Downside up

Dirk krijgt zijn cappuccino geserveerd met een welgemeend ‘ik ben blij dat je er bent’. Het meisje aan de koffiebar luistert aandachtig naar zijn verhalen over de reis die Dirk onlangs in Zuidoost-Amerika gemaakt heeft: ik hoor Louisiana en Mississippi waaien, de details kan ik niet verstaan.

Zonet meldde een van de medewerkers van de koffiebar zich ziek. Toen het meisje dat telefoontje afsloot, kreeg de zieke ook een vriendelijke wens mee: ‘Zorg goed voor jezelf en word maar snel weer beter.’

Het meisje gaat rustig door met haar werk, en als Dirk weggaat, zingt ze hem zelfs na: ‘Dirk, als ik jou zie, ben ik niet meer bij te sturen.’

Ik ben ook blij dat ik er ben. Met haar vrolijke begroeting heeft ze Dirk én mij blij gemaakt.
Ik lees verder in het krantenartikel waarover ik gebogen zit. Een sprankeltje lichter dan voorheen.

Van dit in de gauwte neergekrabbelde conversatietje was ik een paar jaar geleden getuige in koffiebar Prins Heerlijk in Tilburg, die mensen met een beperking tewerk stelt. Vervolgens bleef het krabbeltje liggen en het gesprekje in mijn hoofd spoken. Het had me ontroerd, ik wilde erover schrijven, en toch kwam dat er maar niet van. Ik kon er de vinger niet op leggen waaróm het me geraakt had. Tot nu dus.

De sleutel werd me aangereikt door de kortfilm Downside up die ik onlangs zag, van regisseur Peter Ghesquière. De film heeft al een hele weg langs festivals afgelegd en op elk daarvan een prijs of prijsje gewonnen. Net als de werknemers in Prins Heerlijk hebben alle acteurs in deze film een beperking. Hun downsyndroom is de norm in de wereld waarin ze leven. Tot er plots een baby geboren wordt met een ernstige afwijking: hij is ‘normaal’. De baby groeit uit tot een normaal mens, met alle problemen van dien. Hij wordt doodongelukkig omdat hij als enige zo afwijkend is. Hoe het verder gaat met hem, dat kan je aankomend weekend zelf ontdekken. De Vlaamse zender Canvas zendt de kortfilm uit op zaterdag 2 december om 22.15 uur.

Door de film begreep ik waarom ik zo ontroerd was door het gesprekje in de koffiebar: de soms zo grappige en onbeholpen vriendelijkheid van de werknemers in de koffiebar deed iets met mij en met Dirk. De Prinsjes maken de mensen om hen heen zachter: ineens mag alles een versnelling lager. Als een klant zijn koffie komt afrekenen bij de jongen met downsyndroom achter de bar, is het langzame tellen en zoeken naar wisselgeld geen trigger om geïrriteerd en opgefokt te gaan doen, maar juist een moment van slowing down.

Mensen met een beperking zijn belangrijk in onze maatschappij. Want wat ze met mij doen, doen ze met iedereen: ze maken ons een beetje zachter. Ze wijzen ons – totaal onbedoeld en onberekenend, zonder eigenbelang of verborgen agenda – op onze eigen beperkingen. Het is feedback van de meest oprechte soort.

En dat is hard nodig in deze gladgeshopte Facebook-maatschappij. De mensen die eruit dreigen te vallen, mógen er niet uit vallen. Wij hebben hen net zo hard nodig als zij ons.

Ze horen midden in onze samenleving. Midden in ons hart.

Niet voor niets is het thema in de scoutsgroep van mijn dochter dit jaar ‘allemaal abnormaal’.

Want zeg nu eerlijk, hoe normaal ben je zelf?

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

In blijde verwachting

Ik vulde de overlijdenspapieren in, kruiste het vakje ‘natuurlijk overlijden’ aan, nodigde geen gemeentelijk lijkschouwer aan het sterfbed die vervolgens geen telefoontje pleegde met de officier van justitie. Ik condoleerde de familie van de zojuist aan een overdosis barbituraten overleden man en daarmee was de euthanasiekous af.

Aan het water zit ik te bekomen van mijn veertiende euthanasie. De eerste in België. Het valt niet tegen. Het is half november, de zon schijnt, en ik zit op het terras van brasserie Beaux bateaux met een rosé voor me. De boten wiegen zachtjes, de ingeklapte parasols flapperen heftig in de felle wind, maar ik zit beschut achter glas en heb een dikke jas aan. De rosé heeft mij ook een beetje aan het wiegen gebracht.

De glazen afrastering van het terras beschermt me tegen de wind en in dat verder onzichtbare glas weerspiegelt zich het ronde raam van het restaurant. Alsof er in het glas voor me een uitsnijding is waardoor ik de wereld in kijk. Na een euthanasie ben ik inderdaad altijd een beetje van de wereld. Nee, dat is niet precies genoeg uitgedrukt: is sta een beetje buiten de wereld, buiten de alledaagse eeuwig voortrazende drukte van de dag. De dood drukt altijd even op de pauzeknop.

Bekomen van euthanasie. Het blijft een indrukwekkende belevenis. De moed van het oude baasje om het genoeg te vinden en de kinderen om hem heen. Hij zei nog dat de samen verorberde kip curry van vanmiddag erg lekker was. Erg lekker. Jammer alleen dat hij vannacht geen lepel had gevonden toen hij de koekjespudding had willen proeven. Aan de lopende band maakt hij grapjes, ik heb hem in geen tijden zo opgewekt gezien.

‘Ik ben in blijde verwachting’, zei hij gisteren nog, toen ik peilde hoe hij zich voelde in het licht van de naderende euthanasie. En vandaag was er zelfs ongeduld, toen ik vroeg of hij er toch echt mee wilde doorgaan: ‘Hoe vaak ga je me dat nu nog vragen?’

Maar waar ik het eigenlijk over wil hebben, is de grote afstand tussen België en Nederland. Zo dichtbij en zo verschillend. Wat hier gebruikelijk is, daarvoor had ik me in Nederland voor de euthanasiecommissie mogen komen verantwoorden.
Hier voeren we de euthanasie uit met enkel barbituraten. Niemand die daarna nog een spierverslapper gebruikt, en ook in de richtlijnen wordt het slechts zijdelings vermeld. Het mag, als je dat wil, maar niemand die het dus doet blijkbaar. Over het vooraf langzaam inspuiten van lidocaïne wordt met geen woord gerept – doet het hier geen pijn dan? – en ook over het meenemen van een reserveset doen de richtlijnen er in alle landstalen het zwijgen toe.

Aan SCEN-consultaties doen we hier ook niet, de tweede arts die zich komt vergewissen van de situatie, is gewoon mijn collega uit de praktijk.

Ik blijf me verwonderen. En toch, toch voelt het helemaal juist. Maken we het in Nederland niet veel te moeilijk? Ik was blij dat ik eerst een tijd heb kunnen bekomen van de heftige toestanden toen ik bij Levenseindekliniek euthanasiearts was en soms enorme bergen weerstand moest overwinnen voor een mens met een zeer invoelbare euthanasiewens mocht inslapen. Dat was het andere uiterste.

Het voelt ook nu helemaal juist. En wederom stond voor mij vast: euthanasie hoort thuis bij de eigen huisarts.

Enfin, het was een goede zachte snelle dood op deze zonnige vrijdagmiddag en straks begint de avondraadpleging. Het leven drukt weer op de aanknop.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Dokter Schrage is blind!

Dolle pret was het, die twee jaar dat ik militair huisarts speelde in de – even diep ademhalen – Generaal Majoor de Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot. We maakten van alles mee en hadden de grootste lol. Zieke mensen zag ik amper, maar ik leerde alles over soa’s, zag er voor het eerst platjes kruipen, en kreeg jonge gezonde kerels op het spreekuur met vragen als: ‘Dokter, nou had mijn vriendin vanochtend keelpijn. Kan ik dat nu ook krijgen?’

Verder zag ik een triest publiek van uitgerangeerde vijftigplussers die hun leven hadden gegeven voor defensie en nu op een zijspoor werden gezet. Te oud. Heftige depressies heb ik er gezien. Het raakte me diep.

Maar ook een ijselijk gillende doktersassistente die boven op haar stoel klom omdat er een spin uit een doos kroop.

We hadden koffiepauzes van een halfuur en een zeldzame spectaculaire redding: een jonge kerel wiens broekspijp tussen de draaiende toren van een tank raakte en die zo een heup ontwrichtte. Akelig.

Gelukkig werkte ik ook twee dagdelen in een gewone huisartsenpraktijk in het dorp. Kwestie van genoeg gevarieerde pathologie te zien. Toen was ik verkocht; ik bleef uiteindelijk twintig jaar in de Nederlandse huisartsenzorg werken.

Wat er natuurlijk ook bij hoorde als militair, was de ‘PU’ – alles maar dan ook werkelijk alles wordt afgekort bij defensie – de Persoonlijke Uitrusting dus. Een militair zonder fatsoenlijke uitrusting is als een vogel voor de kat, nietwaar?

Bij die uitgebreide PU, hoorde ook een speciale bril. Om onder je gasmasker te dragen, want een gewone bril past daar vaak niet onder, en aan lenzen heb je niet veel in het veld.

Dus werd er ook voor mij zo’n militaire bril besteld. Mét camouflageprint op het dunne montuur, wat dacht je?

Alle militairen die zo’n bril nodig hebben, kunnen hem afhalen op het secretariaat van het gezondheidscentrum op de kazerne, daar komen dagelijks pakketjes van die bestelde brillen aan. Zo ook mijn bril. Een dikke plus vijf, mét astigmatismecorrectie.

De doktersassistente maakte het pakketje open en viste routinematig het briefje uit de envelop om te kijken welke naam bij deze bril hoorde. Toen zakte haar mond open. ‘Dokter Schrage is blind!’ riep ze uit over de hele gang.

Nou dat viel nog wel mee gelukkig, ik zag genoeg om snel weg te wezen voor ik mijn vak zou verleren. De koningin bedankte me in de eervolle ontslagbrief nog ‘voor de goede diensten haar den lande bewezen’.

Geen dank, het is graag gedaan.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Nachtdienst in Vlaanderen

De eerste keer dat ik dienst heb op de wachtpost van de Vlaamse stad waar ik nu werk, schrik ik me rot.

Mijn dienst begint om acht uur ’s avonds, een kwartiertje voor tijd kom ik binnen. De wachtzaal zit afgeladen vol. Mensen komen hier gewoon naartoe zonder afspraak, dus zien ze meteen hoe de vlag erbij hangt. Wie vervolgens beslist om te blijven, zit gelaten de wachttijd uit. Met of zonder jengelend kind op schoot. Meestal met.

Ik spuug eens in mijn handen – bij wijze van spreken dan – en vlieg erin. In hoog tempo zien de andere consultarts en ik het ene banaal zieke kind na het andere. Ook wat andere zaken, maar toch vooral kinderen. Om halftwee ’s nachts – snel staand aan het aanrecht een boterham naar binnen gewerkt – is de wachtkamer eindelijk leeg en slaak ik een zucht van verlichting. Snel zoek ik mijn bedje op. Elke arts heeft hier een eigen slaapkamertje; op de gang is een gemeenschappelijke douche.

Om halfvier gaat mijn telefoon. De secretaresse meldt: ‘Dokter, er is nog een kindje met oorpijn in de wachtkamer. Komt u kijken?’
Ik haal moeder en kind uit de wachtkamer. ‘Vertel eens, wat is er aan de hand?’ Moeder vertvertelt dat haar zoontje van 3 zojuist huilend wakker is geworden van oorpijn. Overdag was er nog niets aan de hand geweest. Ze heeft hem een paracetamol gegeven en nu zit het kind rustig op schoot en kijkt wakker rond. De pijn is over. Ik onderzoek het jongetje en vind niets anders dan een rood trommelvlies links.

Moeder maakt vrolijk grapjes en kietelt haar kind. Niks geen overbezorgde moeder, lijkt me. Het jongetje is haar tweede kind, ze weet wat ze moet doen bij oorpijn. Waarom komt ze dan ’s nachts naar de post?

‘Wat doet u voor werk?’ vraag ik.

‘Ik ben verpleegkundige op de kinderafdeling van een ziekenhuis hier in de buurt’, antwoordt ze.

Ik val bijna van mijn stoel.

Te perplex om door te vragen, achtervolgt me sindsdien de vraag waarom hier zoveel mensen met hun, sinds een paar uur of hooguit halve dag, zieke kind naar de huisarts komen. Ik denk dat de achterliggende gedachte is: een goede ouder gaat met zijn zieke kind naar de dokter. De enige andere reden die ik kan verzinnen, is het briefje dat nodig is voor de crèche of voor de ouder om thuis te mogen blijven. Zonder briefjes en attesten valt België gegarandeerd uit elkaar.
Het is allang niet meer zo dat iedere ouder per se een antibioticumkuur wenst, er is duidelijk evolutie geweest in vergelijking met mijn start hier vijfentwintig jaar geleden. Maar dat er nog werk aan de winkel is, dat is me wel duidelijk na deze nachtdienst.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

En dan ga jij zó ádemen!

‘En wat dan met heftige gevoelens? Heb je daar minder last van als je meditatie of mindfulness beoefent?’

‘Nee, niet echt’, antwoordt cursusleider Edel Maex. ‘Misschien ervaar ik zelfs wel méér emoties na al die jaren mindfulness, ben ik gevoeliger geworden. Wat ik wel merk is dit: ik ben er meer mee op mijn gemak.’

Het is vraag-en-antwoorduurtje op de trainerscursus mindfulness die ik momenteel volg in het Vlaamse Westmalle. Een zaal vol zorgverleners (van wie een derde Nederlanders, en als ik goed geteld heb zijn er zes artsen: één bedrijfsarts, twee psychiaters (onder wie Edel zelf) en drie huisartsen; verder allerhande peuten: psycho-, drama-, ergo-, gedrags- en fysiotherapeuten) vuurt vragen af op Edel en hij beantwoordt ze stuk voor stuk in zijn heldere nuchtere stijl. Enig narcisme of andere goeroeneigingen zijn hem geheel vreemd, aan streng zijn doet hij niet en precies daarom ben ik hier zo graag.
Zelfs liggend mediteren mag hier als je daar behoefte aan hebt. Al heb ik dat nog niet gedurfd. In eerdere zenmiddens waarin ik vertoefd heb, was dat vloeken in de kerk. Hier geen ‘kadaverdiscipline’ zoals Edel dat zelf zo treffend omschrijft.
Als iemand zo mild met de ander omgaat, word je vanzelf milder voor jezelf. Ik ga hier dus rustig mijn gangetje en als mijn lijf kriebelt en ik moet gaan sporten in plaats van mediteren, dan mag dat. (Dat sporten tijdens een retraite is dan wel weer iets wat ik aan de strenge sesshins van vroeger overgehouden heb. Hier doet men enkel aan wandelen, en dat is heilzaam maar eens lekker voluit gaan is te zalig om op te geven.)

Ik vergelijk het graag met de gynaecoloog bij wie ik ooit als coassistent mijn stage verloskunde liep: dokter Aerts in Turnhout was zo’n wijze grijze man die vertrouwen kon geven. Hij had daar geen woorden voor nodig, hij liet je gewoon doen en gaf je het gevoel dat je het wel kon, haast onmerkbaar stuurde hij bij. Ik herinner me dat fantastische gevoel toen ik de eerste keer zo’n glibberig baby’tje opving bij een geboorte. Yes! Ik had een bevalling gedaan, en het ging eigenlijk vanzelf.

Nou gáán goede bevallingen ook vanzelf: erbij staan en de baby opvangen als het zover is, meer moet dat niet zijn. De draaibeweging die daarvoor nodig is, maakt die baby echt wel zelf. Net zoals de meeste mensen hun eigen weg wel vinden, als ze maar naar hun hart luisteren. Heel stil gaan zitten en niks doen, helpt daarbij.

Stil zitten, en ademen: ook ik merk dat ik er door de jaren heen gevoeliger door ben geworden. Al is dat niet helemaal juist: ik was altijd al een vat vol emoties, maar nu ben ik me daar meer bewust van. Dat is niet altijd even handig, maar geeft wel ruimte: vrijheid in wat je er vervolgens mee doet. Iets of niets. Even lekker gaan rusten in het gras dat je ergens over laat groeien, of actie ondernemen.

Zoals die keer dat mijn zoon in een zeldzame puberstuip goed op weg was om mij het bloed onder de nagels vandaan te halen: ik voel van binnen een kookpunt naderen en bedenk net op tijd dat ik ook gewoon even kan kijken hoe lang ik dit kan verdragen zonder terug te brullen. Dat is bij hem dan weer net de laatste druppel. Met overslaande stem sist hij: ‘Oh mama, en dan ga jij zó ádemen!!’

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Bronzen bonus

Als ik langs mijn benen naar beneden kijk, stel ik met genoegen iets vast wat ik in geen jaren meer heb gezien: ze hebben zowaar een kleurtje. Twintig jaar lang staken elke zomer een paar onaantrekkelijke bleke melkflessen onder mijn jurk uit, nu kleurt de gouden nagellak op mijn tenen vrolijk af bij mijn huid en mijn sandaaltjes.

Een welkom neveneffect van de manier waarop ik me verplaats sinds ik in mijn eigen stad werk, na de grote carrièreswitch vorig jaar. Ik doe nu alles op de fiets. De auto haal ik nog zelden van stal, alle huisbezoeken doe ik met de fiets. Voor een occasionele verre visite pak ik nog de auto, en voor de weekwacht die we hier nog vanuit huis doen (in het weekend doen we de diensten vanuit een huisartsenpost). Aan spoed doen we amper in België, dat gaat hier allemaal recht naar de Spoedgevallenafdeling van het ziekenhuis. Die cultuur verander je zomaar niet. Gesteld dat je dat al zou willen.

Verraad ik daarmee mijn vak of haal ik gewoon de druk van de ketel? Het voelt als dat laatste. Het is een opluchting om me niet meer voor alles verantwoordelijk te voelen.

Dat fietsen is een heerlijke bonus van mijn jobverandering. Op een gedeelde eerste plaats daarmee is de verrassende vaststelling dat het zalig werken blijkt zonder assistentes. Ik heb hier enkel een secretaresse die voornamelijk administratief werk doet en afspraken noteert.

Nou had ik in Tilburg schatten van assistentes, daar valt niets op af te dingen, stuk voor stuk topmeiden. Maar ze zaten in de wurggreep van de drukte, waardoor het effect van hun werk was: eerst de agenda vol plannen, en dan nog van alles dat erbíj moet. O, wat vond ik dat vreselijk: wat had ik aan assistentes als ze niet waar konden maken wat ik nodig heb: een werkbare agenda, een menselijke dag? Waar had ik dan assistentes voor?

Terwijl de onderliggende oorzaak natuurlijk was: het bord van de Nederlandse huisarts ligt gewoon te vol. Zeker in de niet-erkende achterstandswijk waar ik zat.

Nu regel ik die agenda dus grotendeels zelf, en ik vind de lange dagen – avondspreekuur is hier doodnormaal – met minder werkdruk een stuk leefbaarder.

Niet dat het hier nu allemaal rozengeur en maneschijn is hoor. Maar zonneschijn is er genoeg. Kijk maar naar mijn bruine benen.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

8 à Huit

Puffend zijg ik neer op een bankje bij het kerkje van Daglan. Het uitzicht dat ik heb, is alweer niet anders dan – excusez le mot – pittoresk te omschrijven. Alle wegen in de Dordogne lijken van postkaart naar postkaart te leiden. Even afkoelen van het fietsen en het tomaathoofd tot zijn normale kleur laten bekomen.

Mijn oog valt op het pand schuin tegenover me: de lokale 8 à Huit-supermarkt. Ik drink wat water. Zelfs het water is warm geworden in mijn fietstas. Maar ik zit goed en heb alle tijd van de wereld. Op mijn gemakje bekijk ik de mensen die de supermarkt in- en uit lopen. Uit tasjes en manden puilen trossen dikke tomaten, stokbrood en kroppen sla. Er wordt gesjouwd met flessen melk en wijn.

Vreemd… ik voel geen enkele behoefte zelf de winkel in te lopen en op zoek te gaan naar lekkers. Nochtans is dit een zeldzaam vrij moment in deze actieve schrijfvakantie. Niks voor mij. Normaal zou het zo gaan: hele dagen ‘opgescheept’ zitten met anderen leidt bij de eerste de beste gelegenheid tot rooftochten naar snack- en snaaigerief. Weinig alleen kunnen zijn, mondt meestal uit in stiekeme snoepaanvallen ter compensatie.
Ik grinnik inwendig bij de vaststelling dat ik deze keer geen greintje behoefte voel aan dat patroon.

Dat ik in de chambre d’hôte waar ik verblijf zo goed verwend wordt, heeft daar zelfs niets mee te maken. Rooftochten zijn niet gerelateerd aan mijn voedingstoestand. Die sowieso al niets tekortkomt, maar daar hebben we het nu niet over. Ik praat over het verschil tussen ‘voeden’ en ‘vullen’. Vullen doet een mens wanneer hij zich in voeden tekort heeft gedaan.

Dezelfde vreemde ervaring heb ik gedurende de hele rest van die schrijfweek in Frankrijk. Ik verblijf in de enige gastenkamer die het huis rijk is, dus ook mijn gastheer en -vrouw, Ed en Asjha, zitten zowat vierentwintig uur per dag met mij opgescheept. Nou is de tuin enorm, dus we hoeven met zijn drieën bepaald niet op elkaars lip te zitten, maar toch… geen moment bekruipt me het bekende gevoel dat ik nu wel even klaar ben met social talk en een poos niemand wil zien. Omgekeerd voel ik ook nergens dat Ed en Asjha mij nu liever kwijt dan rijk zijn voor een paar uur.

Wat gebeurt hier?

Awel, daar heb ik zo mijn theorie over. Dit is pure ‘mens sana in corpore sano’ in actie. Bewegen houdt het lijf gezond, schrijven houdt de geest lenig en gelukkig.
Na een dag spreekuur is dat toch even anders dan na een dag schrijven…

En terwijl ik zo op dat bankje zit te mijmeren met mijn gezonde mens in mijn corpus sanum, rolt het metalen rolluik van de 8 à Huit met veel gekletter naar beneden.
De klok slaat zeven uur.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Contentement

Mijn ‘bazen’ zijn op vakantie, ik run de tent alleen deze week. Het is de eerste week van de paasvakantie hier in België, en wie kan, gaat skiën. Dat doen mijn twee collega-huisartsen dan ook. Ik blijf hier en draai de praktijk alleen. Samen met de secretaresse die er is van halfnegen tot halfvier.

Het zijn lange dagen. Non-stop draai ik spreekuur van halfnegen in de ochtend tot de laatste patiënt de deur uit is. Vaak is dat pas rond halftien of zelfs tien uur. Die avondspreekuren vind ik prettig. De wereld valt stil, de telefoon zwijgt en vaak zijn het echte ontmoetingen. Wat maken we het in Nederland toch moeilijk soms. Zo ingewikkeld hoeft het helemaal niet te zijn, dat avondspreekuur.

O ja, een beetje vrij was ik ook: twee keer is het me gelukt om een uurtje pauze te nemen, en woensdag was ik zelfs de hele dag vrij. Tussendoor een zeldzame visite in het zonnetje op de fiets is ook echt ontspanning.

Als de week erop zit, ben ik niet eens moe, zoveel voldoening gaf het werk me. De sleutel is simpel: hard werken, een navenante verdienste en amper stress. Niet opgejaagd worden maakt het werk zoveel leuker. Ik genoot van de prettige contacten en toen ik eenmaal in de wedstrijd kwam en het ritme onder de knie kreeg, was ik die dieselmotor die kon gaan en blijven gaan.
Een week geleden was er wel stress. Ik durf het bijna niet hardop schrijven, maar de stress kwam van te wéinig werk. Nooit gedacht dat ik daar ooit nog over zou klagen. Maar ik heb ervaren dat te weinig werk net zo deprimerend is als te veel. In België moet je echt elke patiënt verdienen, we zijn hier toch een beetje kleine kruideniers.

Vrijdagavond sluit ik de tent om halfnegen, en kan ik overlopend van contentement aan mijn weekend beginnen. Dat ziet er op zaterdagochtend zo uit: ’s ochtends vroeg – als de vogeltjes nog op hun luidst fluiten – buiten mediteren op het terrasje van mijn tuinkamer, het reeds opgeruimde hoofd nog wat verluchten, ontbijt met man en kinders, en dan krant en koffie in mijn favoriete koffiebar. Er komt een blogje van, hét symptoom van optimaal welbevinden.

Was ik twintig jaar jonger, ik wist het wel, ik startte een solopraktijk.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

Waar euthanasie thuishoort

Op 8 maart vierden we met veel luister het vijfjarig jubileum van de Levenseindekliniek (SLK) in de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Het was meteen ook mijn afscheid van hen.

Mijn passage bij de Levenseindekliniek was kort maar intens. Wat wordt daar toegewijd en deskundig gewerkt door alle betrokkenen. Ik heb in korte tijd enorm veel bijgeleerd en was vaak onder de indruk van de drive waarmee er voor elke patiënt gegáán werd. Tot de Toetsingscommissie toe als dat moest. In de intervisiegroep zag ik wat dat met artsen en verpleegkundigen deed. Dappere dokters die een traan niet konden bedwingen.

Dat ik er na amper een jaar alweer vertrek, komt vooral doordat ik na bijna twintig jaar werken in Nederland – een beetje ontgoocheld – terug naar België getrokken ben. Waar de menselijke maat, om maar even een actueel thema aan te snijden, nog de referentie is. Werken in twee landen is als hinken op twee benen. Niet heel handig. Dus bouw ik stilaan mijn Nederlandse activiteiten af, terwijl ik de Belgische uitbreid. Dat was de voornaamste reden om de Levenseindekliniek vaarwel te zeggen.

Al is dat niet de hele waarheid.

Eerlijker is het om daarbij te melden dat euthanasie bij de Levenseindekliniek mij niet de duizend procent voldoening gaf die ik in de huisartsenpraktijk voelde. De licht euforische ontlading die ik erna altijd ervoer, bleef uit. Ik kan daar veel redenen voor bedenken: de afstand en daarmee de drempel om in de dagen voorafgaand aan de euthanasie ook eens zomaar even binnen te wippen om de temperatuur te peilen, het abrupte einde na de euthanasie (je spreekt de nabestaanden nog wel een keer, maar je komt de familie nooit meer zomaar in je praktijk of op huisbezoek even tegen), alle weerstand waar je soms op stuit – van geraadpleegde deskundigen, een zeldzame SCEN-arts, sommige apothekers – en die mij zwaar viel (dat was ik niet gewend in de huisartsenpraktijk), de bewustwording dat ik als arts toch liever alleen opereer dan als team (hoezeer ik ook de meerwaarde van dat teamwerk erken), …

Achter elke casus die ik voor de SLK uitgevoerd heb, sta ik nog als een blok. Daar valt niet op af te dingen. Ik ben blij dat ik dit voor deze mensen en hun familie heb kunnen betekenen. Het is perfect mogelijk om op korte tijd een intense band op te bouwen. Waar ik niet goed tegen kan, is dat die navelstreng dan zo abrupt wordt doorgeknipt.

Daarom pleit ik hier voluit: euthanasie hoort in de huisartsenpraktijk. En natuurlijk ook bij specialisten ouderengeneeskunde en alle artsen die een stuk verplaatste huisartsgeneeskunde bieden. Dit bedoel ik zeker niet oneerbiedig. Het is een voorrecht om dit werk te mogen doen. Daarmee onderschrijf ik van harte de ambitie van de SLK die op 8 maart weerklonk in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Gastheer Lex Bohlmeijer verwoordde die in zijn openingszin zo: ‘Hoe vier je een eerste lustrum van een instelling die de uitdrukkelijke ambitie heeft zichzelf zo snel mogelijk op te heffen?’

Dat vieren lukte perfect. Met muziek van het ensemble Calefax en poëzie, bij uitstek geschikt om dat wat complex is te vatten. Met mooie woorden van minister Schippers, voorzitter van de Toetsingscommissies Jacob Kohnstamm, met een oproep tot filosofische onderbouwing van het werk van de SLK door Christa Anbeek, en zelfs met Koot & Bie.

Nu het opheffen nog. Dat lukt pas als de Levenseindekliniek erin slaagt huisartsen zo goed te ondersteunen en kennis bij te brengen, dat een groeiend aantal huisartsen dit moeilijke en mooie werk met zelfvertrouwen oppakt. Niet bang voor complexiteit.
Dan houden we enkel nog het Expertisecentrum Euthanasie. Het kenniscentrum dat groeide in de schoot van de SLK. Voortschrijdend inzicht in deze snel ontwikkelende materie zullen we altijd nodig hebben.

Dát is de kerntaak van de SLK: de meest complexe casussen begeleiden of overnemen. Níet wat nu helaas soms gebeurt: een lastige klus over de schutting gooien bij de SLK. Vanwege geen tijd, geen zin, overbelast voelen, onder druk gezet voelen… allemaal zaken die we nu zien gebeuren. Dit oneigenlijk werk hoort niet bij de SLK, maar in de eigen huisartsenpraktijk of de eigen hagro.

Eindigen doe ik graag met woorden die Rebekka de Wit uitsprak op de jubileumviering. Rebekka maakt theater en schreef de schitterende roman We komen nog één wonder tekort. Daarin vertelt ze hoe haar familie verdergaat na de dood van haar moeder en haar schoonbroer. ‘(…) ik zie nu pas dat we natuurlijk zonnebloemen nodig hebben om iets van onszelf te begrijpen. Dat je groeit naar waar je het meeste licht opvangt, en dat je op die manier uit elkaar kunt groeien.’

Nieuwsuur besteedde donderdag 23 maart op NPO 2 aandacht aan de jubileumviering van de Levenseindekliniek.

Lees ook KNMG gaat artsen helpen bij verwijzen euthanasieverzoek

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)

UZI-terreur

Ja, die nieuwe UZI-pas was echt nodig. Elke keer als ik de leenpas van de huisartsenpost gebruikte voor een dienst, kreeg ik zoveel verwijtende lichaamstaal mee van de centraliste bij wie ik schoorvoetend kwam bedelen, dat ik me uiteindelijk maar eens aan de klus zette. Ik ging een UZI-pas aanvragen.

Dat varkentje zou ik eens eventjes wassen. Ik nam het beest in de houdgreep en surfte naar uziregister.nl. Op naam van mijn eigen zzp-zaakje als waarnemend huisarts vroeg ik de pas aan. Dat ging best vlot. Had ik daar nou zo tegenop gezien?
Maar ik had te vroeg gejuicht, de ellende begon pas.
Wéken later kreeg ik niet zoals verwacht de pas, maar de tóestemming dat ik een pas mócht aanvragen… Daar moest ik even van slikken, het leek wel een grote gunst.
Nu was ik weer aan zet, maar zoals dat gaat met k-klussen: de brief belandde op de to-do-stapel. Daar kunnen brieven erg lang liggen. Maanden gingen voorbij, ik bleef vrolijk diensten doen met de leenpas. Geen haan die ernaar kraaide – op die centraliste na – en de brief zakte rustig in slaap.

Nieuw jaar, nieuwe moed, ik neem de handschoen weer op en surf naar uziregister.nl. Hallo register, daar ben ik weer, ik kom de UZI-pas aanvragen.
En daar doemt het volgende obstakel op: ik kan de pas enkel aanvragen met een DigiD, en dat heb ik niet want ik woon in België. Geen nood, ook als je in het buitenland woont, kan je een DigiD krijgen, maar dan moet je wel eerst naar een Nederlands gemeentehuis om je te laten registreren als niet-ingezetene. No problem, ik meld me netjes bij het stadskantoor in Eindhoven op de tijd waarop ik digitaal de afspraak ingeboekt heb.

‘O, maar u heeft al een BSN-nummer’, zegt de hulpvaardige ambtenaar vriendelijk.
‘Ja, ik werk al twintig jaar in Nederland.’
‘Ik zie het al: niet alle vakjes zijn goed ingevuld. Uw geboorteplaats en -land ontbreken. Die zal ik meteen voor u invullen.’
Vreemd, na twintig jaar werken, belasting betalen, verzekerd te zijn tegen van alles en nog wat en ingeschreven te zijn in de Kamer van Koophandel in een maatschap, ontbreken er blijkbaar een paar vakjes die cruciaal zijn in de vaart der volkeren.
In een oogwenk maakt de ambtenaar alles in orde. Ik kan nu verder en vraag digitaal een DigiD aan. Ook dat gaat soepel. De procedure sluit af met de vriendelijke mededeling dat ik nu de trotse eigenaar ben van een baliecode waarmee ik me binnen dertig dagen bij een van de dertig DigiD-balies mag melden waar ik als buitenlandse Nederlander terechtkan. Natuurlijk pas na afspraak.

Neem gerust een kop koffie om even te pauzeren, dat doe ik ook.
Ik surf weer naar een gebruiksvriendelijke gemeentewebsite, waar ik digitaal een afspraak regel. In Bergeijk kan dat alleen op maandag en donderdag tijdens kantooruren. Dat wordt dus een dagdeel vrij nemen en weer dik anderhalf uur in de auto heen en terug.
Vrolijk meld ik me op de geplande afspraak die donderdag. En ja hoor, met de kostbare baliecode krijg ik mijn DigiD. In een hip en een wip. Ik besta!

Laatste halte: terug naar uziregister.nl. Vierde keer, goeie keer. Ik vraag nu mijn UZI-pas aan. Binnen de drie minuten wordt mijn succesvolle aanvraag per mail bevestigd.

Europa? Laat me niet lachen. Waar kan ik mijn uren en kilometers declareren? Een UZI-pas aanvragen is geen klusje, het is een project. De felbegeerde pas, proeve van volharding en doorzettingsvermogen, zal ik binnenkort (??) in mijn bezit hebben, wel na afspraak melden bij een balie ergens te lande waar nog eens gecontroleerd wordt of ik wel ben wie ik ben. Je mag als Nederlander die toevallig in België woont echt niet zómaar werken in Nederland. Daar moet je wel wat voor dóen! Als terroristen net zo grondig gecontroleerd worden als ik, dan moet Nederland het best bewaakte fort binnen Europa zijn.
Uzi, uzi, uzi,… ineens herinner ik me waar ik dat woord ook alweer van ken. Het knalt en je kunt er terreur mee zaaien.

(Deze tekst verscheen eerder op Medisch Contact – medischcontact.nl)