomt, niet leuk bent: zoek de geit. En doe hem dan weg.’

Nou had ik deze geit niet zelf in huis gehaald, ze was me opgedrongen en hoort nu eenmaal bij mijn werk. Maar toch. Moesten we vaker doen. Heerlijk zo’n geit in huis. Vooral als ze om stipt tien uur de deur uit wandelt en je je huis, je dag en het rijk weer voor je alleen hebt.

*Deze blog verscheen eerder in Medisch Contact: dit is de link.

monkey mind

Al snel waaien mijn gedachten naar het verjaardagsfeest van afgelopen zaterdag. Die chocotoff-taart was geen overrompelend succes, volgende keer toch een andere kiezen. De Limoncello na de koffie was top, maar wat jammer dat hij niet gekoeld was. Met ijsblokjes lukte het wel, maar misschien had ik het ijs moeten crushen, dat was lekkerder geweest bedenk ik me nu.
Voor mijn geestesoog verschijnt een beeld waarin ik met een hamer sta te kloppen op een theedoek gevuld met ijsklontjes. Dat kan handiger. Gewoon in de blender. Of zoals ze dat in Amerika doen: een enorm ijsblok te lijf gaan met een icepick. Waarmee dat mens in Basic Instinct de man vermoordde. Of was het andersom? En toen was daar het beaver-shot.

Oh ja, terug naar hier, terug naar nu, terug naar mijn adem. Ik zit namelijk te mediteren, en dit is wat mijn geest doet: van hot naar her springen. Daarom noemen we het in zen de monkey mind.
Adem in en adem uit… en weer in… en uit…
Geen drie tellen later ben ik alweer weg: deze keer schiet ik in een podcast-fantasie. Ik wil podcasts gaan maken. Ik heb al drie interviewvragen verzonnen voor ik alweer bedenk waarvoor ik hier zit: oh ja, om te mediteren, om te ademen. En ‘mijn geest geest leeg te maken’.
Dat laatste is fictie. Je geest leeg maken bestaat niet. Hooguit is er een kleine pauze waarneembaar in die continue gedachtenstroom. Die pauze is je moment om weer in de driver’s seat plaats te nemen en de controle over te nemen van die monkey mind. Terug naar hier, terug naar nu, terug naar ademen. Zitten, ademen, aanwezig zijn.

Het lukt een tijdje om helemaal bij mijn ademhaling te blijven. Om de golfslag van mijn adem te voelen in mijn hele lichaam. Hoe de lucht naar binnen stroomt en weer naar buiten gaat. In… en uit… en in… en uit…

Verdorie, nu ben ik Wim alweer vergeten te vragen of hij dat leeslampje niet lastig vindt, als ik ’s avonds in bed nog zo lang zit te lezen in de 7 zussen-reeks die ik van buurvrouw Katrien en buurvrouw Ilse mocht lenen.
Die paracetamol heeft vanavond trouwens ook niks gedaan, ik voel nog altijd wat hoofdpijn. Mijn benen doen pijn. De kerkklok slaat negen. Is het nog geen tijd? Hoe lang nog?
Oeps, ademen. Ademen. Ademen. En nog eens. Nog eens. En nog eens.
Zal wel mooi worden die kasten die we gaan laten maken voor de bureau, ik kijk er zo naar uit om alles mooi te gaan inrichten en ordenen! We zijn from scratch moeten beginnen met een andere firma, want met Camber liep het voor geen meter. Wat een belabberde service. In mijn hoofd ben ik de mail aan het schrijven naar Camber, om te bedanken voor bewezen diensten. Ik strek mijn benen. Wat een gek gevoel als de doorstroming daar weer op gang komt. Wel lekker ook eigenlijk. Hoe lang nog? Zijn die twintig minuten nu nog niet om? Zal wel niet lang meer zijn. Nog even doorademen, kom op. Zal ik nog een paar van die Hema-handschoentjes bijkopen? Ze zijn spotgoedkoop (geen vijf euro voor twee paar!) en ze zitten supergoed, zo heb ik vanavond proefondervindelijk vastgesteld. Al is twee paar eigenlijk ook wel genoeg om een winter door te komen, niet? Maar Stella éét zowat handschoenen, denk ik soms. Want waar verdwijnen al die verloren exemplaren anders naartoe? Steeds één helft van het paar verweesd achterlatend, want ze verliest er nooit twéé… Vreemd… Adem…
Fijne plek toch altijd hier. En zo stil. Wat een weelde eigenlijk om zo samen te kunnen zitten zwijgen.
Kijk nou, wat een gekke vlek daar op de vloer. Oeps, ademen. Ademen. Ademen. Zeg, heb ik die paracetamol eigenlijk wel ingenomen? Ik weet dat ik een tabletje in een glas water heb gegooid, maar ik herinner me eigenlijk niet of ik dat nu opgedronken heb? Geen wonder dat het niks doet… Straks eens kijken in de badkamer of dat glas er nog staat. Oei, als ik nu al zo hard begin te vergeten…
En toen borrelde dit blogje op. Heb ik toch nog iets aan die monkey mind.

Dit ongecensureerde inkijkje in mijn hoofd wordt u vriendelijk aangeboden door de ToBe-mindfulness-terugkomsessie van zojuist. Met dank aan alle deelnemers. Wat doet dat een mens veel deugd.

losers

Wij zijn de kneusjes van de straat. Nu het zwembad bij de overburen eindelijk af is, hebben ook de laatste zwembadloze buren de werkzaamheden aangevat: ook daar komt er één. Wat ons definitief tot de laatste zwembadlozen van de straat bombardeert. Sukkels. De losers, de kneusjes, de paria’s van ’t straat. Degradatie naar vijfde provinciale. Met dat stigma zullen wij moeten leren leven, want bij ons zal er nooit één komen. Het zit er gewoonweg niet in, en los daarvan weet ik niet of ik het over mijn hart zou krijgen in deze tijden van vliegschaamte, vleesparia’s en andere neologismen waarmee we om de oren geslagen worden sinds we ons openlijk zorgen maken over de planeet: voortplantingsschaamte, plasticschaamte, treintrots, …

‘Hoe durf je!’ toeterde Greta ons allemaal woest toe. En dan antwoord ik bedremmeld: we hebben ‘maar’ één auto, geen zwembad dus en een kleine restafvalcontainer voor ons gezin van vijf personen. Ik doe bijna alles met de fiets. Dat zijn allemaal organisch gegroeide keuzes, mijn man kookt zelfs al geregeld vleesloos en dat heeft niets te maken met milieu-fundamentalisme. Onze ecologische voetafdruk is vast nog buitenmaats. Onze zwembadloosheid is dan ook eerder een geval van toeval dan van zwembadschaamte.
Al zwem ik wel heel graag. En lijkt het me heerlijk om te kunnen poedelen in je eigen tuin in zomers als degene die we net beleefden. Maar zwemmen doe ik dan maar in het fijne stedelijk zwembad van Turnhout, wat als extraatje een heerlijke sauna heeft, waar ik ook nog eens geregeld blog-inspiratie opdoe.

Er staat bij ons ook geen Porsche voor de deur. We zijn echte losers.
Gelukkig zijn er véél ergere dingen dan het gemis van een zwembad of een Porsche: geen douche hebben, geen dak boven je hoofd, geen werk, ziek zijn, je land moeten ontvluchten, om maar een paar dingen te noemen. Of chronisch geconstipeerd zijn – ik zeg maar wat. Daarvan zijn we gelukkig gevrijwaard gebleven tot op heden.
Nee, we tellen onze zegeningen en voelen ons rijk. Ons zwembad mag dan wel leeg/onbestaande zijn, ons glas is wel halfvol.
Hoe rijk je ook bent, uiteindelijk verlang je naar dingen die je niet kunt krijgen. Een mens is nu eenmaal een verlangend wezen. Ik las ooit in een top tien van adviezen voor een lang en gelukkig leven, dit: ‘ga in een straat wonen waar de meesten het minder goed hebben dan jijzelf.’
Daarin hebben we glansrijk gefaald. Maar wat wel gelukt is: we wonen in een straat waar we goed samen lol kunnen maken. De zomerbarbecue en de winterfakkeltocht zijn vaste waarden van jaren her, tradities waar we stevig aan hechten. We zorgen voor elkaar en steunen elkaar als de nood aan de man is, we waarschuwen elkaar als er vreemde dingen gebeuren in de straat, en we vieren de grote gebeurtenissen van het leven samen met veel toewijding. Een sterk staaltje van gezonde sociale cohesie, quoi.

Er staat bij ons geen Porsche voor de deur, statusblik kunnen we ons niet permitteren. Wel een tweedehands blauw hybride vehikel. Je kunt naar boven of naar beneden kijken, die keuze maak je zelf. Deze kneusjes hebben het supergoed.
En als je wil horen hoe ‘losers!’ echt hoort te klinken, luister dan naar Het Heerlijk Hoorspel ‘De Reisgenoot’ van het Geluidshuis. Hoe acteur Johan Heldenbergh daar zijn kornuit de huid volscheldt voor ‘LOSER!!’, dat is van een ongeëvenaard niveau. Alleen Johan mag mij een loser noemen, ik zal die geuzennaam trots en met geheven hoofd dragen. Voor het milieu. En voor Greta. Dan maar geen zwembad.

superduper

‘Ik heb nog één vraagje. Van die zwemdingskens, wat is nu het beste: moet je het eerst snel doen of eerst goed doen?’
Daar weet de vader zo direct geen antwoord op. De zoon heeft net zwemles gehad en komt even bij zijn vader in de sauna bijpraten. Hij heeft veel geleerd en legt uit wat hij met zijn benen en armen moet doen en dat het hem al gelukt is om een hele zwembadlengte te zwemmen, ‘met enkel de buikband nog om.’
De vader spreekt moeizaam Nederlands en is blij dat zijn zoon meteen goed leert zwemmen, ‘want ik heb het verkeerd geleerd en als je iets fout hebt geleerd, dan is het veel moeilijker om het nog te veranderen’, legt hij uit.

Ademend en zwetend, luister ik stilletjes hun conversatie af.
‘Engels is echt moeilijk’, switcht zoon vlot van zwemmen naar talen.
‘Engels is heel belangrijk,’ antwoordt de vader. ‘Engels is passe partout, dat kan overal in de wereld. Maar nu woon jij in België, jij moet eerst goed Nederlands en Frans kennen.’
‘Kan jij dat goed?’ vraagt de zoon. Hij wacht het antwoord niet eens af. ‘En Arabisch? Kan jij dat goed?’
‘Natuurlijk, Arabisch is mijn moedertaal,’ antwoordt de vader.
‘Ah, dan kan jij dat superduper goed!’ roept zoon uit.
Het blijft stil. Ik adem, zweet, luister.
‘En wat kan ik superduper goed?’

‘Zwemmen al bijna,’ beantwoordt de zoon zijn eigen vraag. De hitte doet hem lager oorden opzoeken, hij schuift van de bank af. ‘Hé kijk, hier is een geheim luik!’

Halfvol

Het wordt tijd om te beslissen wat voor iemand ik wil zijn: ben ik iemand voor wie het glas halfleeg of halfvol is?
Wat vond ik dat een prachtige vraag! Ze viel in mijn inbox en kwam van één van de cursisten toen we bijna halverwege de mindfulnesstraining waren, en als er oorwurmen bestaan in de vorm van vragen, dan nestelde deze zich daar heel diep voor de rest van de dag.
Een vraag als een gecomprimeerde leidraad voor het leven. Unzip it en een explosie aan levenswijsheid raakt je vol in de buik. 

Want wat zegt deze vraag over deze cursist? Dat ze de belangrijkste horde van mindfulness al genomen heeft: het besef dat je kunt stoppen en kijken. Dat iets niet waar of onwaar is, niet goed of slecht, niet mooi of lelijk, maar dat je afstand kan nemen, en ernaar kijken zonder er iets over te hoeven besluiten. Dat je de tijd kan nemen om de vraag te laten zijn. En erbij te blijven. Dat er geen oplossing hoeft te zijn. 

De vraag blijft door mijn hoofd zingen. Wat zegt deze vraag over mij? Natuurlijk wil ik iemand zijn voor wie het glas halfvol is. Op zijn minst! Alleen al het stellen van deze vraag, doet me anders kijken naar het moment waar ik in zit. Wat voor iemand ben ik? Ik ben iemand die naar een halfleeg glas zit te kijken en dan kan denken:  ‘Tiens, misschien is het glas wel halfvol, ik mag dat gewoon zelf beslissen’. Kijk maar: de zon schijnt, ik heb lekker gefietst, het is een zalige zondagochtend, ik heb de tijd aan mezelf, ik zit op het terras, lees wat krant, drink een koffie, een blogje plopt op, ik typ het uit… Ik ga nog moeten oppassen dat het glas niet overloopt.

Vanavond ben ik van wacht, de nacht zal rommelig en onderbroken zijn. Er zal vast een moment komen dat ik vermoeid zucht om een halfleeg glas. Maar dan zal ik beseffen dat ik de keuze heb: wat voor iemand wil ik zijn? Ben ik de persoon die een glas als halfvol of als halfleeg beschouwt?

to don’t list

Ze zou me voor de krijgsraad sleuren, de generaal die de ToDon’tList heeft uitgevonden. Ze heeft hem niet echt zelf uitgevonden, en ik ken haar naam niet, maar het verhaal daarover op de eerste pagina van het notablokje dat ik in de zevende boekenhemel van Theoria in Kortrijk kocht, gaat zo: ‘Op een keer werd een psycholoog uitgenodigd in het Pentagon om aan een groep generaals een workshop time- en middelenmanagement te geven. Bij de start van de workshop vroeg hij elk van hen om in 25 woorden op te schrijven welke strategie ze gebruikten voor time- en resourcesmanagement.
Daar liepen alle generaals meteen op stuk, behalve eentje: de enige vrouwelijke generaal in het gezelschap. Deze vrouw had gevochten in Irak en had alle rangen doorlopen op haar weg naar de top. Zij kwam met het volgende op de proppen: ‘Eerst maak ik een lijst met prioriteiten: één, twee, drie, enzovoort. Daarna streep ik alles onder de drie weg.’
Wat deze generaal eigenlijk deed, was haar to-do’s omzetten naar to-don’ts. Ze pikte er slechts drie to-do’s uit om af te werken. Alles onder die lijn werd simpelweg niet gedaan. Dat gaf haar meer tijd om die drie taken goed te doen.’

Het verhaal en het idee spraken me aan, dus kocht ik het ToDon’t boekje.
Maar het lukt me niet. Ik krijg het niet over mijn hart om alles onder het derde item af te scheuren. Dat lijstje is veel te kort voor alles wat ik op een dag moet doen. Correctie: voor alles wat ik op een dag wíl doen. Ik weet het, het ligt aan mij. De hele dag door ploppen er dingetjes op in mijn hoofd, zo van: o ja, dat moet ook nog gebeuren, niet vergeten, en daar moet ik nog aan denken, en dat moet ik nog doen en oh ja…

Dus werden het rommelige lijstjes waar ik kris-kras dingen bij- en tussen schreef, want de lijstjes hadden maar negen afvink-vakjes en daar kwam ik bijlange na niet mee toe. De lijstjes werden zo’n zootje dat ik maar weer over ging op het gebruik van gewone notablokjes. Het bleef dus wel een papieren aangelegenheid want fysieke to-do-lijstjes vind ik veel prettiger dan digitale. Wegstrepen met een pen geeft zoveel meer bevrediging dan deleten met een knopje.
Dus bleef het boekje liggen. 

Tot ik het onlangs customizede tot het perfecte to-do-lijstje voor mij: de negen vierkante afvink-hokjes waren niet alleen ruimschoots onvoldoende, ze stonden ook te ver uit elkaar. Dus wat doe ik tegenwoordig? Tussen elke twee vierkantjes, teken ik er één bij. In plaats van een 9-punten lijstje dat ik onder punt drie zou moeten afscheuren, heb ik zo een 17-punten-lijstjes. Daar past mijn dag al een stuk beter in. 

Toch krijg ik heus wel dingen gedaan en pas ik zelfs de drie-prioriteiten-strategie licht verdund toe: meestal kies ik voor de komende dag één klusje dat écht gedaan moet worden. Ik noem het de k-klus (ja van het drieletterwoord voor vagina), en omdat het een echte k-klus is, kom ik er aan het einde van de werkdag meestal achter dat ik die ene vervelende klus alweer voor me uit geschoven heb. 
Al ken ik alle trucen van de foor om ze wél gedaan te krijgen: de DERK-methode (Doe Eerst De Rotklus), de kikker-methode (Eat a Frog for breakfast*) en de Pomodoro-techniek (met de kookwekker). Alle dada’s van de productivity-freaks dus. Of de lifehackers. Of ander hip volk dat zich tokkelend op hun laptops alsof hun leven ervan afhangt in koffiebars verschanst en zich onledig houdt met het slurpen van lattes, terwijl de rest van de mensheid het echte werk wel zal doen.

De latte is op. Ik klap mijn laptop dicht en blijf mijn lijstjes overladen. Ik zal het wel nooit tot generaal schoppen. 

ToDont.co van BisPublishers

*Begin je dag met een levende kikker als ontbijt; deze metafoor voor de rotklus komt blijkbaar van Mark Twain: Eat a Live Frog Every Morning, and Nothing Worse Will Happen to You the Rest of the Day. … Mark Twain once said that if the first thing you do each morning is to eat a live frog, you can go through the day with the satisfaction of knowing that that is probably the worst thing that is going to happen to you all day long.
Bron: https://quoteinvestigator.com/2013/04/03/eat-frog/

niks speciaals

Het was maar Bretagne. Het was maar 700 kilometer ver, amper een dagreis. Het was maar een huisruil (dat wou ik al heel lang uitproberen en deze onzekere zomer bood daarvoor een uitgelezen kans: kunnen en willen alle kinderen nog wel mee? Herexamens? Nestvlieders die naar het buitenland trekken? Toch liever met lief of vrienden dan met papa en mama op vakantie?) en dus was het ook maar een vakantie-adres van nul euro. Met krakkemikkige wifi, krakende vloeren en milieubewuste ‘droge wc’s’. Wel had het huis de meest sensuele houten trap die ik ooit gevoeld heb onder mijn blote vakantievoeten.
Het was niet de andere kant van de wereld, eerder onze achtertuin.
Het was niet spectaculair, niet instawaardig, er viel niks indrukwekkends te posten op Facebook. Er was nul druk. Er hoefde eigenlijk helemaal niets.
Niets. 

Precies daardoor, waren de dagen in Bretagne van een onbestemd soort mistigheid die me blij stemt. Weer om niets te doen, zacht en windstil genoeg om buiten te zitten en uren aan een stuk te lezen. Soms eropuit te trekken en dan in de tuin bekomen van de veel te toeristische Mont St Michel en een indigestie van te dure mosselen daar. Een welhaast continu wit wolkentapijtje zorgde dat de zon niet echt doorkwam en de temperaturen zacht bleven zonder in overdrive te gaan. We hadden genoeg hittegolf gehad in de afgelopen maanden. Ideale omstandigheden om de 750 geniale bladzijden die Hanya Yanagihara geschreven heeft uit te lezen. De lees-opwarmertjes deze vakantie waren ‘Mijn jaar van rust en kalmte’ van Otessa Moshfeg en ‘Problemski hotel’ van Dimitri Verhulst. De geest stretchen en warmlopen voor het grote werk, die roman dus van Yanagihara: ’Een klein leven’. Een dikke pil waar ik buiten een vakantie niet eens aan moet beginnen. Maar nu was het genieten. Zo door kunnen lezen, een glas tintelende rosé erbij, wat valt er meer te verlangen?

Het was maar Bretagne.
Maar wat hebben we ervan genoten. Van de groene kusten, het diepe aquamarijn van de zee rond de kliffen, de eindeloze wandelingen. De ijsjes van zoute caramel. De assiettes fruits de mer. Van Top Gun. Alweer. (Een jaarlijkse familietraditie: elk jaar herbekijken we die film met zijn allen, lippen we elk woord van de dialogen mee en draaien het volume op maximum als de F-16 motoren vuur spuwen op de tonen van ‘Highway to the danger zone’.)
Van samen marshmallows roosteren boven het kampvuurtje. Van koffie en baguettes. Van het ochtendlijke fietstochtje naar het Depôt de pain in Tréverien voor die baguettes.
Van de stille ochtenden op het beschutte zijterrasje waar ik uren zat met boek en koffie.
Van de eigenwijze kat Lili die bij het ruilhuis hoorde, van John de exotische vis, van de Romeo’s zoals mijn dochter de drie goudvissen gedoopt had en van Spencer, de hamster die zich zelden bij daglicht liet zien.
Van alle kinderen nog erbij te hebben – met aanhang zelfs dit jaar – en te zien tot wat een fijne mensen ze allemaal zijn uitgegroeid. Van het plezier dat die kinderen onder elkaar maakten. (Wees gerust, ze hebben ook uren liggen bingewatchen, het zijn hele gewone kinderen.)

Wat zou het mijn vader verheugd hebben als hij wist dat zijn dochter zo genoot van de streek waar hijzelf zijn kinderen in onze jeugd altijd mee naartoe nam.
Het was maar Bretagne. Het was niets speciaals. Maar wat was het bijzonder.

PS: Na 33 jaar leer ik nog steeds dingen bij over Top Gun: ‘Dat zijn F 14’s en geen F 16’s’, zegt mijn man bestraffend…. Weet ik veel…

nog niet voorbij

‘The summerdays are gone too soon’, zingt Norah Jones en ik voel nu al spijt dat de zomer zijn einde nadert. God, wat hou ik van deze tijd van het jaar.
De stille ochtenden, geen kat op de weg, geen fietsers, de scholen zijn dicht en de fietspaden dus vrij. Wekenlang zonder jas in het zonnetje naar het werk, zo vroeg al een zonnebril nodig zelfs. Werken voelt als vakantie, de zon maakt alles gemoedelijker en aangenamer. De mensen zijn meer ontspannen, de raadplegingen zijn een tikje rustiger, mailboxen blijven leeg en de lange avonden nodigen uit tot terrasjes en buiten mediteren.
Alles gaat makkelijker.

Als de vakantie nog in ’t verschiet ligt, doet het reikhalzend daarnaar uitkijken me zinderen van plezier, en als een geslaagde vakantie weer achter de rug is, kan ik daar nog maanden van nagenieten.
Het was een heerlijke zomer, werken was fijn en op vakantie gaan was fijn. Met angst en beven zag ik de eerste zomer tegemoet waarin we voor het eerst niet meer voltallig zouden zijn. Daar was ik nog niet aan toe – en misschien zal ik dat wel nooit zijn – maar mijn vrees was nergens voor nodig. De realiteit was precies het tegenovergestelde: in plaats van met volk minder, waren we met een man meer. Excuus. Vrouw meer. En wat voor één!
And she fits in. En of she fits in! Maar dat heeft ze altijd al gedaan, want het lief van onze tweede zoon kennen we al van toen ze nog maar net haar luiers ontgroeid was, en ook toen ging ze al geregeld mee op vakantie. Wij leerden haar marshmellows roosteren, zij leerde ons bananen stoven op de barbecue en Casa de papel bingewatchen. Ze stak haar handen uit de mouwen en keek mee naar Top Gun. Ze hoort er zo vanzelfsprekend bij dat ik me alleen maar gelukkig kan prijzen als ik terugkijk op de weken in Bretagne.
Ik word er zowaar een beetje melancholisch van, maar het is nog niet voorbij, die mooie zomer. Laat Rob de Nijs nog maar even op stal staan, laat de zomer nog even duren en laat Norah maar verder zingen… ‘Now the fall is here again…’
Nog niet, Norah, nog even niet.